Is de universiteit een vrijplaats voor het denken, een plek waar de ratio overheerst en waar alle ideeën ingang kunnen vinden zolang ze de toets van de kritische vraagstelling maar doorstaan? Ja, zullen alle universiteiten zeggen, zo'n vrijplaats bieden wij. Hier is het dat wie durft te denken werkelijk thuishoort. Maar is dat zo? Kunnen academici nog zeggen wat ze denken of moeten ze eerst goed nadenken over wat ze kunnen zeggen?
...

Is de universiteit een vrijplaats voor het denken, een plek waar de ratio overheerst en waar alle ideeën ingang kunnen vinden zolang ze de toets van de kritische vraagstelling maar doorstaan? Ja, zullen alle universiteiten zeggen, zo'n vrijplaats bieden wij. Hier is het dat wie durft te denken werkelijk thuishoort. Maar is dat zo? Kunnen academici nog zeggen wat ze denken of moeten ze eerst goed nadenken over wat ze kunnen zeggen? Ik vrees dat de universiteit minder dan vroeger een vrijplaats is, gewilliger maatschappelijke tendensen en trends volgt, vooral een plek zoekt binnen de bestaande wereld eerder dan die zelf vorm te geven. Hoe komt dat? Het gebeurde geleidelijk. Precies dat is gevaarlijk. Academici koesteren verandering als concept, maar worden zelf vaak verrast door veranderingen die ze niet tijdig in de gaten hebben. De verminderde openheid van de universitaire wereld vond in twee etappes plaats. In beide gevallen was ze een negatief gevolg van een evolutie die tegelijk positieve kanten heeft. De eerste trend die het toenemende conformisme - laten we die term maar gebruiken - in de hand heeft gewerkt, is het terecht steeds groeiende belang dat aan wetenschappelijk onderzoek werd gehecht. Reeds in de laatste decennia van de vorige eeuw versterkte zich het besef dat een universiteit die naam waardig uitsluitend onderwijs verschaft gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek dat professoren zelf verrichten. Een mens kan het zich vandaag nauwelijks voorstellen, maar vroeger waren er ook luie professoren die helemaal geen onderzoek deden, of ermee gestopt waren, en zich uitsluitend concentreerden op retoriek, op de verpakking van een boodschap die niet de hunne was. Om dat te verhinderen, werd het wetenschappelijk onderzoek steeds professioneler in kaart gebracht, gemeten, werd de kwaliteit ervan gecontroleerd. Het klinkt redelijk, en redelijk willen universiteiten zijn. Maar aan deze op zichzelf positieve evolutie kleven verraderlijke kantjes. Wat is bijvoorbeeld kwaliteit? De Belgische filosoof Pascal Chabot publiceerde er pas een boek over, Traité des libres qualités. Hij noemt kwaliteit een meer pragmatische, minder hooggestemde variant van wat in tijden met metafysische ambities gewoon 'het goede' heette. Het nieuwe goede, de kwaliteit, moest wel gemeten worden, want meten is weten. Vandaar het belang van citaties in de juiste tijdschriften. Een puur inhoudelijk waardeoordeel over de kwaliteit van het geleverde werk is immers in tijden zonder overkoepelende filosofische consensus een lastige onderneming. Het meten is een techniek om kwaliteit nieuwe stijl op het spoor te komen. Maar tegelijkertijd drijft het onderzoekers naar conformisme, het schuwen van risico's. Iemand maakt immers de grootste kans om vaak geciteerd te worden in onderzoeksdomeinen waar velen actief zijn. Daarin moet hij innovatief zijn. Als innovatie echter betekent dat de onderzoeker onbegane paden bewandelt waar hij helemaal alleen is, blijft het citeren uit. De conclusie luidt dan ook dat het meten van onderzoeksresultaten conformisme met zich meebrengt. Een academicus moet origineel zijn binnen de rasters die bepalen wat originaliteit is. In zekere zin een contradictio in terminis. Het is een stap in de academische evolutie die het wetenschappelijk waardevolle duidelijker maar ook enger definieert dan voorheen, die de vrijheid dus beperkt, niet juridisch maar wel in de praktijk. Kortom, de eerste stap naar reductionistisch denken werd gezet door wetenschappers en hun bestuurders zelf. Om beter te kunnen meten, beperkten ze hun eigen speelveld en verkleinden de ruimte voor een open dialoog. Vandaag is een tweede fase aangebroken die de open discussie verder beperkt. Dit keer niet zozeer omdat wetenschappers zelf vragende partij zijn, maar omdat de hedendaagse samenleving het minstens impliciet verlangt. Laatstgenoemde bevindt zich, zeker vanuit een intellectueel oogpunt, niet in een periode van expansie. Ze worstelt met allerlei vervelende trends. Zo is er de vrees voor een nieuw obscurantisme, geïnspireerd door een heropleving van religieuze ideeën die niet door de trechter van de verlichting heen zijn gegaan. Creationisme, een inferieure rol voor de vrouw, verwerping van homoseksualiteit, pleidooien voor een theocratie: allemaal dingen die velen angstig maken en waarop mensen een antwoord zoeken. Het probleem is dat het antwoord zelf ook vaak een probleem is. Politici deinzen er niet voor terug, ook niet in de machtigste natie ter wereld, om waarheden te verkondigen die er geen zijn, om met fake truth de angstgevoelens van de bevolking te temperen. De intellectuele en culturele elite heeft een grondige afkeer van beide trends, dus zowel van obscure religieuze opvattingen als van populistische schijnwaarheid. Maar wie zal dan de wereld redden? De verlichting, horen we hier en daar, al is het niet altijd even duidelijk wat die precies inhoudt. Wat echter wel vaststaat: de wetenschap is het kroonjuweel van dezelfde verlichting, die het denken liet prevaleren op geloof zonder bewijs. Ziedaar dan de wetenschap, omgeven door hoge verwachtingen die op zichzelf niet wetenschappelijk zijn, maar de verzuchtingen van een samenleving die haar angsten wil verdrijven en een verbondenheid zoekt waar geen speld tussen te krijgen is. Een vreemde formulering... Is dat de definitie van wetenschap? Ze lijkt eerder die van een godsdienst, een godsdienst uit het verleden, waar in het huidige christendom hier en daar late sporen van te vinden zijn maar die zich ondertussen lang heeft getransformeerd. Geen moderne religie immers zonder het bewustzijn van een specifiek taalgebruik. Geen moderne religie zonder context, zonder hermeneutiek, zonder aandacht en respect voor de wetenschap. Zo komen we tot een vreemde paradox: we worden in onze tijd geconfronteerd met de religieuze dimensie van de wetenschap op een moment dat religie zelf helemaal geen wetenschap meer wil zijn. En al zeker het christendom in het Westen niet. Het heeft de ambitie opgegeven een verklaring voor alles te bieden. Ze concurreert niet langer met de wetenschap. Geen christelijk intellectueel neemt het scheppingsverhaal letterlijk. En niemand voelt zich bedreigd door een wetenschappelijke theorie die probeert het ontstaan van het heelal beter te begrijpen. Religie stelt ondertussen wel diepere vragen die over zin, liefde, schoonheid, misschien ook eeuwig leven gaan. Religie probeert de mens te beschrijven en te begrijpen, maar zal zich niet mengen in de strijd der algoritmes of in de mathematische modellen die proberen een stuk van de werkelijkheid in cijfers te vatten. Het is een ironisch toeval dat wetenschap religie dreigt te worden op een moment dat religie al een tijdje beseft dat ze iets anders moet zijn dan wetenschap. Het lijkt wel een verwisseling van de traditionele rollen. Waaruit blijkt het religieuze karakter van de wetenschap? Ik zie alvast vier punten. Het eerste heeft te maken met de groeiende vermenging tussen wetenschap en moraal. Een tegenstander in een discussie over bijvoorbeeld voedselconsumptie, klimaatverandering, diversiteit of kernenergie wordt vaak niet enkel met rationele maar ook met daarmee soms subtiel verweven morele elementen bestreden. Iemand die een controversiële analyse maakt, heeft niet langer alleen maar ongelijk. Afwijkende standpunten betekenen tegelijk dat hij moreel faalt. De vermenging van inhoud en moraal is een kenmerk van religie op haar slechtst. Echte religie concentreert zich allereerst op het transcendente, zoals echte wetenschap boven alles de wetenschappelijke waarheid nastreeft. De moraal komt in beide gevallen pas achteraf, mogelijk als een derivaat, doch is niet het essentiële. Maar ouderwetse religie en hedendaagse wetenschap hebben dus wel de neiging inhoud en moraal met elkaar te verbinden. Dat de wetenschappelijke discussie vaak moreel is blijkt ook uit thema's die wel, en thema's die niet aan bod komen. Zo kan een wetenschapper zonder veel tegenstand argumenteren dat de vleesconsumptie moet verminderen om het klimaat te redden. Demografische aspecten liggen moeilijker. Begrenzing van het aantal kinderen per gezin? Weinigen pleiten ervoor, het is moreel moeilijk verkoopbaar. En nog nooit hoorde ik dat het verbieden van echtscheiding niet alleen economisch, maar ook ecologisch nuttig kan zijn, omdat mensen die samenblijven geen twee verschillende woningen nodig hebben. Pas op, ik pleit niet voor het verbod op echtscheiding, maar ik stel wel vast dat niemand ervoor pleit, of de hypothese zelfs maar onderzoekt, omdat een morele barrière het verhindert. Terecht. Het feit dat morele overwegingen een rol spelen of grenzen aan de discussie stellen, is op zichzelf niet problematisch. Maar het is wel belangrijk het moreel kompas of het ethische kader dat men hanteert duidelijk te expliciteren. Wetenschap en moraal zijn twee verschillende dingen. Een tweede karakteristiek van een verouderde godsdienstbeleving is het onvermogen om met dissidentie om te gaan. Niet dat in de wetenschap afwijkende meningen strafbaar zijn, maar ze zijn weinig bevorderlijk voor iemands carrière. In het kerkelijk recht, mijn vakgebied dat best wel een facelift kan gebruiken, bestaan nog altijd straffen voor ketters. Ze worden van rechtswege geëxcommuniceerd. Wie is een ketter? Dat staat in canon 751 van het kerkelijk wetboek van 1983. Ketterij wordt genoemd 'het na het ontvangen van het doopsel, hardnekkig ontkennen of in twijfel trekken van één of andere waarheid die met goddelijk en katholiek geloof geloofd moet worden'. Zijn wetenschappers immuun voor deze definitie? Het 'doopsel' zou het doctoraat kunnen zijn, de 'waarheid' de wetenschappelijke consensus. En de 'twijfel' de vraag om, ondanks de schijnbare consensus, vrij van vooroordelen verder onderzoek te verrichten. Mogelijk helpt het te weten dat zij die eens ketters waren achteraf vaak de grootste kerkvernieuwers bleken te zijn. Ketterij is een kwaliteitslabel. Een theoloog die er nooit van werd beschuldigd, stelt wellicht weinig voor. Misschien geldt hetzelfde voor een wetenschapper die uit vrees voor zijn reputatie elke controverse schuwt. Angsthazen helpen de wereld niet vooruit. Ook het derde punt is in het kerkelijk wetboek terug te vinden. Met name in de laatste canon ervan, canon 752. Daarin staat dat het zielenheil, salus animarum, in de kerk steeds de hoogste wet moet zijn. Dat is eigenaardig voor een instituut dat juist de waarheid in pacht meent te hebben. En kijk, plotseling lijkt het zielenheil nog belangrijker. Het kerkelijk wetboek biedt er zelf een pijnlijk voorbeeld van in canon 1741, 3°. Daarin staat dat een pastoor op wettige wijze uit zijn parochie kan worden verwijderd bij verlies van goede naam bij rechtschapen en in aanzien staande parochianen, of wegens afkeer jegens de pastoor, waarvan voorzien wordt dat zij niet binnen korte tijd zullen ophouden. Wat er niet staat, is dat het verlies van iemands goede naam terecht moet zijn, of dat de afkeer op enige grond moet berusten. Het zielenheil gaat voor, zowel op de rechten van de pastoor, in ons geval de onderzoeker, als op de waarheid. Primeert het zielenheil ook aan een universiteit waar niet alle mensen ervan overtuigd zijn dat ze een ziel hebben? Het gevaar bestaat. Denk maar aan de safe spaces aan de Amerikaanse universiteiten waar het welbevinden van studenten die tot minderheden behoren belangrijker is dan het open debat dat de verschillende facetten van een mogelijk niet bestaande waarheid belicht. Een vierde kenmerk van een ouderwets religieus systeem is de hypocrisie. Omdat de regels streng zijn en de sancties voor dissidenten genadeloos doet iedereen alsof hij het opgelegde discours verinnerlijkt. Twee onverzoenbare eisen komen immers samen. Aan de ene kant vraagt de tijdgeest dat we authentiek zijn, niet hypocriet. Aan de andere kant worden meningen die een op moraal gestoelde consensus doorbreken strenger beoordeeld. Daarom dit ter overweging. Zijn er vragen die u zich vroeger durfde te stellen en nu niet meer? Zijn er dingen die u dieper zou willen onderzoeken terwijl u er toch andere kiest omdat ze meer geld en minder scepsis met zich meebrengen? Als u die vragen positief beantwoordt, werkt u minstens een beetje mee aan een wetenschap die kenmerken van een ouderwetse religie vertoont. Maar laten we met een positieve noot besluiten. U bent hier uit vrije wil, neem ik aan. U hebt geluisterd naar een uiteenzetting over kerkelijk recht. En u ziet er niet buitengewoon boos of terneergeslagen uit. Daarom dank ik u hartelijk voor uw open geest en uw welwillende aandacht.