De droogte die ons de voorbije maanden teisterde deed veel stof opwaaien over de duurzaamheid en veerkracht van ons landbouw- en voedselsysteem. Talloze mediaberichten verschenen over de opgelopen schade van de oogst en tezelfdertijd over de tonnen overschot door overproductie en vroegrijpe groenten en fruit die niet voldoen aan de verkoopnormen. De alarmbel klonk even luid aan de consumentenzijde: het overaanbod aan kant-en-klare producten en plastic verpakkingen werden aangeklaagd, maar evenzeer de veel te lage prijs die we zouden betalen voor ons voedsel.

We moeten vermijden dat we blind en onkritisch in het duurzaamheidsdiscours stappen.

Charlotte Prové (Minerva)

Het is inderdaad hoog tijd dat we anders omgaan met ons voedsel, zoals Dirk Holemans eerder deze zomer in Knack beweerde. Maar hoe verwezenlijken we een duurzamer landbouw- en voedselsysteem? Deze vraag gaat veel verder dan het al of niet toelaten van de CRISPR-techniek. Het is immers essentieel dat zowel het beleid als wij, burgers, stilstaan bij de vraag welk landbouw- en voedselsysteem we willen, en hoe we dit kunnen bereiken. Stedelijk voedselbeleid kan hier een belangrijk instrument voor zijn. Maar, voor we te hard van stapel lopen: we moeten vermijden dat we blind en onkritisch in het duurzaamheidsdiscours stappen.

Stedelijk voedselbeleid als motor voor transitie

Decennialang werd landbouw beschouwd als een thema dat enkel voor het platteland belangrijk is. De laatste jaren groeit echter het bewustzijn dat een brede aanpak nodig is om een structurele verandering, of een transitie, door te voeren. Dit impliceert een verschuiving van een landbouwbeleid dat zich voornamelijk beperkt tot 'wat op het erf gebeurt' naar een voedselbeleid waarin alle aspecten van een voedselsysteem samen worden aangepakt.

Voedselbeleid is pionierswerk, en vraagt om een fundamentele hervorming van het huidige landbouwbeleid. Steden en gemeenten kunnen hierin het voortouw nemen. Ten eerste zijn steden plekken waar creativiteit, innovatie en vernieuwing de meeste kansen krijgen. Lokale besturen steunen steeds vaker de opkomst van initiatieven als stadslandbouw, korte keten, en samentuinen. Dat zijn voorbeelden die de transitie naar een beter voedselsysteem op gang kunnen trekken. Bovendien heeft sensibilisering in steden potentieel veel impact: denk maar aan het succes van Donderdag Veggiedag in Gent.

Ten tweede brengt zo'n voedselbeleid alle actoren uit het landbouw- en voedselsysteem samen: alleen zo bekom je, in plaats van een versnipperd beleid, een geïntegreerd beleid dat de complexiteit van een duurzame transitie omarmt.

Ten derde, omdat dit zich allemaal op een lokaal niveau afspeelt, krijgt voedselbeleid zo een hoger democratisch gehalte. Burgers kunnen rechtstreeks met schepenen en stedelijke ambtenaren overleggen, kunnen aanspraak maken op subsidies of ondersteuning en zo veel meer. Het is belangrijk dat een voedselbeleid beantwoordt aan de noden en behoeften van je eigen stad.

Van Noord-Amerika naar Vlaanderen

Het idee om voedsel terug op de stedelijke politieke agenda te zetten is overgewaaid uit Noord-Amerika. Daar werden sinds de jaren 90 food policy councils of voedselraden opgezet. In die voedselraden wordt overlegd, worden problemen en opportuniteiten geïdentificeerd, en worden beleidsaanbevelingen geformuleerd, of zelfs acties ondernomen.

Ook bij ons is er urgentie om van landbouw en voeding opnieuw een belangrijk publiek thema te maken, gezien onze voedselproductie wereldwijd verantwoordelijk is voor een kwart van de broeikasgasuitstoot. Sinds 2017 heeft de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) een - tijdelijk - 'Aanspreekpunt Lokale Voedselstrategie' om lokale besturen te begeleiden in hun vragen over lokaal voedsel, maar ook in de hoop dat dit door meer steden en gemeenten wordt opgepikt.

Het thema staat hier nog nauwelijks op de lokale politieke agenda.

Op enkele koplopers na, waaronder Gent, Leuven, Brussel en Brugge, is het opmerkelijk dat het thema nog nauwelijks op de lokale politieke agenda staat. Met andere woorden, het blijven vooralsnog anderen - vooral grote marktspelers - die bepalen wat we eten, en hoe het geproduceerd wordt.

Duurzaamheid en rechtvaardigheid niet in één adem noemen

Doorgaans wordt beweerd dat een meer lokaal landbouw- en voedselsysteem duurzamer is. Dit is echter niet noodzakelijk het geval: los van de ecologische vragen of lokaler ook duurzamer is, leidt een lokaal beleid ook tot vragen over uitsluiting. 'Rechtvaardige duurzaamheid' benadrukt de toegankelijkheid van duurzame productie en consumptie voor alle betrokkenen.

Rechtvaardigheid is helaas een aspect van duurzaamheid dat onderbelicht blijft.

Als duurzame, gezonde voeding enkel beschikbaar is voor mensen die een meerprijs kunnen veroorloven en duurzame landbouw enkel voor de meest ondernemende landbouwers, dan kan er geen sprake zijn van rechtvaardigheid. Helaas is rechtvaardigheid een aspect dat in de publieke discussie over landbouw en voeding vooralsnog onderbelicht blijft.

Rechtvaardigheid is dan ook moeilijker aan te pakken dan pakweg verloedering, of verduurzaming. Een stedelijk voedselbeleid dat werkelijk transitie wil, moet daarom ambitieuzer zijn: het moet verder gaan dan het ondersteunen van mediagenieke stadslandbouwprojecten. Daarom moet stedelijk voedselbeleid in het bijzonder inzetten op kwetsbare groepen. In het geval van landbouw en voeding zijn dat er al minstens twee.

De eerste groep is een afkalvende groep: de landbouwers. Het aantal Vlaamse landbouwers daalde tussen 2000 en 2014 met ongeveer 40%. Er zijn ook nauwelijks nieuwkomers: of de investeringen zijn te groot, of het wordt opvolgers afgeraden, of ze vinden geen grond.

Een tweede kwetsbare groep zijn burgers die moeilijk toegang hebben tot duurzame, gezonde voeding: kinderen met lege brooddozen - bijna 14% van Vlaamse kinderen tussen 0 en 3 jaar groeit op in kansarmoede - ouders met gebrek aan kennis over gezonde voeding, kansarmen en nieuwkomers in Vlaanderen met weinig budget. En dat is - in tegenstelling tot de landbouwers - een groeiende groep.

Wacht niet op de overheid

Landbouw en voeding moeten dus dringend een meer prominente plek krijgen op de stedelijke en gemeentelijke agenda. Niet om het groene imago van een stad op te smukken, maar om een transitie in ons voedselsysteem op gang te trekken. En dit doen we best door in te zetten op de kwesties die het meest impact hebben, zoals het ondersteunen van landbouwers in en rondom de stad, het vrijwaren van landbouwgrond en het verhogen van de toegang tot gezonde en duurzame voeding voor kwetsbare groepen.

Een echt voedselbeleid is niet enkel gericht is op het halen van een label 'groenste stad', maar durft te ploeteren doorheen de complexiteit van wat transitie inhoudt. Tot slot wachten we voor zo'n stedelijk voedselbeleid best niet op de overheid. In de meeste gevallen komt dit beleid er pas na het harde labeur van burgers.

De droogte die ons de voorbije maanden teisterde deed veel stof opwaaien over de duurzaamheid en veerkracht van ons landbouw- en voedselsysteem. Talloze mediaberichten verschenen over de opgelopen schade van de oogst en tezelfdertijd over de tonnen overschot door overproductie en vroegrijpe groenten en fruit die niet voldoen aan de verkoopnormen. De alarmbel klonk even luid aan de consumentenzijde: het overaanbod aan kant-en-klare producten en plastic verpakkingen werden aangeklaagd, maar evenzeer de veel te lage prijs die we zouden betalen voor ons voedsel. Het is inderdaad hoog tijd dat we anders omgaan met ons voedsel, zoals Dirk Holemans eerder deze zomer in Knack beweerde. Maar hoe verwezenlijken we een duurzamer landbouw- en voedselsysteem? Deze vraag gaat veel verder dan het al of niet toelaten van de CRISPR-techniek. Het is immers essentieel dat zowel het beleid als wij, burgers, stilstaan bij de vraag welk landbouw- en voedselsysteem we willen, en hoe we dit kunnen bereiken. Stedelijk voedselbeleid kan hier een belangrijk instrument voor zijn. Maar, voor we te hard van stapel lopen: we moeten vermijden dat we blind en onkritisch in het duurzaamheidsdiscours stappen. Decennialang werd landbouw beschouwd als een thema dat enkel voor het platteland belangrijk is. De laatste jaren groeit echter het bewustzijn dat een brede aanpak nodig is om een structurele verandering, of een transitie, door te voeren. Dit impliceert een verschuiving van een landbouwbeleid dat zich voornamelijk beperkt tot 'wat op het erf gebeurt' naar een voedselbeleid waarin alle aspecten van een voedselsysteem samen worden aangepakt.Voedselbeleid is pionierswerk, en vraagt om een fundamentele hervorming van het huidige landbouwbeleid. Steden en gemeenten kunnen hierin het voortouw nemen. Ten eerste zijn steden plekken waar creativiteit, innovatie en vernieuwing de meeste kansen krijgen. Lokale besturen steunen steeds vaker de opkomst van initiatieven als stadslandbouw, korte keten, en samentuinen. Dat zijn voorbeelden die de transitie naar een beter voedselsysteem op gang kunnen trekken. Bovendien heeft sensibilisering in steden potentieel veel impact: denk maar aan het succes van Donderdag Veggiedag in Gent.Ten tweede brengt zo'n voedselbeleid alle actoren uit het landbouw- en voedselsysteem samen: alleen zo bekom je, in plaats van een versnipperd beleid, een geïntegreerd beleid dat de complexiteit van een duurzame transitie omarmt. Ten derde, omdat dit zich allemaal op een lokaal niveau afspeelt, krijgt voedselbeleid zo een hoger democratisch gehalte. Burgers kunnen rechtstreeks met schepenen en stedelijke ambtenaren overleggen, kunnen aanspraak maken op subsidies of ondersteuning en zo veel meer. Het is belangrijk dat een voedselbeleid beantwoordt aan de noden en behoeften van je eigen stad. Het idee om voedsel terug op de stedelijke politieke agenda te zetten is overgewaaid uit Noord-Amerika. Daar werden sinds de jaren 90 food policy councils of voedselraden opgezet. In die voedselraden wordt overlegd, worden problemen en opportuniteiten geïdentificeerd, en worden beleidsaanbevelingen geformuleerd, of zelfs acties ondernomen.Ook bij ons is er urgentie om van landbouw en voeding opnieuw een belangrijk publiek thema te maken, gezien onze voedselproductie wereldwijd verantwoordelijk is voor een kwart van de broeikasgasuitstoot. Sinds 2017 heeft de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) een - tijdelijk - 'Aanspreekpunt Lokale Voedselstrategie' om lokale besturen te begeleiden in hun vragen over lokaal voedsel, maar ook in de hoop dat dit door meer steden en gemeenten wordt opgepikt.Op enkele koplopers na, waaronder Gent, Leuven, Brussel en Brugge, is het opmerkelijk dat het thema nog nauwelijks op de lokale politieke agenda staat. Met andere woorden, het blijven vooralsnog anderen - vooral grote marktspelers - die bepalen wat we eten, en hoe het geproduceerd wordt. Doorgaans wordt beweerd dat een meer lokaal landbouw- en voedselsysteem duurzamer is. Dit is echter niet noodzakelijk het geval: los van de ecologische vragen of lokaler ook duurzamer is, leidt een lokaal beleid ook tot vragen over uitsluiting. 'Rechtvaardige duurzaamheid' benadrukt de toegankelijkheid van duurzame productie en consumptie voor alle betrokkenen.Als duurzame, gezonde voeding enkel beschikbaar is voor mensen die een meerprijs kunnen veroorloven en duurzame landbouw enkel voor de meest ondernemende landbouwers, dan kan er geen sprake zijn van rechtvaardigheid. Helaas is rechtvaardigheid een aspect dat in de publieke discussie over landbouw en voeding vooralsnog onderbelicht blijft.Rechtvaardigheid is dan ook moeilijker aan te pakken dan pakweg verloedering, of verduurzaming. Een stedelijk voedselbeleid dat werkelijk transitie wil, moet daarom ambitieuzer zijn: het moet verder gaan dan het ondersteunen van mediagenieke stadslandbouwprojecten. Daarom moet stedelijk voedselbeleid in het bijzonder inzetten op kwetsbare groepen. In het geval van landbouw en voeding zijn dat er al minstens twee. De eerste groep is een afkalvende groep: de landbouwers. Het aantal Vlaamse landbouwers daalde tussen 2000 en 2014 met ongeveer 40%. Er zijn ook nauwelijks nieuwkomers: of de investeringen zijn te groot, of het wordt opvolgers afgeraden, of ze vinden geen grond. Een tweede kwetsbare groep zijn burgers die moeilijk toegang hebben tot duurzame, gezonde voeding: kinderen met lege brooddozen - bijna 14% van Vlaamse kinderen tussen 0 en 3 jaar groeit op in kansarmoede - ouders met gebrek aan kennis over gezonde voeding, kansarmen en nieuwkomers in Vlaanderen met weinig budget. En dat is - in tegenstelling tot de landbouwers - een groeiende groep. Landbouw en voeding moeten dus dringend een meer prominente plek krijgen op de stedelijke en gemeentelijke agenda. Niet om het groene imago van een stad op te smukken, maar om een transitie in ons voedselsysteem op gang te trekken. En dit doen we best door in te zetten op de kwesties die het meest impact hebben, zoals het ondersteunen van landbouwers in en rondom de stad, het vrijwaren van landbouwgrond en het verhogen van de toegang tot gezonde en duurzame voeding voor kwetsbare groepen.Een echt voedselbeleid is niet enkel gericht is op het halen van een label 'groenste stad', maar durft te ploeteren doorheen de complexiteit van wat transitie inhoudt. Tot slot wachten we voor zo'n stedelijk voedselbeleid best niet op de overheid. In de meeste gevallen komt dit beleid er pas na het harde labeur van burgers.