Hans Ingvar Roth, professor mensenrechten aan de universiteit van Stockholm, is een publieke intellectueel in Zweden . Geregeld schrijft hij essays voor de krant Svenska Dagbladet. Ik zou ze graag kunnen lezen, want hij is een academicus die verbanden zoekt, helpt om de wereld te begrijpen. Vorig jaar verscheen zijn boek P.C.Chang and the Universal Declaration of Human Rights, over de Chinese filosoof die meeschreef aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948). Maar hoe universeel zijn die mensenrechten? En hebben ze nog toekomst?
...

Hans Ingvar Roth, professor mensenrechten aan de universiteit van Stockholm, is een publieke intellectueel in Zweden . Geregeld schrijft hij essays voor de krant Svenska Dagbladet. Ik zou ze graag kunnen lezen, want hij is een academicus die verbanden zoekt, helpt om de wereld te begrijpen. Vorig jaar verscheen zijn boek P.C.Chang and the Universal Declaration of Human Rights, over de Chinese filosoof die meeschreef aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948). Maar hoe universeel zijn die mensenrechten? En hebben ze nog toekomst? In december ontmoette ik Roth in Uruguay, waar we samen met een dertigtal mensenrechtenexperts en juristen werkten aan de Verklaring van Punta del Este. Zeventig jaar na de ondertekening van de Universele Verklaring wilden we daarmee bevestigen dat 'menselijke waardigheid' het sleutelbegrip hoort te zijn van mensenrechtenverklaringen. Het recht van ieder uniek mens. Niet dat van groepen en hun politieke of maatschappelijke eisen. En zo belandde Hans Ingvar Roth in Leuven om zijn ideeën te delen met studenten kerkelijk recht uit de vijf continenten. En natuurlijk ook om een grondig gesprek te voeren. Over mensenrechten en hun twijfelachtige lot in onze tijd. Waarom een boek over Peng Chun Chang? Mensenrechten worden doorgaans niet bestudeerd aan de hand van biografieën van hun auteurs. Hans Ingvar Roth: Ten onrechte. De tijd moet er rijp voor zijn, maar concrete mensen spelen een grote rol in de geschiedenis. De redacteurs van de Universele Verklaring waren sterke persoonlijkheden. Iedereen kent Eleanor Roosevelt (1884-1962), die het redactiecomité voorzat. Maar er waren ook de juristen John Humprey (1905-1995) en René Cassin (1887-1996). De eerste was een bescheiden en pragmatische Canadees die aan de McGill University in Montreal doceerde. De tweede was Fransman en jood. Wijdlopig in zijn formuleringen. Hij ging grotendeels met de eer lopen en won later de Nobelprijs. Maar hij was beslist niet de grootste denker van het gezelschap. Er waren eigenlijk twee sterren. De eerste was Charles Malik (1906-1987), een Grieks-orthodoxe diplomaat en filosoof uit Libanon. Hij hield van metafysica, studeerde bij Heidegger en Whitehead en was sterk beïnvloed door het denken van Jacques Maritain. Het personalisme dus: ieder mens is uniek maar leeft in verbondenheid met anderen. Roosevelt, Humphrey en Cassin haalden zijn intellectuele niveau niet. Eén man deed dat wel: Peng Chun Chang (1892-1957). In de jaren 1910 studeerde hij in de Verenigde Staten, aan Clark University en Columbia. Hij kende de oude Chinese filosofie van Confucius en Mencius als geen ander, maar studeerde ook bij de Amerikaanse pragmatist John Dewey. In z'n eentje was Chang de perfecte verbindingspersoon tussen Oost en West. De anderen waren natuurlijk ook belangrijk, maar zonder het intellectuele samenspel tussen Malik en Chang zou de Universele Verklaring nooit het ijzersterke document zijn geworden dat het nu is. En nooit zo universeel. Daar bestaat in toenemende mate discussie over: de Universele Verklaring zou te westers zijn. Roth: Dat is ze niet. Chang zorgde, tegen Malik in, voor een formulering van mensenrechten die niet hoogdravend is. Die overal ingang kan vinden. Malik wilde in de tekst metafysische verwijzingen naar de schepping en zo. Chang niet. Hij was voorstander van een thin philosophy. Hij nam de mens zoals hij is, met al zijn tekortkomingen. Maar ook dan bleef diens menselijke waardigheid onverkort overeind. Zij moest het kernbegrip van de Universele Verklaring worden. Vanuit die waardigheid konden mensen dan streven naar de humanisation of man, een prachtig begrip, vind ik . Het eerste artikel van de Verklaring is het allerbelangrijkste. Het weerspiegelt de lichtheid van Chang, niet de zware filosofische inbedding die Charles Malik nastreefde: 'Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.' Toch blijft de kritiek dat in 1948 de meeste kolonies nog niet onafhankelijk waren. Roth: Dat klopt. Maar meer dan wie ook had Chang het universele karakter van de mensenrechten voor ogen. Hij vond dat ze golden voor iedereen zonder onderscheid. Daarover botste hij met de chauvinistische Fransman René Cassin. Die vond de onmiddellijke implementatie van mensenrechten in de kolonies niet aangewezen. Dat zou immers tot algehele wanorde leiden. Voor Cassin was er een gradatie in het genot van mensenrechten. Ze werden groter naarmate landen meer 'ontwikkeld' waren. Chang was het daar niet mee eens. Hij verwierp het kolonialisme. Omdat het niet goed was voor wie gekoloniseerd werd, maar ook omdat het voor de koloniserende mogendheden een last was. Ze leden onder het corrumperende effect dat hun macht met zich meebracht. Een heel genereuze gedachte, die in de grimmige, gepolariseerde wereld van vandaag verdwenen is. De specifieke, broederlijke sfeer van 1948, met de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust nog vers in het geheugen, duurde maar korte tijd. Ziet u achteruitgang? Verzwakken de mensenrechten vandaag? Roth: Ik denk dat we ons inderdaad zorgen moeten maken. Ook over verschijnselen die in het Westen minder aandacht krijgen. Vijf jaar geleden was de vrijheid van meningsuiting in China veel groter dan vandaag. Filosofen die te kritisch denken, verdwijnen uit de grote universiteiten en mogen enkel lesgeven aan godvergeten instellingen op het platteland. Zo gaat het nu eenmaal. De geschiedenis is geen verhaal van toenemende vrijheid en vooruitgang. Op 10 december 1948 werd in Parijs de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens ondertekend. Op datzelfde moment vlogen vliegtuigen boven de stad om Berlijn te bevoorraden. Enkele maanden eerder was Stalin tot een blokkade overgegaan. De internationale solidariteit verdampte in hoog tempo. De Universele Verklaring werd nog net bijtijds ondertekend. Een heikel punt was artikel 18. Daarin pleitte Chang voor 'het recht om een godsdienst te kiezen'. Malik opteerde voor 'het recht om van godsdienst te veranderen'. Dat ging verder. Malik had gelijk, denk ik. Roth: In dit geval ongetwijfeld wel. Kijk, Chang had zelf veel belangstelling voor godsdienstvrijheid. Toen hij in de jaren 1910 in de VS arriveerde, was hij een overtuigd evangelisch christen. Later ebde Changs geloof geleidelijk weg. Zijn zoon Stanley, geboren in 1928, met wie ik voor het boek uitgebreid kon spreken, herinnert zich niet dat zijn vader het ooit over godsdienst had. Hij liet het christendom voor wat het was. Dus het recht om van godsdienst te veranderen vond hij essentieel. Alleen, hij achtte het woord 'adopt' daartoe voldoende. Chang hield van beknopte formuleringen. Deels uit reactie tegen René Cassin, die op zijn Frans uitvoerige teksten verlangde, veel woorden. Maar over godsdienstvrijheid bleef Chang gevaarlijk kort. Charles Malik ging daar niet mee akkoord. Hij vond dat het recht om van religie te veranderen expliciet moest worden vermeld. En hij had natuurlijk gelijk. Heel wat moslims zouden dat als apostasie of geloofsverzaking beschouwen. Toch werd de tekst goedgekeurd.Roth: Ja. Enkel Saudi-Arabië stemde tegen. Eigenlijk om religieuze redenen, maar het riep het 'kolonialisme' als argument in. Missionarissen zouden mensen ongeveer gedwongen hebben om christen te worden. Maar dat was de strategie van de Saudi's. Merkwaardiger is dat landen zoals Pakistan zich niet verzetten. Omdat Malik en Chang uitstekende diplomaten waren. Maar toch ook omdat het een andere tijd was. Het recht om van godsdienst te veranderen zou vandaag de eindversie van de Universele Verklaring niet meer halen. Dat is onrustwekkend. We praten verder over P.C. Chang. Hans Roth bewondert hem zeer, de grote denker die berooid en verbitterd stierf in Nutley, New Jersey, een sluimerend provinciestadje. En dat nadat hij jarenlang tussen China en de Verenigde Staten over en weer had gereisd en ambassadeur was geweest in Chili en Turkije. Zijn dood was het afscheid in mineur van een renaissancemens, die niet enkel filosoof en pedagoog was, maar ook dramaturg en toneelauteur. Het was Chang die ervoor zorgde dat Henrik Ibsen in China bekend werd. Hij was een intellectueel met politieke en maatschappelijke ervaring. Een expert? Niet echt. Daarvoor wist hij te veel, was zijn algemene kennis te groot. Hij was eerder een man van verbanden en verbondenheid. En een voorloper op filosofisch vlak. Welke rol zou Chang, met zijn ideeën, vandaag in een debat over mensenrechten spelen? Roth: Hij zou zich vast verzetten tegen een individualistische, in de betekenis van egoïstische, lezing van mensenrechten. Hij was geen liberaal of neoliberaal. Hij vond dat er naast rechten ook plichten, en naast plichten ook deugden moesten zijn. De drie achtte hij onlosmakelijk met elkaar verbonden. Die individualistische lezing van mensenrechten is vandaag anders wel heel aanwezig: het individuele recht van elke transmigrant, het recht op een hoger minimuminkomen. Er is een groeiend aantal zuivere rechten, meestal zonder plichten of deugden. Juridisch werkt dat soms. Soms ook niet, omdat niet elk verlangen een recht is. Bovendien gaat de eenheid tussen rechten, plichten en deugden, zoals de Universele Verklaring die zag, op die manier verloren.Roth: Mensenrechten zijn een machtig wapen. Wie er aanspraak op kan maken, staat sterk. Steeds meer worden ze gebruikt ter ondersteuning van het eigen standpunt, politiek of maatschappelijk. Dat is onvermijdelijk, ik keur het niet af, zo zitten mensen nu eenmaal in elkaar. Chang verzette zich tegen een alles verwoestend gelijkheidsdenken. Gelijkheid was voor hem geen uniformiteit, eerder een middel om een autonome keuze van mensen mogelijk te maken. Worden ze graag academicus? Goed. Willen ze ambtenaar worden? Een bedrijf starten? Ook oké. Maar wie pech heeft in het leven, moet op solidariteit kunnen rekenen. Chang was een voorloper van het sociale liberalisme à la Ronald Dworkin (1931-2013). Niet van de radicale gelijkheid die de menselijke vrijheid wegneemt. Chang als een voorloper in het westerse denken. Dat is niet algemeen bekend. Roth: Toch was hij het, en misschien wel omdat hij veel wijsheid bij de Chinese denkers Confucius en Mencius haalde, die vooral de nadruk legden op het praktische leven. Niet zozeer op de grote theorieën, wat een beginsel als 'radicale gelijkheid' per slot van rekening is. Chang zag het compleet anders. 'Er is meer dan één ultieme werkelijkheid', zei hij. In die zin was hij een voorloper van John Rawls en zijn begrip overlapping consensus. Mensen kunnen het om uiteenlopende redenen met elkaar eens zijn. Solidariteit kan op een christelijke, een confucianistische, een sociaalliberale basis berusten. Via verschillende wegen naar eenzelfde eindpunt. Dat is alleszins leuker dan lieden die ongeveer hetzelfde denken en toch de hele tijd ruzie maken. Kun je zeggen dat de invloed van Chang op de Universele Verklaring grotendeels door die mix van Chinese wijsheid en Amerikaans pragmatisme te verklaren valt? Roth: Ik denk het wel. Typisch voor hem is de gedachte dat je mensen gemakkelijker kunt verenigen rond afschuw voor het weerzinwekkende dan rond wat politici graag een 'positief project' noemen. Mensenrechten staan niet los van politiek. Het algemene klimaat in de samenleving speelt mee in onze houding ertegenover. In die zin vind ik de definitie die P.C. Chang geeft over staatsmanschap indrukwekkend: 'Statesmanship is widening the gap between war and inaction.'Roth: Die kloof heeft Chang altijd zo breed mogelijk willen maken. Hij zocht naar ruimte voor gesprek en dialoog. Chang verzette zich tegen het statische, traditionele denken dat in het China van zijn studententijd hoogtij vierde. Iedere intellectueel kende toen de oude filosofen, maar vergat weleens zelf na te denken. En oorlog? Chang wist maar al te goed wat dat betekende. Hij was een man van de dialoog, die hij voerde met grote ernst en toewijding. Elk probleem behandelde hij met een grondigheid alsof hij met een doctoraatsproefschrift bezig was. Voorbeeldig. Toch stierf hij verbitterd, omdat hij vond dat erkenning voor zijn werk achterwege bleef. Met zijn kinderen had hij een moeilijke relatie. Toen ik zijn zoon Stanley, die toen al diep in de tachtig was, voor het eerst contacteerde, schreef hij: 'Een jaar geleden zou ik uw brief niet hebben beantwoord. Ik was nog altijd woedend op mijn vader, die voor mij de keuzes wilde maken. Pas nu sloot ik innerlijk vrede met hem. Pas nu. En hij stierf meer dan een halve eeuw geleden. Een mens kan een prachtige, noodzakelijke tekst over mensenrechten schrijven. Rekening houden met ieders wensen. Zoeken naar overlappende consensus. De waardigheid van elk individu beklemtonen. Een document een zelden gezien universeel karakter verschaffen. En toch zelf diep ongelukkig zijn. Is dat erg? Misschien niet. Goed dat Chang er was om de Universele Verklaring de schitterende lichtheid te geven die haar werkelijk universeel maakt, of toch bijna. Jammer dat hijzelf verdriet had. 'Vandaar dit boek, om hem in ere te herstellen', zegt Hans Roth. We weten allebei dat zoiets voor een overledene een magere troost is. Maar toch ook: een daad van gerechtigheid. Even glimlachen we om het hoge woord. Het zou nou niets voor Peng Chun Chang zijn geweest.