Ondanks terugkerende doemberichten, nadert ook Brussel de vaccinatiegraad van 70 procent (de streefdatum is 18 juli). Dit is in belangrijke mate te danken aan de verscheidene initiatieven die het gewest nam om zijn vaccinatiestrategieën af te stemmen op de grootstedelijke context. Er is een vaccinatiepost opgericht in een Brussels ziekenhuis voor mensen met een verslavingsproblematiek en mobiele vaccinatieteams worden ingezet om mensen die op straat leven en mensen zonder wettig verblijf te vaccineren.

Wat de onderbelichte kanten van dak- en thuisloosheid in Brussel ons leren.

In dit artikel willen we--ook los van deze actualiteit-- de aandacht vestigen op een stukje van deze grootstedelijke Brusselse realiteit: op de dak- en thuisloosheid en meer bepaald op vier onderbelichte kanten van dit sociaal probleem. Brussel telt sinds 2008 tweejaarlijks haar dak- en thuislozen. Het aantal stijgt bij elke editie. In 2008 sliepen 262 mensen op straat. Bij de laatste telling van 9 november 2020 gaat het om 719 mensen. Daarnaast verbleven nog 4.594 personen in o.a. de noodopvang, een opvanghuis, kraakpand, transitwoning of via 'housing first'. Het zijn indrukwekkende cijfers. Nochtans vormen die cijfers, zoals Bruss'Help die de telling coördineert zelf aangeeft, een onderschatting van zowel de omvang als de draagwijdte van de dak- en thuisloosheid in Brussel en dit om vier redenen.

Sofasurfers

Ten eerste zijn er verschillende vormen van thuisloosheid en ontoereikende huisvesting die niet in de telling zijn opgenomen en daardoor grotendeels verborgen blijven, niet alleen in de cijfers, maar ook voor de Brusselse thuislozensector en voor het beleid. De telling brengt bijvoorbeeld de zogeheten sofasurfers niet in beeld. Dit zijn mensen, vaak ook gezinnen met kleine kinderen, die door gebrek aan een eigen woonst bij familie, vrienden of zelfs bij vreemden verblijven, al dan niet tegen betaling.

Trajecten van dak- en thuisloosheid zijn niet rechtlijnig, maar eerder een proces waarbij verschillende precaire oplossingsstrategieën worden gecombineerd.

De telling bevat ook geen informatie over het aantal mensen en families die verblijven in te kleine woonruimtes in verhouding tot het aantal personen dat er leeft. Dit is een acute problematiek in Brussel. Volgens de Brusselse huisvestingsmaatschappij is meer dan een vierde van de Brusselse woningen overbevolkt.In een recent onderzoek naar de aanwezigheid van dak- en thuislozen onder het publiek van het brede Brusselse middenveld, bleek dat juist deze twee vormen van thuisloosheid het wijdst zijn verspreid. 87 procent van de organisaties die we spraken zei mensen te bereiken die zich in één of andere situatie van dak- en thuisloosheid bevinden. De twee woonsituaties die zij het meest bij hun publiek terugzagen, waren precies sofasurfing en overbevolkte kamers of panden. De derde vaakst genoemde situatie is die waarin deze onstabiele huisvestingssituaties afgewisseld worden met andere vormen van dak- en thuisloosheid, zoals een passage op straat of in een kraakpand, elkaar opvolgen doorheen de tijd. Trajecten van dak- en thuisloosheid zijn niet rechtlijnig, maar eerder een proces waarbij verschillende en afwisselende precaire oplossingsstrategieën worden gecombineerd.

Ten tweede blijft, naast minder zichtbare vormen van dak- en thuisloosheid, ook de leefwereld van de Brusselse dak- en thuislozen nog vaak onderbelicht. De data die de tweejaarlijkse telling verzamelt, laten vooralsnog niet toe om de verwevenheid van dak- of thuisloosheid met andere levensdomeinen te duiden. Een recent (kwalitatief) onderzoek naar Brusselse gezinnen in precaire levensomstandigheden laat hierover terreinwerkers maar vooral ook ouders zelf aan het woord. Hun verhalen illustreren hoe het onstabiel wonen, met te veel gezinsleden op een te kleine oppervlakte, vaak voor een te hoge huurprijs, negatief inwerkt op het welzijn en de geestelijke gezondheid van alle gezinsleden. Soms zet het ook de ouder-kind relatie onder druk. Ouders getuigen bijvoorbeeld over de onmogelijkheid om zich af en toe terug te trekken en even op adem te komen zonder de voortdurende nabijheid van hun kroost, maar ook over de stress die het regelmatig veranderen van woonplaats met zich meebrengt. Voor kinderen betekent het dat ze geregeld van school moeten veranderen, vaak tijdens het schooljaar.

Het aandeel van mensen en gezinnen zonder wettig verblijf binnen de Brusselse dak- en thuislozenpopulatie is onderbelicht.

Ten derde is het aandeel van mensen en gezinnen zonder wettig verblijf binnen de Brusselse dak- en thuislozenpopulatie onderbelicht. Het rapport van de laatste Brusselse telling haalt de toename van het aantal mensen zonder wettig verblijf aan als een verklarende hypothese voor de stijgende cijfers, maar tegelijk kan ze deze hypothese met haar cijfers niet hard maken. De verhalen in het onderzoek naar Brusselse gezinnen in precaire leefomstandigheden wijzen erop dat het risico op dak- en thuisloosheid bijzonder hoog is voor de gezinnen zonder wettig verblijf. Zij kunnen geen werk krijgen op de reguliere arbeidsmarkt en hebben geen recht op vormen van bijstand. Hoewel ze een geldig huurcontract kunnen afsluiten laat hun financiële situatie het maar zelden toe om een woning te vinden, laat staan een kwalitatieve betaalbare woning. Mensen en gezinnen zonder wettig verblijf lopen niet alleen een hoog risico, ze hebben ook minder oplossingsstrategieën ter beschikking. Voor deze gezinnen is er niet altijd plaats in de Brusselse noodopvang en opvanghuizen kunnen deze groep in principe niet opvangen. Veel van deze gezinnen verblijven dan ook in informele huisvestingsinitiatieven zoals bezettingen, appartementen ter beschikking gesteld door religieuze gemeenschappen, kraakpanden of ze verblijven tijdelijk of voor een langere periode bij familie, vrienden of (vage) kennissen.

Druk op eerstelijnsdiensten

Een vierde onderbelicht aspect van de Brusselse dak- en thuisloosheid is de druk die de omvang van deze problematiek legt op de werking van de Brusselse eerstelijnsdiensten en andere organisaties. De dak- en thuislozensector merkt natuurlijk zelf als eerste een niet-aflatende druk op haar diensten: bijna elke bijkomende plaats in de crisisopvang wordt onmiddellijk ingenomen, terwijl het aantal daklozen op straat nauwelijks afneemt. Maar ook buiten de sector is de druk te voelen. Medewerkers van het CAW, Kind en Gezin en de wijkgezondheidscentra vertellen dat ze in hun gezinsbegeleiding véél tijd besteden aan het zoeken naar een oplossing voor de huisvestingsproblemen waarmee de gezinnen worden geconfronteerd. Een zoektocht die in Brussel heel moeilijk is geworden en dus een belangrijke hap neemt uit de begeleidingstijd. Het stabiliseren van de woonsituatie is cruciaal voor het welzijn en de veerkracht van deze gezinnen, maar zorgt er tegelijk voor dat andere aspecten van de begeleiding minder of zelfs niet aan bod komen. Verontrustend in dit opzicht is dat de eerstelijnswerkers aangeven dat de kinderen in deze gezinnen hierdoor in een eerste fase buiten beeld blijven, zelfs al zijn er mogelijks redenen tot bezorgdheid. Ook buiten de reguliere sociale sector zijn er heel wat organisaties die thuisloze mensen ondersteunen. Het gaat daarbij over socio-culturele organisaties, sportclubs, burgerinitiatieven en religieuze organisaties. De (vrijwillige) medewerkers van deze sociaal schaduwwerk initiatieven zijn niet altijd opgeleid als sociale professional, maar thuislozen kunnen dikwijls wel bij hen terecht voor hulp. Vaak gaat het om immateriële steun, ontmoetingsmogelijkheden of een luisterend oor en morele steun.

Het in beeld brengen van deze minder zichtbare vormen of onderbelichte kanten van de dak- en thuisloosheid in Brussel is belangrijk. Ten eerste om het clichébeeld van de Brusselse dakloze te doorbreken.

Het in beeld brengen van deze minder zichtbare vormen of onderbelichte kanten van de dak- en thuisloosheid in Brussel is belangrijk. Ten eerste om het clichébeeld van de Brusselse dakloze te doorbreken. Dak- en thuislozen zijn lang niet allemaal alcohol- of drugsverslaafde clochards. Thuisloosheid treft een diversiteit aan profielen: oud maar ook jong, man en vrouw, alleenstaanden en families met kinderen, migranten en mensen die in België zijn opgegroeid. Ten tweede is een betere kennis van bijvoorbeeld sofasurfen en overbevolking belangrijk met het oog op preventie van andere of meer langdurige vormen van dakloosheid. Vaak zijn deze woonsituaties geen eindstation. Het risico om in kraakpanden of op straat terecht te komen is reëel. Het familielid of de vriend waarbij men inwoont, hoeft maar te beslissen dat het verblijf niet meer wenselijk is en men staat op straat. Ten derde, kan een betere kennis van de diversiteit aan organisaties die deze groep thuislozen bereikt, nieuwe pistes aanreiken om bijvoorbeeld via onderlinge samenwerking deze preventie vorm te geven. Kennis van deze organisaties, kan in de huidige context ook heel concreet worden ingezet om de pandemie te beheersten of voor het operationaliseren van een vaccinatiestrategie.

De strijd tegen dak- en thuisloosheid gaat in Brussel een heel stuk verder dan de 'sector'. Dat is goed, maar daar tegenover staat dat Brusselse welzijns- en preventieve gezondheidswerkers en de vele burgerinitiatieven die er zijn vaak spreekwoordelijk 'dweilen' waar overheden er niet in slagen voldoende oplossingen aan te reiken voor het tekort aan betaalbare en kwalitatieve woningen. Tenslotte is het belangrijk om een licht te laten schijnen op een groep die vaak buiten beeld blijft omdat ze hier simpelweg in de ogen en hoofden van velen niet horen te zijn: de mensen zonder wettig verblijft. Zij lopen een bovenmaats risico op dak- en thuisloosheid hetgeen de urgentie benadrukt om een (pragmatisch) antwoord te formuleren op de vaak mensonwaardige omstandigheden waarin zij zich bevinden, dikwijls met kleine kinderen. Het verbreden van oplossingsstrategieën voor deze groep is niet alleen belangrijk voor deze mensen en gezinnen zelf, maar ook voor de sociale cohesie in Brussel en voor de werking van haar eerste lijnen en de draagkracht van terreinwerkers en hulpverleners. Het is een perspectief dat in het sterk gepolitiseerd debat vaak over het hoofd gezien wordt.

Ondanks terugkerende doemberichten, nadert ook Brussel de vaccinatiegraad van 70 procent (de streefdatum is 18 juli). Dit is in belangrijke mate te danken aan de verscheidene initiatieven die het gewest nam om zijn vaccinatiestrategieën af te stemmen op de grootstedelijke context. Er is een vaccinatiepost opgericht in een Brussels ziekenhuis voor mensen met een verslavingsproblematiek en mobiele vaccinatieteams worden ingezet om mensen die op straat leven en mensen zonder wettig verblijf te vaccineren. In dit artikel willen we--ook los van deze actualiteit-- de aandacht vestigen op een stukje van deze grootstedelijke Brusselse realiteit: op de dak- en thuisloosheid en meer bepaald op vier onderbelichte kanten van dit sociaal probleem. Brussel telt sinds 2008 tweejaarlijks haar dak- en thuislozen. Het aantal stijgt bij elke editie. In 2008 sliepen 262 mensen op straat. Bij de laatste telling van 9 november 2020 gaat het om 719 mensen. Daarnaast verbleven nog 4.594 personen in o.a. de noodopvang, een opvanghuis, kraakpand, transitwoning of via 'housing first'. Het zijn indrukwekkende cijfers. Nochtans vormen die cijfers, zoals Bruss'Help die de telling coördineert zelf aangeeft, een onderschatting van zowel de omvang als de draagwijdte van de dak- en thuisloosheid in Brussel en dit om vier redenen. Ten eerste zijn er verschillende vormen van thuisloosheid en ontoereikende huisvesting die niet in de telling zijn opgenomen en daardoor grotendeels verborgen blijven, niet alleen in de cijfers, maar ook voor de Brusselse thuislozensector en voor het beleid. De telling brengt bijvoorbeeld de zogeheten sofasurfers niet in beeld. Dit zijn mensen, vaak ook gezinnen met kleine kinderen, die door gebrek aan een eigen woonst bij familie, vrienden of zelfs bij vreemden verblijven, al dan niet tegen betaling. De telling bevat ook geen informatie over het aantal mensen en families die verblijven in te kleine woonruimtes in verhouding tot het aantal personen dat er leeft. Dit is een acute problematiek in Brussel. Volgens de Brusselse huisvestingsmaatschappij is meer dan een vierde van de Brusselse woningen overbevolkt.In een recent onderzoek naar de aanwezigheid van dak- en thuislozen onder het publiek van het brede Brusselse middenveld, bleek dat juist deze twee vormen van thuisloosheid het wijdst zijn verspreid. 87 procent van de organisaties die we spraken zei mensen te bereiken die zich in één of andere situatie van dak- en thuisloosheid bevinden. De twee woonsituaties die zij het meest bij hun publiek terugzagen, waren precies sofasurfing en overbevolkte kamers of panden. De derde vaakst genoemde situatie is die waarin deze onstabiele huisvestingssituaties afgewisseld worden met andere vormen van dak- en thuisloosheid, zoals een passage op straat of in een kraakpand, elkaar opvolgen doorheen de tijd. Trajecten van dak- en thuisloosheid zijn niet rechtlijnig, maar eerder een proces waarbij verschillende en afwisselende precaire oplossingsstrategieën worden gecombineerd. Ten tweede blijft, naast minder zichtbare vormen van dak- en thuisloosheid, ook de leefwereld van de Brusselse dak- en thuislozen nog vaak onderbelicht. De data die de tweejaarlijkse telling verzamelt, laten vooralsnog niet toe om de verwevenheid van dak- of thuisloosheid met andere levensdomeinen te duiden. Een recent (kwalitatief) onderzoek naar Brusselse gezinnen in precaire levensomstandigheden laat hierover terreinwerkers maar vooral ook ouders zelf aan het woord. Hun verhalen illustreren hoe het onstabiel wonen, met te veel gezinsleden op een te kleine oppervlakte, vaak voor een te hoge huurprijs, negatief inwerkt op het welzijn en de geestelijke gezondheid van alle gezinsleden. Soms zet het ook de ouder-kind relatie onder druk. Ouders getuigen bijvoorbeeld over de onmogelijkheid om zich af en toe terug te trekken en even op adem te komen zonder de voortdurende nabijheid van hun kroost, maar ook over de stress die het regelmatig veranderen van woonplaats met zich meebrengt. Voor kinderen betekent het dat ze geregeld van school moeten veranderen, vaak tijdens het schooljaar. Ten derde is het aandeel van mensen en gezinnen zonder wettig verblijf binnen de Brusselse dak- en thuislozenpopulatie onderbelicht. Het rapport van de laatste Brusselse telling haalt de toename van het aantal mensen zonder wettig verblijf aan als een verklarende hypothese voor de stijgende cijfers, maar tegelijk kan ze deze hypothese met haar cijfers niet hard maken. De verhalen in het onderzoek naar Brusselse gezinnen in precaire leefomstandigheden wijzen erop dat het risico op dak- en thuisloosheid bijzonder hoog is voor de gezinnen zonder wettig verblijf. Zij kunnen geen werk krijgen op de reguliere arbeidsmarkt en hebben geen recht op vormen van bijstand. Hoewel ze een geldig huurcontract kunnen afsluiten laat hun financiële situatie het maar zelden toe om een woning te vinden, laat staan een kwalitatieve betaalbare woning. Mensen en gezinnen zonder wettig verblijf lopen niet alleen een hoog risico, ze hebben ook minder oplossingsstrategieën ter beschikking. Voor deze gezinnen is er niet altijd plaats in de Brusselse noodopvang en opvanghuizen kunnen deze groep in principe niet opvangen. Veel van deze gezinnen verblijven dan ook in informele huisvestingsinitiatieven zoals bezettingen, appartementen ter beschikking gesteld door religieuze gemeenschappen, kraakpanden of ze verblijven tijdelijk of voor een langere periode bij familie, vrienden of (vage) kennissen. Een vierde onderbelicht aspect van de Brusselse dak- en thuisloosheid is de druk die de omvang van deze problematiek legt op de werking van de Brusselse eerstelijnsdiensten en andere organisaties. De dak- en thuislozensector merkt natuurlijk zelf als eerste een niet-aflatende druk op haar diensten: bijna elke bijkomende plaats in de crisisopvang wordt onmiddellijk ingenomen, terwijl het aantal daklozen op straat nauwelijks afneemt. Maar ook buiten de sector is de druk te voelen. Medewerkers van het CAW, Kind en Gezin en de wijkgezondheidscentra vertellen dat ze in hun gezinsbegeleiding véél tijd besteden aan het zoeken naar een oplossing voor de huisvestingsproblemen waarmee de gezinnen worden geconfronteerd. Een zoektocht die in Brussel heel moeilijk is geworden en dus een belangrijke hap neemt uit de begeleidingstijd. Het stabiliseren van de woonsituatie is cruciaal voor het welzijn en de veerkracht van deze gezinnen, maar zorgt er tegelijk voor dat andere aspecten van de begeleiding minder of zelfs niet aan bod komen. Verontrustend in dit opzicht is dat de eerstelijnswerkers aangeven dat de kinderen in deze gezinnen hierdoor in een eerste fase buiten beeld blijven, zelfs al zijn er mogelijks redenen tot bezorgdheid. Ook buiten de reguliere sociale sector zijn er heel wat organisaties die thuisloze mensen ondersteunen. Het gaat daarbij over socio-culturele organisaties, sportclubs, burgerinitiatieven en religieuze organisaties. De (vrijwillige) medewerkers van deze sociaal schaduwwerk initiatieven zijn niet altijd opgeleid als sociale professional, maar thuislozen kunnen dikwijls wel bij hen terecht voor hulp. Vaak gaat het om immateriële steun, ontmoetingsmogelijkheden of een luisterend oor en morele steun. Het in beeld brengen van deze minder zichtbare vormen of onderbelichte kanten van de dak- en thuisloosheid in Brussel is belangrijk. Ten eerste om het clichébeeld van de Brusselse dakloze te doorbreken. Dak- en thuislozen zijn lang niet allemaal alcohol- of drugsverslaafde clochards. Thuisloosheid treft een diversiteit aan profielen: oud maar ook jong, man en vrouw, alleenstaanden en families met kinderen, migranten en mensen die in België zijn opgegroeid. Ten tweede is een betere kennis van bijvoorbeeld sofasurfen en overbevolking belangrijk met het oog op preventie van andere of meer langdurige vormen van dakloosheid. Vaak zijn deze woonsituaties geen eindstation. Het risico om in kraakpanden of op straat terecht te komen is reëel. Het familielid of de vriend waarbij men inwoont, hoeft maar te beslissen dat het verblijf niet meer wenselijk is en men staat op straat. Ten derde, kan een betere kennis van de diversiteit aan organisaties die deze groep thuislozen bereikt, nieuwe pistes aanreiken om bijvoorbeeld via onderlinge samenwerking deze preventie vorm te geven. Kennis van deze organisaties, kan in de huidige context ook heel concreet worden ingezet om de pandemie te beheersten of voor het operationaliseren van een vaccinatiestrategie. De strijd tegen dak- en thuisloosheid gaat in Brussel een heel stuk verder dan de 'sector'. Dat is goed, maar daar tegenover staat dat Brusselse welzijns- en preventieve gezondheidswerkers en de vele burgerinitiatieven die er zijn vaak spreekwoordelijk 'dweilen' waar overheden er niet in slagen voldoende oplossingen aan te reiken voor het tekort aan betaalbare en kwalitatieve woningen. Tenslotte is het belangrijk om een licht te laten schijnen op een groep die vaak buiten beeld blijft omdat ze hier simpelweg in de ogen en hoofden van velen niet horen te zijn: de mensen zonder wettig verblijft. Zij lopen een bovenmaats risico op dak- en thuisloosheid hetgeen de urgentie benadrukt om een (pragmatisch) antwoord te formuleren op de vaak mensonwaardige omstandigheden waarin zij zich bevinden, dikwijls met kleine kinderen. Het verbreden van oplossingsstrategieën voor deze groep is niet alleen belangrijk voor deze mensen en gezinnen zelf, maar ook voor de sociale cohesie in Brussel en voor de werking van haar eerste lijnen en de draagkracht van terreinwerkers en hulpverleners. Het is een perspectief dat in het sterk gepolitiseerd debat vaak over het hoofd gezien wordt.