Cocaïnegebruik mag in sommige kringen dan wel meer en meer aanvaard worden, achter de 'recreatieve lijntjes' schuilt een wereld waarin het er niet recreatief toegaat. In Antwerpen woedt een gewelddadige drugsoorlog tussen concurrerende clans: auto's worden in brand gestoken, gevels beschoten, één drugscrimineel is tot nader order ontvoerd en vermist. Niemand die in Vlaanderen tot voor kort zicht had op de reikwijdte van de drugshandel. Tot Stanny De Vlieger eerder deze maand een vertrouwelijk (maar vrijwel onmiddellijk in de pers gelekt) rapport publiceerde. In dat document schetst hij hoe drugscriminelen zijn geïnfiltreerd in havenbedrijven én in het politiekorps. Om de stijgende criminaliteit het hoofd te bieden, is er volgens De Vlieger meer dan ooit een gecoördineerde aanpak vereist. Een Stroomplan dus, naar analogie met het Kanaalplan waarmee binnenlandminister Jan Jambon (N-VA) Molenbeek en omstreken beloofde op te kuisen. Op zulk taalgebruik zul je De Vlieger niet snel betrappen. De directeur formuleert omzichtig en met zin voor nuance. Al is hij daarom niet minder gedecideerd.
...

Cocaïnegebruik mag in sommige kringen dan wel meer en meer aanvaard worden, achter de 'recreatieve lijntjes' schuilt een wereld waarin het er niet recreatief toegaat. In Antwerpen woedt een gewelddadige drugsoorlog tussen concurrerende clans: auto's worden in brand gestoken, gevels beschoten, één drugscrimineel is tot nader order ontvoerd en vermist. Niemand die in Vlaanderen tot voor kort zicht had op de reikwijdte van de drugshandel. Tot Stanny De Vlieger eerder deze maand een vertrouwelijk (maar vrijwel onmiddellijk in de pers gelekt) rapport publiceerde. In dat document schetst hij hoe drugscriminelen zijn geïnfiltreerd in havenbedrijven én in het politiekorps. Om de stijgende criminaliteit het hoofd te bieden, is er volgens De Vlieger meer dan ooit een gecoördineerde aanpak vereist. Een Stroomplan dus, naar analogie met het Kanaalplan waarmee binnenlandminister Jan Jambon (N-VA) Molenbeek en omstreken beloofde op te kuisen. Op zulk taalgebruik zul je De Vlieger niet snel betrappen. De directeur formuleert omzichtig en met zin voor nuance. Al is hij daarom niet minder gedecideerd. Stanny De Vlieger: Als federale gerechtelijke politie zien we hoe alles op het terrein met elkaar samenhangt. Wij zitten ook helemaal aan het eind van het verhaal: wij proberen criminelen op te sporen en te arresteren. Vroeger kreeg ik van andere diensten of kabinetten weleens telefoontjes met de vraag om uitleg, en daarom heb ik nu het bredere plaatje van de cocaïnehandel in het Antwerpse geschetst. Ik beschouwde het als mijn maatschappelijke plicht om dat te doen. Ook al heb ik natuurlijk geen impact op álle aspecten: over iets als de exploitatie van de kaaien heb ik uiteindelijk niets te zeggen. Tot voor kort zaten wij vooral samen om informatie uit te wisselen, nu gaan we ook - hoe gevoelig dat soms ook ligt - kijken wat we samen beter kunnen doen. De Vlieger: Dat is zo. Er is wel een belangrijke nuance nodig: de partijen die wij ontdekken worden almaar groter, maar het áántal partijen neemt niet echt toe. Vroeger kon een runner met een rugzak vol cocaïne de haven in- en uitlopen, en reden wij daar in onze politiewagens achteraan. Dat is vandaag onmogelijk. De haven is geprofessionaliseerd, niemand raakt daar zomaar binnen. Criminelen moeten op zoek naar gaten in de organisatie. Zodra ze die vinden, kunnen ze ook veel grotere ladingen afzetten. Die runners vervoerden vroeger misschien enkele kilo's, nu gaat het over tonnen. De Vlieger: Is dat zo? Doordat de rebellenbeweging FARC niet meer in de weg loopt, boomt de drugshandel in Colombia. Daardoor is er meer aanbod. Maar van andere havens wéten we het gewoon niet. Je gaat me niet vertellen dat onze Nederlandse collega's geen zicht hebben op wat er wordt opgespoord, alleen: wij krijgen die cijfers niet te zien. Recent nemen de criminele feiten die gelinkt zijn aan het drugsmilieu wel toe, dat is zeker waar. De Vlieger: Het aantal plekken waar mensen met drugsgeld opduiken, neemt toe. Nederland heeft een geschiedenis van 200 jaar met smokkel, daar gebeurt dat al veel vaker. Het geld dat met drugs wordt verdiend, moet ergens naartoe. Daar hebben drugsclans halve dorpen overgenomen, en organiseren ze zo de huisvesting van hun familieleden. Het drugsmilieu gaat daar zelfs banden aan met het klassieke establishment. Als lokale besturen vergunningen moeten afleveren voor hun vastgoedprojecten worden ze zelfs door hen benaderd. Zo ver zijn we in Antwerpen gelukkig niet. Maar bij ons wonen evengoed drugsdealers die iets moeten doen met hun geld, ook hier raken ze dus betrokken bij het leven in de stad. De Vlieger: Daar heb ik geen idee van, maar die kans bestaat. Wij doen soms onderzoek naar vastgoed of geldstromen. Als de afkomst verdacht is, kunnen wij door de Belgische wetgeving vrij snel overgaan tot een inbeslagname. Het is dan aan de verdachte om te bewijzen waar het geld precies vandaan komt. In andere landen is de wetgeving veel strikter. Nu, het gebeurt soms ook dat criminelen de legale weg bewandelen. Er is in Nederland een verhaal bekend van een drugshandelaar die een sportclub oprichtte en daar subsidies voor aanvroeg bij de overheid. De Vlieger: Precies om de schijn op te wekken dat hij net als iedereen is, en geen deel uitmaakt van de onderwereld. (lacht) Wie vraagt er nu geen subsidies aan als de mogelijkheid bestaat? De Vlieger: Er is hier iemand ontslagen die in eerste aanleg werd veroordeeld omdat hij ook voor het diamantmilieu klusjes uitvoerde. Bij de douane is iemand gepakt die containers afvinkte zodat ze niet meer gescand werden en zonder verdere controle konden passeren. En wij voelen soms ook dat criminelen op voorhand weten waar wij acties houden. Het gebeurt dus wel degelijk, en we moeten ons daarvan bewust zijn. Dat is niet eenvoudig: zeker als je samen in één team werkt, ben je eerder geneigd te denken dat iedereen zijn best doet dan dat je oog hebt voor wie zich misschien verdacht gedraagt. Maar iedereen moet durven inzien dat de politie kwetsbaar is. Dat lukt helaas niet door een charter tegen de muur te hangen waar iedereen zijn handtekening onder zet. We zullen werk moeten maken van een echt integriteits- en corruptiebeleid. De Vlieger:(afgemeten) Ik heb dat ook gelezen. We hebben nog een hele rit voor de boeg. De Vlieger: Dat is wat kort door de bocht. Zoals gezegd hebben drugscriminelen niets meer aan loopjongens. Ze hebben mensen nodig die in de haven werken om hun ladingen te laten passeren. Ze gaan daarnaar op zoek in cafés en dancings, of op Facebook. Vervolgens dreigen ze die mensen af om voor hen te werken, of ze betalen hen voor hun diensten. Maar in België is de havenarbeid zo geregeld dat de bedrijven waar arbeiders voor werken en de plaats waar die arbeid wordt verdeeld gescheiden werelden zijn. Arbeiders worden via de procedure op havenarbeid aangeduid, en krijgen zo te horen wat ze die dag moeten doen. De vakbond speelt een rol in die procedure. Het is dus niet altijd voor iedereen duidelijk wat voor mensen aan de slag zijn in de haven. Die onduidelijkheid schept risico's, al is er de laatste tijd al verbetering geboekt. De Vlieger: Het is niet verkeerd dat een werkgever zijn werknemers verdedigt, hè. Maar wij willen graag een antwoord op onze vragen. Waarom wordt iemand beschoten? Vaak krijgen we daar geen fatsoenlijke uitleg voor. Het lijkt mij nochtans onmogelijk dat zoiets toeval is. We hebben niet de illusie dat iedereen ons alles vertelt, hoor. Drugscriminelen zijn zo machtig en intimiderend dat niemand durft te breken met die wereld. Mensen die uit de biecht klappen, brengen zichzelf in gevaar. Het gebeurt maar heel af en toe dat iemand dat wel doet en naar ons toestapt met verhalen. De Vlieger: Omdat we daar geen zicht op hebben, kunnen we dat eigenlijk niet echt opvolgen. De Vlieger: Natuurlijk wel. Zij merken ook hoe schadelijk die criminelen zijn voor de reputatie van de haven. Geen enkel bedrijf wil dat zijn werknemers worden afgedreigd of corrupt zijn. De Vlieger: Die flexibiliteit is zeker een economische troef. En dus moet daar een overheidsapparaat tegenover staan dat even flexibel is. Dat is vandaag helaas niet het geval. De geschiedenis zit soms wat in de weg. In de Maasvlakte is een nieuwe manier van containercontrole opgestart. Je merk dat alles daar veel vlotter verloopt, ook in samenwerking met de bedrijven. De Antwerpse haven heeft niet de luxe om met een wit blad papier te beginnen. Maar goed, iedereen heeft nu dus gezegd mee te willen werken. De Vlieger: (corrigeert) De vakbonden van de douaniers, bedoelt u. Ik begrijp hun punt ook wel: ze zeggen dat ze geen boevenvangers zijn, en dat zijn ze ook niet. Maar verder is de samenwerking met de douaniers nu al heel goed, en ben ik ervan overtuigd dat ook zij verder willen gaan. De Vlieger: We leven gelukkig in een rechtsstaat. Als wij iemand willen oppakken, moeten we op een wetsartikel kunnen wijzen dat werd overtreden. Ook met de informatie die we hebben, moeten we opletten: we mogen niet gewoon alles bij elkaar gooien en zien of er iets uitkomt. Er zijn dus nogal wat wettelijke beperkingen. Wat we wel kunnen doen, is die criminelen proberen te prikken en dicht op de huid zitten. Als zij rondrijden met een auto van een louche verhuurbedrijf of met een verkeerde nummerplaat, nemen we die in beslag. Dat raakt hen ook. Als zij een café openen dat als dekmantel dient, dan zouden we daar de voedselinspectie of de sociale inspectie naartoe kunnen sturen. Als de mayonaise daar tegen de muur plakt, of er werken mensen zonder een contract, dan kan overwogen worden om de zaak te sluiten. De Vlieger: Zo zou ik het niet zeggen. Het grote probleem is dat we een overkoepelende aanpak missen. In Nederland is er een veel strakkere regie over zo'n gemeenschappelijke integrale aanpak. Wij zijn afhankelijk van ieders goodwill. Mijn rapport is een eerste aanzet om daar verandering in te brengen, en ook criminoloog Brice De Ruyver (UGent) heeft van minister Jan Jambon de opdracht gekregen om te kijken welke wetgeving aangepast moet worden om tot een betere samenwerking te komen. De Vlieger: Er is zeker nog vooruitgang te boeken als het gaat over het onderscheppen van digitale communicatie. Er ontstaan altijd nieuwe kanalen, en bij onze pogingen om ze te onderscheppen stuiten we op de limieten van de Belgische regelgeving. En niet alleen die. Dikwijls gaat het over diensten die niet in België zitten, wat het bijzonder moeilijk maakt om iets af te dwingen. We botsen wel vaker op dat gebrek aan flexibiliteit. Een voorbeeld: dankzij de extra middelen voor het terreuronderzoek konden wij een ingenieur aanwerven om ons te begeleiden bij de informatie- en communicatietechnologie. Uiteraard waren we daar blij om, maar het confronteert je wel met de beperkingen van een overheidsdienst. Wij konden die ingenieur alleen een jaarcontract aanbieden, tegen voorwaarden die weliswaar niet slecht waren, maar niet te vergelijken zijn met wat zo'n consultant in een privébedrijf kan verdienen. Daar komt nog eens bij dat je binnen onze context elke stap moet verantwoorden. Anders dan bij een privébedrijf kunnen wij niet zeggen: 'Hier is 100.000 euro, zie maar wat je ermee doet.' Een overheidsorganisatie als de federale politie heeft nu eenmaal niet de flexibiliteit van de reële maatschappij, maar moet wel in die maatschappij werken. Dat zorgt voor een achterstand in een wereld die alleen maar complexer wordt. Als politie hink je altijd achterop. Je maakt jacht op criminelen die geen rekening hoeven te houden met wettelijke kaders waar wij ons - nogmaals: gelukkig maar - wel aan moeten houden. De Vlieger: Om het misschien wat overdreven te stellen: van de 100 dossiers die op onze tafel komen, kunnen we er maar 20 verder onderzoeken. Dat betekent dat we keuzes moeten maken en prioriteiten moeten stellen. De Vlieger: Onderzoek naar criminele feiten die de maatschappij in belangrijke mate ontwrichten zijn voor ons het belangrijkst. Daarnaast geven we ook voorrang aan dossiers waarin sprake is van nieuwe technieken in de criminaliteit. Als we ons daar niet onmiddellijk in verdiepen, lopen we het risico dat we de techniek nooit zullen begrijpen. Een derde factor heeft te maken met de vraag of er geld te rapen valt. Die dossiers onderzoeken we niet alleen omdat ze - anders dan gevangenisstraffen - de schatkist iets opleveren, maar ook omdat ze de criminaliteit in het hart treffen. Verreweg de meeste criminele feiten worden omwille van het geld gepleegd. De Vlieger: Ook op andere diensten zitten er mensen die zich bezighouden met die dossiers, maar we hebben uiteraard maar een beperkt aantal mensen dat we kunnen inzetten. Daar komt bij dat de geldstromen vaak zorgen voor hele complexe dossiers. Het is eenvoudiger om te onderzoeken wie er een container komt ophalen, en dat levert sneller resultaat op. De Vlieger: Ja. Maar dat hoeft de samenleving niet noodzakelijk meer te kosten. Wat wij in beslag nemen, gaat rechtstreeks naar de schatkist. Ik maak me sterk dat elke extra medewerker bij de gerechtelijke politie zichzelf terugverdient. Ik maak geregeld de oefening. Voor hoeveel miljoen hebben we het afgelopen jaar in beslag genomen, en hoeveel inspecteurs zou ik daarmee tewerk kunnen stellen? Telkens blijkt weer dat een inspecteur meer opbrengt dan hij of zij kost. De Vlieger: Ik denk dat de burgemeester in eerste instantie bekommerd was om de overlast op straat. De georganiseerde criminaliteit waar mijn diensten zich op concentreren, zorgde tot voor kort niet voor die zichtbare en voelbare overlast. De Vlieger: Ik kan dat niet beamen. Dat de misdaad professioneler wordt, is natuurlijk wel een correcte vaststelling. Maar of dat met het beleid te maken heeft? Ik denk eerder dat de wereld van de criminaliteit op dat vlak een evolutie in de hele samenleving weerspiegelt. Onze samenleving wordt elke dag technologischer en mondialer. Vroeger hoefden wij bij uitzondering eens over de landsgrenzen te kijken. Nu is er nauwelijks nog onderzoek dat niet tot over de grenzen reikt. De Vlieger: Ik kan niet praten over zaken die al dan niet in een gerechtelijk onderzoek voorkomen. Maar dat de burgemeester zich zorgen maakt over dergelijke incidenten lijkt me logisch. De Vlieger: Of het om exact dezelfde families gaat, durf ik niet te zeggen, maar de mechanismes zijn inderdaad vergelijkbaar. In verreweg de meeste gevallen zie je dat het gaat om jonge mensen die nooit het gevoel hebben gehad dat ze deel uitmaken van onze samenleving. Dat is een duidelijke link met het radicalisme. Hoe minder wij hen als overheid het gevoel geven dat ze hier thuis zijn, hoe groter het risico wordt dat we hen verliezen aan de criminaliteit of het radicalisme. Daarom moet er, behalve van de repressieve kant waar ik me bevind, ook nog veel meer werk gemaakt worden van de preventie. De Vlieger: Daar hebben we nog een weg af te leggen. Maar de wil is er. Tijdens onze vergadering met de betrokken partijen is er verwezen naar de lokale integrale veiligheidscellen die na de aanslagen zijn opgericht, en al in meer dan de helft van de steden en gemeenten bijzonder goed werk leveren in de strijd tegen radicalisering. In die cellen is er een integrale aanpak, zowel op het vlak van informatie-uitwisseling als van begeleiding. Dat systeem werkt als het gaat over radicalisering en intrafamiliaal geweld, dus waarom laten we het ook niet los op de drugscriminaliteit? Voor mij is dat de weg die we moeten bewandelen. Daar kunnen we nog winst boeken. De Vlieger: Uiteraard denken wij daar binnen de politie weleens over na. Maar ik zie mezelf niet als een mogelijk doelwit, ik vang geen boeven op het terrein. Het zou niet veel zin hebben om iemand zoals ik, die eigenlijk enkel maar alle schakels binnen het veiligheidsbeleid probeert te verbinden, uit te schakelen.