Brussel vecht reeds jarenlang een schaduwboksmatch uit met het digitale verhuurplatform Airbnb. De Brusselse politiek spreekt hier met gespleten tong: enerzijds stelt de Brusselse regering voorstander te zijn van de deeleconomie, maar anderzijds wordt zeer complexe wetgeving gemaakt die vooral focust op sanctioneren. Daarbij worden niet-professionele particulieren onterecht behandeld als grote professionele spelers. Dit veroorzaakt disproportionele lasten voor deze particulieren en druist in tegen de vrije markt. Om die reden loopt er momenteel ook een inbreukprocedure bij de Europese Commissie.

Minister-president Vervoort (PS) zei recent nog in het parlement over Airbnb: "het is een kapitalistisch model dat onder het mom van trendy vernieuwing maximale winst nastreeft." Dat is bijzonder kort door de bocht. Airbnb en andere deelplatformen kunnen zeker een meerwaarde hebben voor Brussel én voor de Brusselaar. Enkele cijfers: Airbnb neemt slechts 3,5% van het totale aantal overnachtingen in Brussel voor zijn rekening. De hotelsector staat dus in voor het leeuwendeel van de 8,1 miljoen overnachtingen in Brussel, goed voor 1,3 miljard euro inkomsten per jaar.

Hotels bevinden zich overigens bijna uitsluitend in het centrum en de zakenwijken. De ruimtelijke concentratie voor Airbnb-logies is veel minder uitgesproken: zowat 40% van de slaapplaatsen bevindt zich buiten het hypercentrum. Deze trend is ook waargenomen in andere Europese metropolen. De logies die worden aangeboden via Airbnb buiten het centrum zijn bijgevolg complementair met de hotelsector en vormen als zodanig geen concurrentie.

Wanneer stopt Brussel met te vechten tegen de deeleconomie?

Airbnb-verhuurders zijn geen potentiële criminelen. Vaak zijn het particulieren die occasioneel een extra kamer ter beschikking stellen in de eigen woning uit financiële overwegingen (naar schatting gemiddeld 2600 euro/jaar). Dit is een beperkt aanvullend inkomen ten opzichte van de hoge huisvestingskost waardoor o.a. stadsvlucht wordt tegengegaan. De Brusselse ordonnantie behandelt hen echter als "toerismeverblijf", waardoor ze in feite aan dezelfde voorwaarden moeten voldoen als professionele verhuurders en hotels.

De 19 gemeenten spelen een belangrijke rol in de procedure, met name wat betreft het verlenen van vergunningen en attesten, maar er is geen eenvormige interpretatie van de wetgeving. Sommige gemeenten beschouwen verhuurders de facto als een hotel, waardoor ze überhaupt geen vergunning kunnen krijgen. Ook de controles zijn allesbehalve eenvormig. Daarom kiezen vele verhuurders er bewust voor om in een grijze zone te blijven werken. Dit kan en moet anders.

Ik pleit dan ook voor twee basisregels. Ten eerste: indien je minder dan twee kamers aanbiedt, heb je geen vergunning nodig. Een eenvoudige aangifte moet volstaan waarbij je op eer verklaart dat de kamers aan basisvereisten inzake brandveiligheid, comfort, hygiëne en onderhoud voldoen. De overheid kan op elk moment de nodige bewijsstukken opvragen. Ten tweede kan de overheid een maximum aantal verhuurdagen opleggen (bijvoorbeeld 120 dagen zoals in Parijs). Hierdoor kan het speculatieve aspect onder controle worden gehouden en is het geheel voorspelbaar en duidelijk voor de overheid én de verhuurder. De overheid kan bovendien de toeristenbelasting innen via het platform, een win-win situatie voor beide partijen dus.

Brussel viseert speculatieve ondernemingen die huizen opkopen om op Airbnb te verhuren. Dit is een terechte bekommernis. Maar men slaat de bal helemaal mis met complexe wetgeving, bestuurlijke versnippering en tandeloze controleurs. De grote spelers die het Airbnb-systeem speculatief gebruiken, beschikken in tegenstelling tot de niet-professionele particulier over de kennis, het geld en de contacten om het systeem naar hun hand te zetten.

Ik adviseer de Brusselse regering dan ook het gevecht tegen de windmolens te staken en de moderne deelplatformen, zoals Airbnb, als een partner te betrekken bij het beleid.

Brussel vecht reeds jarenlang een schaduwboksmatch uit met het digitale verhuurplatform Airbnb. De Brusselse politiek spreekt hier met gespleten tong: enerzijds stelt de Brusselse regering voorstander te zijn van de deeleconomie, maar anderzijds wordt zeer complexe wetgeving gemaakt die vooral focust op sanctioneren. Daarbij worden niet-professionele particulieren onterecht behandeld als grote professionele spelers. Dit veroorzaakt disproportionele lasten voor deze particulieren en druist in tegen de vrije markt. Om die reden loopt er momenteel ook een inbreukprocedure bij de Europese Commissie.Minister-president Vervoort (PS) zei recent nog in het parlement over Airbnb: "het is een kapitalistisch model dat onder het mom van trendy vernieuwing maximale winst nastreeft." Dat is bijzonder kort door de bocht. Airbnb en andere deelplatformen kunnen zeker een meerwaarde hebben voor Brussel én voor de Brusselaar. Enkele cijfers: Airbnb neemt slechts 3,5% van het totale aantal overnachtingen in Brussel voor zijn rekening. De hotelsector staat dus in voor het leeuwendeel van de 8,1 miljoen overnachtingen in Brussel, goed voor 1,3 miljard euro inkomsten per jaar.Hotels bevinden zich overigens bijna uitsluitend in het centrum en de zakenwijken. De ruimtelijke concentratie voor Airbnb-logies is veel minder uitgesproken: zowat 40% van de slaapplaatsen bevindt zich buiten het hypercentrum. Deze trend is ook waargenomen in andere Europese metropolen. De logies die worden aangeboden via Airbnb buiten het centrum zijn bijgevolg complementair met de hotelsector en vormen als zodanig geen concurrentie.Airbnb-verhuurders zijn geen potentiële criminelen. Vaak zijn het particulieren die occasioneel een extra kamer ter beschikking stellen in de eigen woning uit financiële overwegingen (naar schatting gemiddeld 2600 euro/jaar). Dit is een beperkt aanvullend inkomen ten opzichte van de hoge huisvestingskost waardoor o.a. stadsvlucht wordt tegengegaan. De Brusselse ordonnantie behandelt hen echter als "toerismeverblijf", waardoor ze in feite aan dezelfde voorwaarden moeten voldoen als professionele verhuurders en hotels. De 19 gemeenten spelen een belangrijke rol in de procedure, met name wat betreft het verlenen van vergunningen en attesten, maar er is geen eenvormige interpretatie van de wetgeving. Sommige gemeenten beschouwen verhuurders de facto als een hotel, waardoor ze überhaupt geen vergunning kunnen krijgen. Ook de controles zijn allesbehalve eenvormig. Daarom kiezen vele verhuurders er bewust voor om in een grijze zone te blijven werken. Dit kan en moet anders.Ik pleit dan ook voor twee basisregels. Ten eerste: indien je minder dan twee kamers aanbiedt, heb je geen vergunning nodig. Een eenvoudige aangifte moet volstaan waarbij je op eer verklaart dat de kamers aan basisvereisten inzake brandveiligheid, comfort, hygiëne en onderhoud voldoen. De overheid kan op elk moment de nodige bewijsstukken opvragen. Ten tweede kan de overheid een maximum aantal verhuurdagen opleggen (bijvoorbeeld 120 dagen zoals in Parijs). Hierdoor kan het speculatieve aspect onder controle worden gehouden en is het geheel voorspelbaar en duidelijk voor de overheid én de verhuurder. De overheid kan bovendien de toeristenbelasting innen via het platform, een win-win situatie voor beide partijen dus.Brussel viseert speculatieve ondernemingen die huizen opkopen om op Airbnb te verhuren. Dit is een terechte bekommernis. Maar men slaat de bal helemaal mis met complexe wetgeving, bestuurlijke versnippering en tandeloze controleurs. De grote spelers die het Airbnb-systeem speculatief gebruiken, beschikken in tegenstelling tot de niet-professionele particulier over de kennis, het geld en de contacten om het systeem naar hun hand te zetten. Ik adviseer de Brusselse regering dan ook het gevecht tegen de windmolens te staken en de moderne deelplatformen, zoals Airbnb, als een partner te betrekken bij het beleid.