Om het probleem van asbest in al zijn complexiteit met succes aan te pakken, helpt het om de context te begrijpen. In veel lidstaten is het gebruik van asbest al in de jaren negentig verboden. Daarnaast is er in 2005 ook een Europees asbestverbod ingevoerd. Dat wil zeggen dat asbest en asbesthoudende stoffen nergens op de Europese markt aangeboden mogen worden. Daarnaast werden ook asbest-gerelateerde ziekten, denk aan longvlieskanker of pleuraal mesothelioom, als gezondheidsrisico erkend.

Het kan echter een aantal decennia duren voordat symptomen van blootstelling aan asbest zichtbaar worden. Het kan dus gebeuren dat getroffenen zich pas na zeer lange tijd realiseren dat ze ooit blootgesteld werden aan asbest. Deze lange latentietijd verklaart ook mee de recente toename van het aantal beroepskankers.

Toch wijzen sommige Europese beleidsmakers ten onrechte naar de lange latentietijd als reden om geen verdere ambitieuze wetgevende maatregelen tegen asbest te nemen, steeds onder hetzelfde credo: "zijn deze gevallen niet veroorzaakt alvorens het Europees verbod van start ging?"

Deze redenering is natuurlijk compleet verkeerd. Het intensieve gebruik van asbest in de vorige eeuw, vooral in de bouw, betekent dat asbest in enorm veel Europese gebouwen terug te vinden is. De eerste golf van blootstelling aan asbest hebben we misschien wel achter de rug, vooral omdat arbeiders en mijnwerkers niet meer rechtstreeks met ruwe asbest omgaan én onze burgers geen asbesthoudende producten meer kunnen kopen. Toch werken en wonen we nog steeds in gebouwen waar nog massa's asbest in verwerkt is. In Vlaanderen alleen al zou het gaan om 2,3 miljoen ton, blijkt uit cijfers van 2019. Een tweede asbestgolf loert dus overduidelijk om de hoek.

Waarom we nieuwe EU-wetgeving tegen asbest nodig hebben.

Volgens schattingen zijn momenteel ongeveer 35 % van de gebouwen in de EU meer dan 50 jaar oud. Onze Green Deal en de komende renovatiegolf zullen renovatie stimuleren om de energie-efficiëntie van gebouwen te verhogen en onze klimaatdoelstellingen te helpen bereiken. We streven ernaar tegen 2030 35 miljoen gebouwen te renoveren. Tegen 2050 ligt deze lat zelfs nog veel hoger. Bijgevolg zullen grote hoeveelheden asbest worden aangetroffen tijdens de renovaties. Indien dit niet veilig wordt verwijderd, kan er de komende jaren ontzettend veel asbeststof vrijkomen in de lucht. Daardoor zal het aantal asbestgevallen en ziekten nog verder toenemen. Bovendien zijn in veel van de gebouwen (en daken) de oorspronkelijk sterke asbestvezels al zodanig aangetast dat ze zeer snel uiteen kunnen vallen, waardoor het voor de burgers onmogelijk is om het op een veilige manier te verwijderen.

Vandaag is asbest de eerste oorzaak van werkgerelateerde kanker en is de kans reëel dat er nog heel wat Europese burgers blootgesteld zullen worden aan asbestvezels. We moeten deze potentiële golf van nieuwe blootstelling dan ook efficiënt en effectief aanpakken. Er is duidelijk nood aan ambitieuze en gemeenschappelijke standaarden op Europees niveau met een herziening van de Europese asbestrichtlijn in 2022, die verder gaat dan enkel de herziening van de blootstellingslimieten aan asbest op de werkvloer. Ik geef vijf belangrijke redenen mee.

Ten eerste blijkt uit het recentste wetenschappelijk medisch onderzoek en de laatste aanbevelingen dat strengere drempels broodnodig zijn. Daarom moeten we de achterhaalde grenswaarde van 2009 dringend herzien. We moeten streven naar de laagst mogelijke waarde om de gezondheid van werknemers te beschermen tegen het risico van blootstelling aan asbest.

Ten tweede is asbest niet alleen een probleem van werknemers. Het gaat veel verder dan dat. Gewone burgers én kinderen worden er nog steeds dagelijks aan blootgesteld. We doen in de Europese Unie nog te weinig om asbest te verwijderen uit scholen, sporthallen en andere openbare gebouwen die vóór het verbod zijn gebouwd. Wanneer asbestmaterialen verouderen en verslechteren, brengen zij de gezondheid van de kinderen en burgers in gevaar. Veilige verwijdering door particulieren kan dan niet langer. Blootstelling aan asbestvezels gebeurt niet enkel meer op de werkvloer, maar ook thuis, tijdens het sporten of zelfs op school. Daarom moet het toepassingsgebied van de regels worden uitgebreid. In de toekomst gaan we voor een asbestvrij Europa, niet alleen een asbestvrije werkplek.

Ten derde bestaan er in verschillende lidstaten allerlei benaderingen van dergelijke asbestverwijderingsplannen. Zolang lidstaten niet dezelfde regels hanteren, blijft het risico van asbestdumptoerisme in de grensgebieden van de EU bestaan. Er is behoefte aan een betere coördinatie tussen de lidstaten op het gebied van arbeidsinspecties en opleiding inzake het veilig verwijderen van asbest. Dit moet zorgen voor een betere bescherming van alle mobiele werknemers die hun leven riskeren op bouwplaatsen.

Ontoereikende gezondheid en veiligheid op de werkvloer heeft niet alleen een menselijke dimensie, maar heeft tegelijkertijd ook een enorme economische kost. Denk aan de bijkomende druk op onze sociale zekerheid. Ons leidend beginsel bij deze nieuwe wetgeving mag daarom niet de kost van verwijdering van asbest zijn. Integendeel, we moeten ons focussen op de enorme kosten van het niets doen en het laten zitten van asbest.

Ten slotte vereist onze interne markt een gemeenschappelijke aanpak om de bouwbedrijven te steunen die de voorschriften inzake veilige asbestverwijdering naleven. Het is tijd om de valsspelers die illegaal de kantjes eraf lopen uit de markt te halen, om zo de gezondheid van onze burgers en werknemers te beschermen. Bovendien kan het verwijderen van asbest in huizen en openbare gebouwen een enorme impuls geven aan de bouwsector in Europa. Daarnaast zal het ook een gelijk speelveld voor de bouwsector garanderen.

We mogen dit momentum niet verliezen en onze rug niet toekeren naar de 88.000 Europese gezinnen die jaarlijks een familielid verliezen. De tijd is gekomen om ons voor eens en altijd te ontdoen van de duistere erfenis van asbest.

Cindy Franssen is EVP-rapporteur over asbest en coördinator in de bijzondere commissie voor de strijd tegen kanker in het Europees Parlement. Op dinsdag 19 oktober stemt het Europees Parlement een rapport over asbestverwijdering in de EU.

Om het probleem van asbest in al zijn complexiteit met succes aan te pakken, helpt het om de context te begrijpen. In veel lidstaten is het gebruik van asbest al in de jaren negentig verboden. Daarnaast is er in 2005 ook een Europees asbestverbod ingevoerd. Dat wil zeggen dat asbest en asbesthoudende stoffen nergens op de Europese markt aangeboden mogen worden. Daarnaast werden ook asbest-gerelateerde ziekten, denk aan longvlieskanker of pleuraal mesothelioom, als gezondheidsrisico erkend.Het kan echter een aantal decennia duren voordat symptomen van blootstelling aan asbest zichtbaar worden. Het kan dus gebeuren dat getroffenen zich pas na zeer lange tijd realiseren dat ze ooit blootgesteld werden aan asbest. Deze lange latentietijd verklaart ook mee de recente toename van het aantal beroepskankers. Toch wijzen sommige Europese beleidsmakers ten onrechte naar de lange latentietijd als reden om geen verdere ambitieuze wetgevende maatregelen tegen asbest te nemen, steeds onder hetzelfde credo: "zijn deze gevallen niet veroorzaakt alvorens het Europees verbod van start ging?"Deze redenering is natuurlijk compleet verkeerd. Het intensieve gebruik van asbest in de vorige eeuw, vooral in de bouw, betekent dat asbest in enorm veel Europese gebouwen terug te vinden is. De eerste golf van blootstelling aan asbest hebben we misschien wel achter de rug, vooral omdat arbeiders en mijnwerkers niet meer rechtstreeks met ruwe asbest omgaan én onze burgers geen asbesthoudende producten meer kunnen kopen. Toch werken en wonen we nog steeds in gebouwen waar nog massa's asbest in verwerkt is. In Vlaanderen alleen al zou het gaan om 2,3 miljoen ton, blijkt uit cijfers van 2019. Een tweede asbestgolf loert dus overduidelijk om de hoek. Volgens schattingen zijn momenteel ongeveer 35 % van de gebouwen in de EU meer dan 50 jaar oud. Onze Green Deal en de komende renovatiegolf zullen renovatie stimuleren om de energie-efficiëntie van gebouwen te verhogen en onze klimaatdoelstellingen te helpen bereiken. We streven ernaar tegen 2030 35 miljoen gebouwen te renoveren. Tegen 2050 ligt deze lat zelfs nog veel hoger. Bijgevolg zullen grote hoeveelheden asbest worden aangetroffen tijdens de renovaties. Indien dit niet veilig wordt verwijderd, kan er de komende jaren ontzettend veel asbeststof vrijkomen in de lucht. Daardoor zal het aantal asbestgevallen en ziekten nog verder toenemen. Bovendien zijn in veel van de gebouwen (en daken) de oorspronkelijk sterke asbestvezels al zodanig aangetast dat ze zeer snel uiteen kunnen vallen, waardoor het voor de burgers onmogelijk is om het op een veilige manier te verwijderen. Vandaag is asbest de eerste oorzaak van werkgerelateerde kanker en is de kans reëel dat er nog heel wat Europese burgers blootgesteld zullen worden aan asbestvezels. We moeten deze potentiële golf van nieuwe blootstelling dan ook efficiënt en effectief aanpakken. Er is duidelijk nood aan ambitieuze en gemeenschappelijke standaarden op Europees niveau met een herziening van de Europese asbestrichtlijn in 2022, die verder gaat dan enkel de herziening van de blootstellingslimieten aan asbest op de werkvloer. Ik geef vijf belangrijke redenen mee.Ten eerste blijkt uit het recentste wetenschappelijk medisch onderzoek en de laatste aanbevelingen dat strengere drempels broodnodig zijn. Daarom moeten we de achterhaalde grenswaarde van 2009 dringend herzien. We moeten streven naar de laagst mogelijke waarde om de gezondheid van werknemers te beschermen tegen het risico van blootstelling aan asbest.Ten tweede is asbest niet alleen een probleem van werknemers. Het gaat veel verder dan dat. Gewone burgers én kinderen worden er nog steeds dagelijks aan blootgesteld. We doen in de Europese Unie nog te weinig om asbest te verwijderen uit scholen, sporthallen en andere openbare gebouwen die vóór het verbod zijn gebouwd. Wanneer asbestmaterialen verouderen en verslechteren, brengen zij de gezondheid van de kinderen en burgers in gevaar. Veilige verwijdering door particulieren kan dan niet langer. Blootstelling aan asbestvezels gebeurt niet enkel meer op de werkvloer, maar ook thuis, tijdens het sporten of zelfs op school. Daarom moet het toepassingsgebied van de regels worden uitgebreid. In de toekomst gaan we voor een asbestvrij Europa, niet alleen een asbestvrije werkplek. Ten derde bestaan er in verschillende lidstaten allerlei benaderingen van dergelijke asbestverwijderingsplannen. Zolang lidstaten niet dezelfde regels hanteren, blijft het risico van asbestdumptoerisme in de grensgebieden van de EU bestaan. Er is behoefte aan een betere coördinatie tussen de lidstaten op het gebied van arbeidsinspecties en opleiding inzake het veilig verwijderen van asbest. Dit moet zorgen voor een betere bescherming van alle mobiele werknemers die hun leven riskeren op bouwplaatsen.Ontoereikende gezondheid en veiligheid op de werkvloer heeft niet alleen een menselijke dimensie, maar heeft tegelijkertijd ook een enorme economische kost. Denk aan de bijkomende druk op onze sociale zekerheid. Ons leidend beginsel bij deze nieuwe wetgeving mag daarom niet de kost van verwijdering van asbest zijn. Integendeel, we moeten ons focussen op de enorme kosten van het niets doen en het laten zitten van asbest. Ten slotte vereist onze interne markt een gemeenschappelijke aanpak om de bouwbedrijven te steunen die de voorschriften inzake veilige asbestverwijdering naleven. Het is tijd om de valsspelers die illegaal de kantjes eraf lopen uit de markt te halen, om zo de gezondheid van onze burgers en werknemers te beschermen. Bovendien kan het verwijderen van asbest in huizen en openbare gebouwen een enorme impuls geven aan de bouwsector in Europa. Daarnaast zal het ook een gelijk speelveld voor de bouwsector garanderen.We mogen dit momentum niet verliezen en onze rug niet toekeren naar de 88.000 Europese gezinnen die jaarlijks een familielid verliezen. De tijd is gekomen om ons voor eens en altijd te ontdoen van de duistere erfenis van asbest.Cindy Franssen is EVP-rapporteur over asbest en coördinator in de bijzondere commissie voor de strijd tegen kanker in het Europees Parlement. Op dinsdag 19 oktober stemt het Europees Parlement een rapport over asbestverwijdering in de EU.