Tot 1336 was de Mont Ventoux in Frankrijk gewoon een kale bult in het landschap, een ongure plek, waar het altijd waaide: mons ventosus. In dat jaar echter kreeg een zekere Francesco Petrarca, bekend om zijn "sonnetten voor Laura", het in zijn hoofd om die berg te beklimmen. Iedereen verklaarde hem voor gek.

'De Mont Ventoux: daar kan je prima omheen, waarom er overheen gaan?'

Nogal logisch, want die beklimming leidt nergens toe, letterlijk: je kunt naar boven en dan weer naar beneden; en waarom zou een mens dat nou doen? In de Alpen, ja, daar moet je wel eens een berg bedwingen als je van A naar B wilt. Daar kun je niet omheen. Maar dat geldt niet voor de Mont Ventoux. Daar kun je prima omheen, dus waarom zou je er overheen gaan?!

Ja, waarom? Petrarca heeft het in een lange Latijnse brief, gedateerd 'Malaucene, 26 april 1336', proberen uit te leggen. Hij zegt in de inleiding dat hij die berg gewoon eens wilde bezien, met name vanwege z'n bijzondere hoogte (1.912 m). Men heeft dat later nogal opgeblazen, alsof Petrarca de eerste zou zijn die naar 'de natuur' heeft gekeken zoals wij dat nu ook nog doen, niet als nuttige, lastige of gevaarlijke omgeving, maar als iets dat de moeite waard is omwille van zichzelf. De berg niet als obstakel, maar als voorwerp van bewondering. Petrarca als oer-toerist.

Deze interpretatie lijkt me onjuist. Als je Petrarca's brief leest en je laat hem uitspreken (voorlezen dus) dan is het verbluffend hoe weinig hij schrijft over het uitzicht.

Op de top gekomen kijkt hij vol verwondering rond, maar als hij het gezien heeft, gaat hij zitten en slaat een boek op, de "Belijdenissen" van Augustinus. En - geloof het of niet - z'n oog valt op een passage waarin Augustinus de mensen voorhoudt dat zij wel verre reizen plegen om allerlei natuurverschijnselen te bewonderen (toen, in de tijd van Augustinus, dus ook al. Zo nieuw is de toerist dus niet), maar het grootste wonder der natuur verwaarlozen: de menselijke geest.

Deze regels slaan Petrarca met verstomming en doen hem inkeren tot zichzelf. Wat beklijft van de beklimming van de Ventoux is niet het spectaculaire uitzicht, maar het elementaire inzicht in hoe uniek de mens eigenlijk is.

Mensen reizen steeds verder om alsmaar wonderbaarlijker indrukken op te doen, terwijl ze het landschap van de geest braak laten liggen. Nochtans smeekt ook dat erom om geëxploreerd en ontgonnen te worden.

Dick Wursten, Verenigde Protestantse Kerk in België

Tot 1336 was de Mont Ventoux in Frankrijk gewoon een kale bult in het landschap, een ongure plek, waar het altijd waaide: mons ventosus. In dat jaar echter kreeg een zekere Francesco Petrarca, bekend om zijn "sonnetten voor Laura", het in zijn hoofd om die berg te beklimmen. Iedereen verklaarde hem voor gek. Nogal logisch, want die beklimming leidt nergens toe, letterlijk: je kunt naar boven en dan weer naar beneden; en waarom zou een mens dat nou doen? In de Alpen, ja, daar moet je wel eens een berg bedwingen als je van A naar B wilt. Daar kun je niet omheen. Maar dat geldt niet voor de Mont Ventoux. Daar kun je prima omheen, dus waarom zou je er overheen gaan?! Ja, waarom? Petrarca heeft het in een lange Latijnse brief, gedateerd 'Malaucene, 26 april 1336', proberen uit te leggen. Hij zegt in de inleiding dat hij die berg gewoon eens wilde bezien, met name vanwege z'n bijzondere hoogte (1.912 m). Men heeft dat later nogal opgeblazen, alsof Petrarca de eerste zou zijn die naar 'de natuur' heeft gekeken zoals wij dat nu ook nog doen, niet als nuttige, lastige of gevaarlijke omgeving, maar als iets dat de moeite waard is omwille van zichzelf. De berg niet als obstakel, maar als voorwerp van bewondering. Petrarca als oer-toerist. Deze interpretatie lijkt me onjuist. Als je Petrarca's brief leest en je laat hem uitspreken (voorlezen dus) dan is het verbluffend hoe weinig hij schrijft over het uitzicht. Op de top gekomen kijkt hij vol verwondering rond, maar als hij het gezien heeft, gaat hij zitten en slaat een boek op, de "Belijdenissen" van Augustinus. En - geloof het of niet - z'n oog valt op een passage waarin Augustinus de mensen voorhoudt dat zij wel verre reizen plegen om allerlei natuurverschijnselen te bewonderen (toen, in de tijd van Augustinus, dus ook al. Zo nieuw is de toerist dus niet), maar het grootste wonder der natuur verwaarlozen: de menselijke geest. Deze regels slaan Petrarca met verstomming en doen hem inkeren tot zichzelf. Wat beklijft van de beklimming van de Ventoux is niet het spectaculaire uitzicht, maar het elementaire inzicht in hoe uniek de mens eigenlijk is.Mensen reizen steeds verder om alsmaar wonderbaarlijker indrukken op te doen, terwijl ze het landschap van de geest braak laten liggen. Nochtans smeekt ook dat erom om geëxploreerd en ontgonnen te worden. Dick Wursten, Verenigde Protestantse Kerk in België