Goed nieuws voor de ouders die zich constant zorgen maken over de vraag of ze wel goed bezig zijn met de opvoeding van hun kinderen. Sommigen krijgen stress van de angst iets fundamenteel fouts te doen, waardoor ze de toekomst van hun kroost in het gedrang zouden brengen. Ze mogen rustig uitademen: volgens recent wetenschappelijk onderzoek maakt het niet zoveel uit wat ze doen. Ja, ze kunnen het leven voor hun kinderen aangenamer maken, en ze kunnen hun gedrag wat in de juiste richting sturen, maar iets wezenlijks veranderen aan de persoonlijkheid van hun kinderen kunnen ze niet. Als hun kinderen bij andere ouders zouden opgroeien, is de kans groot dat ze min of meer dezelfde mensen zouden worden.
...

Goed nieuws voor de ouders die zich constant zorgen maken over de vraag of ze wel goed bezig zijn met de opvoeding van hun kinderen. Sommigen krijgen stress van de angst iets fundamenteel fouts te doen, waardoor ze de toekomst van hun kroost in het gedrang zouden brengen. Ze mogen rustig uitademen: volgens recent wetenschappelijk onderzoek maakt het niet zoveel uit wat ze doen. Ja, ze kunnen het leven voor hun kinderen aangenamer maken, en ze kunnen hun gedrag wat in de juiste richting sturen, maar iets wezenlijks veranderen aan de persoonlijkheid van hun kinderen kunnen ze niet. Als hun kinderen bij andere ouders zouden opgroeien, is de kans groot dat ze min of meer dezelfde mensen zouden worden. Het zijn inzichten die velen naar adem doen happen, maar ze worden gesteund door gedegen wetenschappelijk werk. Zo verscheen in het vakblad Behavior Genetics een studie waaruit bleek dat 'brave kinderen hebben' geen grote verdienste is van ouders die systematisch goed gedrag belonen en dus versterken. Er zit namelijk een belangrijke genetische component in. Kinderen kunnen vanzelf braaf zijn, zonder dat ze het hoeven te worden. Kinderen erven van hun ouders een tendens van hoe ze zich gedragen. Voor een goed begrip: dat erven is geen alles-determinerend gegeven. Genen geven iemand een potentieel om zich op een bepaalde manier te gedragen, maar mensen kunnen beslissen het anders te doen, al dan niet onder druk van ervaringen of andere omgevingsomstandigheden. De voornaamste promotor van de stelling van de relativiteit van ouderschap is de Amerikaanse psycholoog en geneticus Robert Plomin, die verbonden is aan het Instituut voor Psychiatrie, Psychologie en Neurowetenschappen van het gereputeerde King's College in Londen. Hij is vermaard geworden door zijn decennialange studie van het gedrag van tweelingen. Met de wetenschappelijke publicaties die hij daaruit puurde, belandde hij op plaats 71 in de rangschikking van de 100 meest geciteerde psychologen uit de twintigste eeuw. Vorig jaar vatte hij zijn inzichten - na jarenlang getalm, want hij wilde heel zeker zijn - samen in het boek Blueprint: How DNA Makes Us Who We Are ('Blauwdruk: Hoe DNA ons maakt tot wie we zijn'). Met grootschalige tweelingstudies proberen Plomin en anderen de invloeden van natuur en cultuur, van genen en opvoeding, van biologie en pedagogie uit elkaar te rafelen om hun inbreng in het menselijke zijn in kaart te brengen. Het zijn ingewikkelde studies, waarbij de leden van een- en twee-eiige tweelingen bestudeerd worden in situaties waarin ze samen of apart opgroeien. Eeneiige tweelingen zijn biologisch identiek, twee-eiige niet, waardoor je greep kunt krijgen op de relatieve impact van genen en omgeving op hoe mensen opgroeien tot wat ze zijn. Onlangs lichtte Plomin zijn bevindingen toe in een interview met New Scientist. Zijn voornaamste conclusie verscheen op het einde van het gesprek: 'Ik denk dat mijn boek in feite een positieve boodschap voor ouders brengt. Ze kunnen opgelucht ademhalen en van hun kinderen genieten, want in tegenstelling tot wat ze denken hebben ze geen controle over wat hun kind zal worden. Als je denkt dat kinderen van klei zijn en je ze naar hartenlust kunt kneden, vergeet het! Ik denk dat het beter is dat we ouders beschouwen als een soort resource managers wier taak het is na te gaan wat kinderen graag doen en hen de gelegenheid bieden om dat te doen.' Een belangrijke boodschap is dus ook dat ouderlijke opvoeding zelden een onherstelbaar negatief effect op kinderen heeft. De meeste karakteristieken die Plomin bestudeerde, bleken voor ongeveer de helft door genen bepaald te worden en voor de andere helft door omgevingsfactoren (opvoeding inbegrepen). Daar valt mee te leven. Maar het wordt verrassend als hij stelt dat de omgevingsinvloeden als 'willekeurig' moeten worden beschouwd. Eender wat kan een sturende rol hebben. Dikwijls gaat het om toevalligheden: een virale besmetting, een fout gelopen eerste relatie, een ontmoeting met iemand die uitgroeit tot een soort mentor (en die je zelf kiest)... De lijst van mogelijkheden is eindeloos. Er is geen systematiek in de bepalende omgevingsfactoren te vinden, laat staan een systematiek die door de ouders wordt geïntroduceerd. 'Genetische verschillen zijn de belangrijkste niet-willekeurige kracht in het bepalen van wie we worden', stelt Plomin. 'Als je vlak na je geboorte afgestaan zou zijn voor adoptie en dus grootgebracht werd in een andere familie, met andere vrienden en een andere schoolcontext, zou je waarschijnlijk wel een ander beroep uitoefenen, maar desondanks zou je min of meer dezelfde persoon zijn. Zo werkt het.' De opvallendste voorbeelden die Plomin aanvoert, zijn degene die indruisen tegen ons intuïtieve aanvoelen (en tegen andere wetenschappelijke studies, die zelden of nooit de combinatie van genen en omgevingsinvloeden bekeken). Veel ouders doen hun uiterste best om regelmatig te lezen voor en met hun kinderen, in de hoop dat ze dan later zelf ook zullen lezen. Maakt niets uit, stelt Plomin. Als kinderen graag hebben dat je ze verhaaltjes voorleest, moet je dat vooral doen, maar verwacht niet dat je daardoor hun leeszin stimuleert. Als ze die hebben, zullen ze hem vanzelf cultiveren. Veel van wat wij als effecten van opvoeding zien, is niet meer dan vermomde genetica. Overgewicht is nog zo'n voorbeeld. Er wordt bijna automatisch aangenomen dat het soort voeding dat je als kind krijgt, bepaalt hoe dik je zult worden. Ook dat is niet correct. Als je een genetische aanleg hebt om dik te worden, zul je bijna altijd dik worden, zelfs als je vrij gezond eet. Als je er iets aan wilt doen, moet je er echt actief tegen ingaan. Een recente studie in PLoS Genetics stelt dat joggen of wandelen veel beter is om genetisch overgewicht te bestrijden dan zwemmen of fietsen. Mensen die niet gemaakt zijn om dik te worden, zullen ook mager blijven in families die teren op junkfood en frisdrank. Eeneiige tweelingen die gescheiden worden en apart grootgebracht, zullen min of meer dezelfde gewichtsgeschiedenis volgen, onafhankelijk van de voedingsgewoonten van het gezin waarin ze terechtkwamen. De stelling gaat echter niet meer op voor ziekelijk overgewicht (zogenaamde morbide obesitas), zo bleek uit een studie van begin dit jaar in Nature Genetics. Alleen mildere vormen zouden een sterke genetische component hebben. Ziekelijk overgewicht zou vooral een gevolg zijn van uiterst ongezonde leefomstandigheden. Plomins werk covert de 'normale' waarden van functies en gedragingen, niet de extreme. Zo kunnen verregaande verwaarlozing en flagrant misbruik wel degelijk grote en blijvende letsels veroorzaken bij kinderen. Zogenaamde tijgermoeders die werkelijk alles doen om een kind in een bepaalde richting te duwen, kunnen een verschil maken, maar de vraag is dan of het kind ook gelukkig is. Plomin maakte vorig jaar niet alleen ophef met zijn boek, maar ook met een publicatie in het vakblad Science of Learning, waarin hij en zijn collega's stellen dat het niet veel uitmaakt naar welke school je je kinderen stuurt, want ze zullen meestal toch daar uitkomen waar ze genetisch voor gemaakt zijn. In het Verenigd Koninkrijk, met zijn grote onderscheid in kwaliteit tussen privé- en openbare scholen, kwam dat extra hard aan. Je kunt een kind naar een dure privéschool sturen, waar het betere leraren en meer sportfaciliteiten zal hebben, en waar het in contact zal komen met andere kinderen uit 'betere' maatschappelijke klassen, maar voor het eindresultaat van het kind maakt het blijkbaar weinig uit. Pedagogen staan op hun achterste poten, want Plomins stellingen druisen radicaal in tegen hun visie. 'Ik begrijp dat niet goed, ' countert Plomin, 'want de elementen waar leraren zich vooral zorgen over maken, zoals leervermogen en aandacht, zijn net sterk genetisch bepaald. Ik denk dat het van het grootste belang is dat leraren erkennen dat de kinderen in een klas allemaal genetisch verschillend zijn. Net als ouders zullen leraren niet meer dan een bescheiden verschil maken in wat een doorsneekind zal worden, maar ze kunnen wel proberen om voor elk kind een schoolcurriculum te vinden dat zijn verblijf op school aangenamer maakt. Dat is zeker in het voordeel van een scholier. Computergestuurd leren maakt een persoonlijke aanpak op maat van ieders capaciteiten mogelijk.' De Britse wetenschapper Francis Galton, familie van Charles Darwin, schreef in 1874 dat 'als natuur en opvoeding (nature en nurture) in competitie gaan voor overheersing, de eerste de sterkste blijkt te zijn'. Hoewel er in Galtons tijd geen enkele manier was om het onderscheid te bestuderen, zou het een visionaire stellingname blijken. Het zou wel een eeuw duren voor dat inzicht wetenschappelijk hard kon worden gemaakt. De eerste helft van de twintigste eeuw werd gedomineerd door de ideeën van Sigmund Freud, die alles wat maar enigszins te verklaren viel terugbracht tot ouder-kindrelaties. Zijn bevindingen zijn ondertussen achterhaald. De jongste halve eeuw kende het genetisch onderzoek een gestage opmars, waardoor genen op het voorplan kwamen. Er wordt vaak smalend gedaan over genetisch determinisme, hoewel genetici als Plomin blijven benadrukken dat genen niet determineren wie je wordt. Ze beïnvloeden je wel, in interactie met omgevingsfactoren. Een blauwdruk is een plan, geen afgewerkte structuur. Plomin meent trouwens dat omgevings- en opvoedingsdeterminisme mensen sluipend veel meer ellende heeft bezorgd dan het biologische alternatief, ondanks de excessen die een gevolg waren van eugenetica: de maatschappelijke invulling van een fout begrepen genetica met de Holocaust als meest extreme voorbeeld. Het belang van genen duikt ondertussen op de gekste plekken op. Ze spelen een rol in het sturen van gedragingen waarvan veel mensen spontaan denken dat ze puur aan omgevingsfactoren en persoonlijke keuzes te wijten zijn. Een studie in Nature Genetics rekende uit dat verschillen in de timing van het verlies van je maagdelijkheid voor een kwart bepaald zijn door genetische factoren. Het betreft een balans tussen enerzijds genen die risicogedrag stimuleren en dus een vroegere ontmaagding bevorderen en anderzijds genen die een gemakkelijk irriteerbaar karakter in de hand werken, waardoor je langer gaat wachten. De rest van de invloeden komt van de omgeving en kan sterk door toeval bepaald worden: ouders, vrienden, ontmoetingen, religieuze impulsen... Acht procent van de verschillen tussen mensen qua gevoelens van vermoeidheid en futloosheid zijn toe te schrijven aan genetische factoren, zo berichtte Molecular Psychiatry. Meestal gaat het om genen die gelinkt zijn aan een of andere aandoening (zoals diabetes) die zich niet noodzakelijk al gemanifesteerd heeft. Hetzelfde blad presenteerde een studie waaruit blijkt dat 28 procent van de variatie in het kunnen inschatten van iemands emoties door naar zijn of haar ogen te kijken, een genetische component heeft. De betrokken genen zouden een effect op de hersenen hebben. De studie bevestigde trouwens dat vrouwen hier beter in zijn dan mannen. Genen kunnen reageren op omgevingsomstandigheden om te bepalen hoe actief ze zullen worden. Natuur en cultuur staan voortdurend in interactie met elkaar. Maar begin vorig jaar verscheen in Science een belangrijke studie waarvan de gevolgen pas nu goed beginnen door te dringen. In plaats van 'nature OR nurture' is er iets wat 'nature OF nurture' is gaan heten ('de natuur van het opvoeden'). Het is een complex verhaal, maar het komt er in essentie op neer dat de genen die je niet erft van je ouders toch een rol in je leven kunnen spelen, omdat ze mee de omgeving bepalen waarin je terechtkomt. Iedereen heeft twee kopieën van elk gen (eentje van zijn vader en eentje van zijn moeder). Maar bij een bevruchting geeft een ouder slechts een van beide kopieën aan een kind door. Het andere kan echter een rol spelen door het bepalen van wat de ouder doet en zo de leefomgeving van het kind beïnvloeden. Zo is gebleken dat niet-doorgegeven genen mee kunnen sturen hoelang iemand zal studeren. Ze spelen geen rol in factoren als grootte en gewicht, die veel sterker bepaald worden door genen die wel doorgegeven worden - voor fysieke factoren bepalen genen dikwijls meer dan 90 procent van de verschillen. De duur van je schooltijd wordt gestuurd door een complex van genen - dat is trouwens zo voor bijna alle menselijke eigenschappen en zeker voor gedragsaspecten daarvan. Er is geen enkelvoudig gen voor het bepalen van 'schoolduur', evenmin voor 'vatbaarheid voor educatie'. Eén gen zal een effect van maximaal enkele weken op de verschillen in schoolduur hebben, maar combinaties van genen kunnen grotere verschillen opleveren. Het effect van de combinatie van niet-doorgegeven genen van ouders op de schoolduur van hun kinderen was ongeveer een derde van dat van de genen die wel doorgingen. Genen kunnen zelfs meerdere effecten hebben. Het is niet onmogelijk dat een bepaald gen een rechtstreeks (doorgegeven) effect op een kenmerk heeft én een onrechtstreeks (niet-doorgegeven) effect op een ander. Niets is eenvoudig in de genetica. Genen spelen dus een rol in het bepalen van hoelang iemand naar school zal gaan, maar sommige daarvan werken van een afstand, via het beïnvloeden van de ouders. Zelfs wat een onmiskenbare omgevingsfactor lijkt te zijn, kan dus toch een genetische component hebben. Ook genen van je broers en zussen, of zelfs van je vrienden, kunnen mee je omgeving bepalen en een effect hebben. Mensen, plaatsen, dingen, alles rondom ons kan een - dikwijls dus toevallige - invloed hebben op hoe onze genen zich manifesteren. Het onderscheid tussen genen en omgevingsfactoren, tussen biologie en pedagogie, tussen natuur en cultuur is vals: alles hangt samen. Onlangs verscheen een intrigerende studie in Proceedings of the National Academy of Sciences die illustreerde dat ook genen van je klasgenoten een invloed kunnen hebben op hoelang je naar school zult gaan. Het gaat om een cumulatief effect van honderden, misschien wel duizenden genen die mee je schoolomgeving beïnvloeden. Een groep scholieren in een klas kan een gunstiger behandeling door leraren uitlokken als er in de groep individuen zitten die door hun genen een goede sfeer creëren. Dat kan leraren stimuleren om beter les te geven, waardoor ook andere jongeren een extra stimulans krijgen om meer in de school te investeren en eventueel langer naar school te gaan. Het omgekeerde kan natuurlijk ook: de aanwezigheid van kinderen in een gezin die door hun gedrag hun ouders irriteren, kan een effect hebben op de manier waarop de andere kinderen behandeld worden. Stress kan sowieso een funest effect op kinderen hebben - gevoeligheid voor stress is ook gedeeltelijk genetisch gestuurd. Een recente studie in Development & Psychopathology toont aan dat het stressniveau van een moeder tijdens haar eerste zwangerschap een impact heeft op haar kind, die als kleuter nog altijd zichtbaar is. Moeders met een stressvolle eerste zwangerschap hebben een hogere kans op een kleuter met wat verbloemend een 'temperament' wordt genoemd, wat zich uit in rusteloosheid en woedeaanvallen. Zulke kinderen zouden ook angstiger zijn dan gemiddeld. Dat is het nadeel aan verhalen met een positieve boodschap. Ze komen zelden zonder schaduwkant.