Na de dood van haar man heeft Chris (84) nog meer dan twee jaar alleen in hun huurflat gewoond. Verschrikkelijk vond ze dat. Haar enige zoon, die aan de andere kant van het land woont, werkt 's nachts en slaapt overdag. Daardoor kon hij niet zo vaak bij haar langskomen. Soms lukte het hem zelfs maar eens per maand. Met de buren in het flatgebouw had Chris amper contact en haar twee beste vriendinnen waren kort na elkaar overleden. De enige met wie ze nog geregeld een fijne babbel had, was Beate, de schoonmaakhulp die elke woensdag langskwam. Vaak hielp Chris dan de hele tijd met schoonmaken om toch maar bij haar in de buurt te kunnen zijn. Toen ze ook nog last kreeg van duizelingen en knikkende knieën, voelde ze zich al helemaal niet goed meer in de flat. Wat als ze viel en niet meer kon opstaan? Hoeveel dagen zou het dan duren voor iemand haar vond? Veel liever wilde ze verhuizen naar het woonzorgcentrum om de hoek. Daar woonden zeker tien mensen die ze nog van vroeger kende. Met een van hen had ze zelfs in de klas gezeten.
...

Na de dood van haar man heeft Chris (84) nog meer dan twee jaar alleen in hun huurflat gewoond. Verschrikkelijk vond ze dat. Haar enige zoon, die aan de andere kant van het land woont, werkt 's nachts en slaapt overdag. Daardoor kon hij niet zo vaak bij haar langskomen. Soms lukte het hem zelfs maar eens per maand. Met de buren in het flatgebouw had Chris amper contact en haar twee beste vriendinnen waren kort na elkaar overleden. De enige met wie ze nog geregeld een fijne babbel had, was Beate, de schoonmaakhulp die elke woensdag langskwam. Vaak hielp Chris dan de hele tijd met schoonmaken om toch maar bij haar in de buurt te kunnen zijn. Toen ze ook nog last kreeg van duizelingen en knikkende knieën, voelde ze zich al helemaal niet goed meer in de flat. Wat als ze viel en niet meer kon opstaan? Hoeveel dagen zou het dan duren voor iemand haar vond? Veel liever wilde ze verhuizen naar het woonzorgcentrum om de hoek. Daar woonden zeker tien mensen die ze nog van vroeger kende. Met een van hen had ze zelfs in de klas gezeten. Het probleem was dat ze zich dat rusthuis niet kon veroorloven. Van de huisarts had ze gehoord dat het zo'n 1700 euro per maand kost om daar te mogen wonen, 500 euro meer dan haar pensioen. Omdat ze steeds wankeler op haar benen stond, besloot ze uiteindelijk om al haar kasbons te verkopen. Eigenlijk wilde ze die later aan haar kleinkinderen geven, maar ze had geen andere keuze. Met de opbrengst betaalt ze nu de rusthuisfactuur. 'Ik kan alleen maar hopen dat ik geen tien jaar meer leef, want zoveel geld heb ik niet. En mijn zoon al helemaal niet', zegt ze soms. Het gebeurt wel vaker dat mensen de verhuizing naar een woonzorgcentrum om financiële redenen uitstellen. De prijs voor zo'n verblijf stijgt meer dan dubbel zo snel als de algemene levensduurte. In Vlaamse woonzorgcentra bedraagt de dagprijs, die minstens de huur van de kamer, de maaltijden en de verpleging dekt, gemiddeld 60 euro. Maandelijks komt dat neer op een factuur van 1790 euro, terwijl het gemiddelde pensioen van een Belgische werknemer ongeveer 1300 euro bedraagt. Met een gemiddelde van respectievelijk 1696 en 1796 euro per maand zijn woonzorgcentra die door een OCMW of een vzw worden uitgebaat wel goedkoper dan privérusthuizen, waar dat 1931 euro is. Het duurste woonzorgcentrum van Vlaanderen is Park Lane in Antwerpen. Wie daar wil wonen, moet zo'n 4880 euro per maand neertellen. Strijland in Gooik is met een factuur van 1300 euro het goedkoopst. Naast de dagprijs kunnen woonzorgcentra ook nog supplementen aanrekenen voor allerlei diensten en producten. Voor internet en telefonie, bijvoorbeeld, maar ook voor de was, een pedicurebehandeling, een kapbeurt of geneesmiddelen. Omdat ze een hele procedure moeten doorlopen om de dagprijs te mogen optrekken, verhogen sommige woonzorgcentra weleens de prijzen van zulke extra's om meer inkomsten te hebben. Dan kost een biertje in de cafetaria plots een halve euro meer of moeten bewoners van de ene dag op de andere een maandelijkse bijdrage betalen voor het gebruik van de televisie die in hun kamer staat. Daarbij komen dan nog de spullen die veel ouderen buiten het rusthuis laten aankopen, zoals kleren, schoenen, boeken, toiletproducten, snacks, drank of sigaretten. Door de hoge facturen is het armoederisico van ouderen in een woonzorgcentrum een pak groter dan bij leeftijdgenoten die nog thuis wonen. Liefst 75 procent van de bewoners heeft niet genoeg aan zijn pensioen en eventuele andere inkomsten, zoals huuropbrengsten of interesten, om de factuur te betalen. Elke maand komen ze 30 tot 600 euro tekort. Dat komt ook doordat velen van hen wel erg weinig bestaansmiddelen hebben. Liefst 44 procent van de bewoners van Vlaamse woonzorgcentra heeft recht op een zorgbudget dat de Vlaamse overheid toekent aan 65-plussers met gezondheidsproblemen die met een laag inkomen moeten rondkomen. Het is geen toeval dat die kwetsbare groep oververtegenwoordigd is in de rusthuizen. In veel gevallen komt dat door de woonsituatie van mensen die het niet al te breed hebben. In een huurhuis kun je moeilijk een traplift laten installeren wanneer je niet meer goed uit de voeten kunt. In een kleine flat is er dan weer te weinig ruimte om met een rollator of rolstoel van de ene kamer naar de andere te gaan. Dus zit er vaak niets anders op dan naar een woonzorgcentrum te verhuizen. Wat ook meespeelt, is dat mensen met een laag inkomen in veel gevallen een slechtere gezondheid hebben. Bovendien is hun netwerk vaak kleiner, waardoor er niemand is die voor hen kan zorgen als ze ouder worden. Is een bewoner niet in staat om voor zijn verblijf te betalen, dan kan het OCMW tussenbeide komen. Niet alleen in openbare woonzorgcentra maar ook in commerciële voorzieningen. Eerst wordt dan gecheckt of de bewoner wel alle uitkeringen en tegemoetkomingen krijgt waarop hij recht heeft. Vervolgens moet een financieel onderzoek duidelijkheid brengen over zijn inkomsten, spaarrekeningen, aandelen en eigendommen. Heeft de bewoner in kwestie daadwerkelijk te weinig geld om de rusthuisfactuur te betalen, dan past het OCMW het verschil bij. Het OCMW kan wel (een deel van) dat bedrag terugvorderen van de partner of kinderen van de bewoner. Die onderhoudsplicht moet vooral vermijden dat mensen hun huis, bezittingen en spaargeld aan hun kroost zouden schenken om vervolgens hun oude dag op kosten van het OCMW te slijten. Al kan een OCMW ook beslissen om de onderhoudsplicht in een bepaald dossier niet toe te passen. Omdat de kinderen het zelf niet breed hebben, bijvoorbeeld, of omdat ze al jaren gebrouilleerd zijn met hun oude vader of moeder. Er zijn ook steden en gemeenten die de onderhoudsplicht helemaal hebben afgeschaft, maar dat betekent nog niet dat mensen die al hun bezittingen hebben weggegeven zomaar een tussenkomst van het OCMW krijgen. Blijkt uit het financieel onderzoek dat ze een paar jaar eerder een grote schenking hebben gedaan, dan wordt hun aanvraag in veel gevallen geweigerd. Volstaat je inkomen niet om de factuur te betalen en past het OCMW een deel bij, dan heb je nog altijd recht op 98,96 euro zakgeld per maand. Daarmee moet je alle extra uitgaven bekostigen, van een kappersbezoek tot een nieuwe roman. Nogal wat bewoners hebben zichzelf daarom noodgedwongen op rantsoen gezet. Zoals Julien (87), die thuis een pakje sigaretten per dag oprookte. Zodra hij in het woonzorgcentrum was ingetrokken, kon hij zich dat niet meer veroorloven. Dus begon hij zelf sigaretten te rollen van de goedkoopste tabak die hij kon vinden. Echt lekker vindt hij dat niet. In bepaalde gevallen kan de sociale dienst van het OCMW zo'n bewoner wel verhoogd zakgeld toekennen. Dat gebeurde bijvoorbeeld voor een dame die zich wilde inschrijven voor een keramiekcursus in het plaatselijke dienstencentrum, maar ook voor een man die een beroep wilde doen op de diensten van een sekswerker voor ouderen. Dat mensen ondanks hun kleine pensioen of lage uitkering naar een woonzorgcentrum kunnen verhuizen, is natuurlijk een nobel principe. Toch wekt dat geregeld afgunst op. Sommige bewoners hebben het er moeilijk mee dat zij de factuur helemaal zelf moeten betalen, terwijl anderen hulp krijgen van het OCMW. 'Zeker als het gaat om iemand van wie wordt verteld dat hij zijn geld heeft verbrast of alles aan zijn kinderen heeft weggeschonken', zegt Sien Duquennoy, psychologe in woonzorgcentrum De Zonnebloem in Zwijnaarde. 'Vaak kennen bewoners elkaar nog van vroeger. Komt hun dan ter ore dat een van hun huisgenoten haast gratis in een mooie kamer woont terwijl ze weten dat hij zijn geld destijds door ramen en deuren heeft gegooid, dan wordt daar weleens over gezeurd.' Zo iemand is Bob (87), die de maatschappelijk assistente van het OCMW als de ultieme levensgenieter omschreef. Tonnen geld had hij verdiend. Hij begon al heel jong als slagersgast te werken, gebruikte de erfenis van een rijke tante om zijn eigen slagerij te beginnen en investeerde later in nóg een slagerswinkel. Nog geen zestig was hij toen hij zijn zaken verkocht en ging rentenieren. Hij speculeerde op de beurs, kocht dure auto's, ging wel vijf keer per week uit eten, droeg alleen nog merkkleding en ging drie of vier keer per jaar uitrusten in een luxeresort aan de andere kant van de wereld. Kinderen had Bob niet, maar hij hielp wel zijn petekind uit de nood toen diens eenmanszaak over de kop dreigde te gaan. Tegen zijn tachtigste verjaardag waren al Bobs bankrekeningen zo goed als leeg en moest hij het met zijn wel erg bescheiden zelfstandigenpensioen stellen. In die periode begon het zijn petekind op te vallen dat Bob zich soms raar gedroeg. Hadden ze afgesproken om samen uit eten te gaan, dan bleek hij dat vergeten te zijn. Zijn flat zag er bij elk bezoek afgeleefder uit en aan Bobs persoonlijke hygiëne leek ook iets te schorten. Na lang aandringen stemde Bob toe om zich in het ziekenhuis te laten onderzoeken. De ziekte van Alzheimer, luidde het verdict. Amper een jaar later was het voor iedereen duidelijk dat hij niet langer alleen kon blijven wonen en beter naar een woonzorgcentrum kon verhuizen. Alleen kostte een verblijf daar veel meer dan zijn pensioen bedroeg. 'Geen nood', suste de maatschappelijk werkster. 'Het OCMW past het verschil wel bij.'Aangezien een rusthuisverblijf steeds duurder wordt en almaar meer mensen daardoor in de problemen komen, is het hoog tijd om het systeem bij te schaven. Daarom werd jaren geleden al beslist om voor ouderen die zorg nodig hebben een soort persoonsvolgende financiering op te zetten, zoals vandaag in de gehandicaptenzorg bestaat. Op termijn zouden mensen een ticket moeten krijgen waarmee ze zelf zorg kunnen aankopen, of dat nu thuis of in een voorziening is. Al zal dat nog wel even duren. In het Vlaams regeerakkoord 2019-2024 staat dat er werk moet worden gemaakt van 'de voorbereiding van de invoering van' een persoonsvolgend systeem met zorgtickets in de ouderenzorg. Pas vanaf 2023 zullen er proefprojecten worden opgestart. De overheid zou wat ambitieuzer mogen zijn. Om echt het verschil te maken, zou ze een maximumfactuur voor woonzorgcentra moeten invoeren, naar analogie van die voor gezondheidszorg. Mensen zouden ook gestimuleerd kunnen worden om geld opzij te zetten om in hun laatste jaren de nodige zorg te kunnen betalen. Zoals nu al het geval is voor pensioensparen kan er een fiscaal aantrekkelijk systeem van zorgsparen worden opgezet. Al riskeren we dan wel een ouderenzorg met twee snelheden. Uiteindelijk is de enige zaligmakende oplossing een fatsoenlijk pensioen voor iedereen. In België bedraagt het gemiddelde nettopensioen ongeveer twee derde van het inkomen dat je vroeger had. Iemand met een hele loopbaan als werknemer krijgt netto gemiddeld 1312 euro per maand. Voor een ambtenaar is dat ongeveer 2000 euro. Bij 75 procent van de zelfstandigen is het pensioenbedrag zo laag dat het moet worden opgetrokken tot het wettelijke minimumpensioen van 1266 euro. Opvallend is dat het gemiddelde pensioen van een man nog altijd beduidend hoger is dan dat van een vrouw. Dat komt doordat vrouwen vaker deeltijds werken, maar ook doordat ze soms minder verdienen dan mannen die hetzelfde werk doen. Aangezien 80 procent van de bewoners van woonzorgcentra vrouw is, heeft dat onmiskenbaar impact op de betaalbaarheid van de rusthuisfactuur. In het regeerakkoord van de nieuwe federale regering staat dat het minimumpensioen 'in de richting van 1500 euro' zal worden opgetrokken. Als die belofte - die duidelijk voor interpretatie vatbaar is - verregaand en consequent wordt ingelost, zou een rusthuisverblijf voor een grote groep mensen toch al een beetje betaalbaarder worden. Dat Vlaamse woonzorgcentra behoorlijk duur zijn, komt ook door de manier waarop ze worden gefinancierd. Grosso modo halen ze het ene deel van hun inkomsten uit de dagprijs die hun bewoners betalen en het andere uit de financiering van de Vlaamse overheid, die daar sinds de zesde staatshervorming voor bevoegd is. Die overheidsfinanciering bestaat voor het grootste deel uit een forfait voor de zorgverstrekking, dat wordt berekend op basis van de loonkosten van het personeel en het zorgprofiel van de bewoners. Hoe zorgbehoevender zij zijn, hoe meer geld een instelling krijgt. De mate van zorgbehoevendheid wordt voorlopig nog gemeten door middel van de KATZ-schaal. Daarbij wordt onderzocht in welke mate een oudere zich nog kan wassen, kleden en verplaatsen, of hij alleen kan eten en naar het toilet kan, en of hij al dan niet incontinent is. Op basis van die scores wordt hij in categorie O, A, B, C of Cd ondergebracht. In de toekomst zal die schaal worden vervangen door BelRAI, een digitaal meetinstrument dat veel nauwkeuriger screent hoeveel zorg en ondersteuning iemand nodig heeft. Het grootste verschil is dat BelRAI naar veel meer aspecten kijkt dan alleen de mate waarin een oudere nog zelfstandig kan eten, wassen en plassen. Daardoor zal de invoering ervan onvermijdelijk ook invloed hebben op de financiering van woonzorgcentra. 'Vandaag krijgen we veel meer geld voor een bewoner die incontinent is en hulp nodig heeft bij het eten dan voor iemand die zwaar depressief is', legt een psychologe uit. 'Ook als die tweede bewoner veel meer zorg en aandacht nodig heeft. In het nieuwe systeem zullen onder meer ook psychische zorgnoden in rekening worden gebracht.' Dat er onder meer door die financiering vooral - en op sommige plaatsen zelfs uitsluitend - zwaar zorgbehoevende mensen in de Vlaamse woonzorgcentra wonen, leidt ertoe dat andere ouderen nóg minder zin hebben om er in te trekken. Terecht ook. Om van woonzorgcentra een echt fijne plek te maken, is het onontbeerlijk dat er ook mensen terechtkunnen die ondanks hun ouderdomskwalen nog behoorlijk fit en helder van geest zijn. Het zou al een goed begin zijn als geliefden er altijd samen zouden kunnen intrekken. Ook als een van beiden nog opvallend kloek is. Personeelsleden van woonzorgcentra zijn zelfs heel blij als er iemand komt wonen die zich nog goed kan behelpen. Al is het maar omdat hij hun werk uit handen kan nemen door voor zijn partner te zorgen en ook andere bewoners bij te staan. Daarnaast zorgt een betere mix tussen zwaar zorgbehoevende en relatief gezonde bewoners ook voor een huiselijker sfeer. Dan kunnen mensen bij elkaar op de kamer gaan buurten, deelnemen aan activiteiten die uitdagender zijn dan bingo en samenzang of zich bemoeien met de inrichting van de gangen en de cafetaria. Maar dan moet er wel eerst iets veranderen. Zoals een rusthuisdirecteur het zegt: 'Als de overheid écht meent dat woonzorgcentra een warme, huiselijke plek moeten worden, moet ook zij haar verantwoordelijkheid opnemen. En dat begint bij de financiering van onze sector.'