Deze week publiceerde het Stockholm International Peace Research Institute (SIPRI) het jaarlijkse overzicht van de mondiale militaire uitgaven. In 2016 werd wereldwijd 1.686 miljard dollar gespendeerd aan militaire uitgaven, een lichte stijging van 0,4 procent tegenover 2015. Dit bedrag is goed voor 2,2 procent van het mondiale BBP.

Top-15 ongewijzigd

De top-15 bleef in 2016 ongewijzigd. De Verenigde Staten blijven de onbetwiste nummer 1 (611 miljard), gevolgd door China (215), Rusland (69,2), Saoedi-Arabië (63,7) en India (55,9). Vier Europese landen bevinden zich in de top-11: Frankrijk (55,7), het VK (48,3), Duitsland (41,1) en Italië (27,9). Alle 15 landen samen geven 1.360 miljard uit, 81 procent van de totale mondiale uitgaven.

In het Midden-Oosten is er sprake van een daling van de uitgaven met 17 procent, wat deels verklaard wordt door de sterke daling van de olieprijs. Zo gaven Saoedi-Arabië en Irak in 2016 respectievelijk 30 en 36 procent minder uit aan militaire uitgaven.

Irrationele 2%-norm NAVO

NAVO-landen spraken in september 2014, tijdens de Top van Wales, af om binnen de 10 jaar elk 2 procent van hun BBP uit te geven aan defensiebudgetten. Dit zou nodig zijn om de collectieve defensie en veiligheid van het bondgenootschap te verzekeren. De NAVO laat sindsdien geen kans onbenut om de dreiging vanuit Rusland in de verf te zetten. Ook tijdens de NAVO-top in Brussels eind mei 2017 zal de 2% norm de discussies domineren.

'Waar komt de NAVO-roep om meer militaire uitgaven vandaan?'

Een nuchtere blik op de cijfers toont echter de irrationaliteit van deze NAVO-norm. NAVO-landen gaven in 2016 al het duizelingwekkende bedrag uit van 881 miljard dollar. Ter vergelijking: Rusland gaf in 2016 69,2 miljard uit, dertien keer minder dan alle NAVO-landen samen. Zelfs zonder de Verenigde Staten geven Europese NAVO-landen nog steeds meer dan 3,5 keer zoveel uit aan militaire uitgaven als Rusland (254 miljard dollar).

Het blijft dus een goed bewaard geheim op welke realiteit de NAVO-roep om méér militaire uitgaven berust. Als Europese NAVO-landen al jarenlang 3,5 keer zoveel uitgeven als Rusland moet het debat niet gaan over meer nieuwe middelen, wel over een efficiënter en rationeler beheer van de bestaande middelen. In plaats van meer te spenderen, moet er eerst en vooral slimmer gespendeerd worden. Los van deze vraag naar efficiëntie pleit Pax Christi voor grotere investeringen in conflictpreventie, vredesopbouw en ontwikkeling.

Geen gevechtsvliegtuigen

Ook in België verantwoordt minister van defensie Vandeput de enorme stijging van het militaire budget (vanaf 2019) door te verwijzen naar de NAVO-norm. Het hele debat over de toekomst van het Belgisch leger is dus in hetzelfde bedje ziek: een enge focus op een verhoging van de uitgaven, in plaats van een open en eerlijke discussie over wat voor leger we juist willen. In plaats van te kiezen voor een leger dat zich specialiseert in een aantal capaciteiten waar op mondiaal niveau sterke vraag naar is (bv voor VN-vredesoperaties), maakte minister Vandeput echter vooral géén keuzes in zijn Strategische Visie voor defensie (juli 2016).

Vandeput wil onder meer 15 miljard euro (geld dat er niet is) uitgeven aan de aankoop van 34 nieuwe gevechtsvliegen, terwijl er op Europees niveau al een overcapaciteit aan gevechtsvliegtuigen bestaat.

Voor Pax Christi Vlaanderen is het duidelijk: vasthouden aan een breed inzetbaar leger is financieel niet haalbaar en bovenal weinig effectief. We opteren voor een Belgisch leger dat inzet op een aantal Europese capaciteitstekorten, onbetaalbare en overbodige capaciteiten als gevechtsvliegtuigen afstoot en via VN-vredesoperaties optreedt als effectieve beschermingsmacht voor burgers in conflictgebieden.

Dat kost een pak minder geld, en draagt veel meer bij aan de internationale vrede en veiligheid. Nieuwe gevechtsvliegtuigen kannibaliseren echter de middelen om het Belgisch leger te transformeren tot zo'n burgerbeschermingsmacht en om massaal te investeren in conflictpreventie, vredesopbouw en ontwikkeling.