De scheiding van Kerk en staat kan niet meer ter discussie gesteld worden. Het is een wezenlijke verworvenheid van de moderniteit. Voor de opkomst van de moderniteit was dit slechts ten dele mogelijk precies omdat het christendom hier in het Westen de culturele religie was geworden. Kerk en christendom waren niet los te denken van het hele maatschappelijke en politieke leven, met alle spanningen en conflicten van dien. Zoals het vanzelfsprekend is voor alle religieuze culturen: heel het culturele, maatschappelijke en politieke leven was doordrongen van het christelijke gedachtegoed.

Ik verwees al naar diegenen die van oordeel zijn dat de moderne seculiere cultuur op de lange duur het einde betekent van elke religieuze overtuiging. Geloof en moderniteit zouden elkaar uiteindelijk uitsluiten. Het is in mijn ogen een uiting van dogmatisch secularisme. Maar lang niet iedereen is in het huidige debat rond godsdienst en maatschappij zo extreem. Er is naast dit extreme standpunt ook een andere overtuiging die wijd verspreid is en vandaag wellicht ingrijpender is. Deze overtuiging heeft er geen moeite mee dat iemand gelovig is. Iedereen is immers vrij te denken wat hij of zij wil. Geloof behoort tot de vrije meningsuiting. Alleen hebben religieuze overtuigingen, zo wordt gesteld, geen maatschappelijke relevantie. Uiteraard kunnen ze ­betekenis hebben voor het privéleven van de burger, maar niet voor de samenleving als zodanig. Ze hebben geen maatschappelijke betekenis en hebben zich ook niet te mengen in het maatschappelijke en publieke debat.

De stelling van de privatisering van de religie raakt het hart en de zin zelf van het christelijke geloof en van de religieuze overtuiging. Er is voor de gelovige geen scheiding tussen geloof en leven, zoals er geen scheiding is tussen geloof en het samen leven. We lieten zopas reeds zien dat er vragen zijn waarop een seculiere cultuur uit zichzelf geen antwoord biedt. Vragen die ze zelfs niet eens stelt. Het zijn vragen naar de zin van ons bestaan en van alles waarvoor of voor wie we ons engageren. Het zijn die keuzes en die engagementen die de zin van ons leven en samenleven bepalen. Ik liet het al verstaan: die keuzes en engagementen, hoe persoonlijk ook, zijn van hoogst maatschappelijke relevantie. Dat is de fundamentele reden waarom de privatisering van de religie geen goede zaak is. Wat het christendom betreft is het maar al te duidelijk: het Evangelie heeft niet alleen betrekking op mijn privéleven, maar motiveert me in mijn maatschappelijk handelen. Het zegt me waar God met deze wereld naartoe wil. Het zegt me wat waarlijk menselijk leven is en echte vooruitgang.

Hier wordt niet beweerd dat godsdiensten de enige bron van zin en motivatie zouden zijn. Ook wie niet gelovig is of er een andere niet-religieuze levensovertuiging op nahoudt, kan vanzelfsprekend zin geven aan zijn doen en laten en zich inzetten voor een meer menselijke en rechtvaardige samenleving. Godsdiensten bezitten daaromtrent niet het monopolie. Maar ze zijn zelf wel ­degelijk bron van hoop en zin. Natuurlijk kan het ook net omgekeerd zijn. Godsdiensten kunnen ook misbruikt worden. Dan worden ze bron van haat en geweld of verworden tot een opium waardoor mensen van zichzelf en van de werkelijkheid vervreemden. Alles wat menselijk is, kan inderdaad misbruikt worden. Maar dat is dan wel misbruik. Uit zichzelf zijn godsdiensten zo niet. Ook de islam niet. Ook het christendom niet.

Het Evangelie dat de Kerk verkondigt is het goede nieuws van Gods menselijkheid. De oproep tot menselijk­heid behoort wezenlijk tot het christendom en tot de hele Bijbelse geloofstraditie. En dat niet alleen in theorie. Men moet toch blind zijn om niet te zien hoe het Evangelie in de ware zin van het woord bron van humaniteit is. Het engageert ons in ons persoonlijk, familiaal en professioneel leven. Maar het heeft ook een maatschappelijke impact. We leven niet elk voor zich. De mens is een sociaal wezen, geroepen tot solidariteit. Het Evangelie heeft niet louter betrekking op de religieuze dimensie van ons bestaan. Dat zou men misschien maar al te graag hebben: dat de Kerk zich alleen bezighoudt met haar ­zogenaam­de eigen religieuze zaken. Maar de Kerk is geen wereld naast de feitelijke wereld waarin we leven. Het is in die wereld en delend in al zijn uitdagingen, dat zij haar zending vervult.

De Kerk heeft geen politieke macht. Maar ze maakt wel deel uit van de civiele samenleving. Het is ook niet zo dat ze niets te maken wil hebben met de grote uitdagingen van de samenleving en van de mensheid. Zij leeft niet buiten de wereld, noch er boven, noch er naast. Het is in de wereld dat ze leeft en werkt en ijvert voor een meer rechtvaardige en humane wereld, samen met de andere godsdiensten en met alle mensen van goede wil. Wat voor de Kerk geldt, geldt ook voor de christen. Een christen die zich maatschappelijk engageert doet dit niet alleen als burger maar ook als christen. Het is juist het geloof dat hem of haar aanzet tot verantwoordelijk burgerschap. De stelling van de privatisering van de religie doet geen recht aan de wijze waarop gelovigen hun geloof beleven De samenleving en haar overheid hebben er alle belang bij godsdiensten te respecteren en hun aanwezigheid en inzet te valoriseren. Want daar en in de initiatieven die ze nemen, vinden velen de kracht en de motivatie om zich voor het algemeen welzijn in te zetten.

Het is dus niet goed godsdiensten te onderwaarderen of te marginaliseren. Want daarover gaat het als wordt geprobeerd hen zoveel mogelijk tot het privéleven te reduceren. Het komt natuurlijk tegemoet aan de secularistische tendens binnen een moderne cultuur. Er wordt daarbij nog altijd uitgegaan van de nu toch wel ­ge­dateer­de gedachte dat een wereld zonder gods­diensten de beste garantie is voor emancipatie en vooruitgang. Na wat in de 20ste eeuw gebeurd is in Duitsland onder het naziregime en in Rusland en China onder marxistische regimes zou men beter moeten weten.

De scheiding van Kerk en staat kan niet meer ter discussie gesteld worden. Het is een wezenlijke verworvenheid van de moderniteit. Voor de opkomst van de moderniteit was dit slechts ten dele mogelijk precies omdat het christendom hier in het Westen de culturele religie was geworden. Kerk en christendom waren niet los te denken van het hele maatschappelijke en politieke leven, met alle spanningen en conflicten van dien. Zoals het vanzelfsprekend is voor alle religieuze culturen: heel het culturele, maatschappelijke en politieke leven was doordrongen van het christelijke gedachtegoed. Ik verwees al naar diegenen die van oordeel zijn dat de moderne seculiere cultuur op de lange duur het einde betekent van elke religieuze overtuiging. Geloof en moderniteit zouden elkaar uiteindelijk uitsluiten. Het is in mijn ogen een uiting van dogmatisch secularisme. Maar lang niet iedereen is in het huidige debat rond godsdienst en maatschappij zo extreem. Er is naast dit extreme standpunt ook een andere overtuiging die wijd verspreid is en vandaag wellicht ingrijpender is. Deze overtuiging heeft er geen moeite mee dat iemand gelovig is. Iedereen is immers vrij te denken wat hij of zij wil. Geloof behoort tot de vrije meningsuiting. Alleen hebben religieuze overtuigingen, zo wordt gesteld, geen maatschappelijke relevantie. Uiteraard kunnen ze ­betekenis hebben voor het privéleven van de burger, maar niet voor de samenleving als zodanig. Ze hebben geen maatschappelijke betekenis en hebben zich ook niet te mengen in het maatschappelijke en publieke debat. De stelling van de privatisering van de religie raakt het hart en de zin zelf van het christelijke geloof en van de religieuze overtuiging. Er is voor de gelovige geen scheiding tussen geloof en leven, zoals er geen scheiding is tussen geloof en het samen leven. We lieten zopas reeds zien dat er vragen zijn waarop een seculiere cultuur uit zichzelf geen antwoord biedt. Vragen die ze zelfs niet eens stelt. Het zijn vragen naar de zin van ons bestaan en van alles waarvoor of voor wie we ons engageren. Het zijn die keuzes en die engagementen die de zin van ons leven en samenleven bepalen. Ik liet het al verstaan: die keuzes en engagementen, hoe persoonlijk ook, zijn van hoogst maatschappelijke relevantie. Dat is de fundamentele reden waarom de privatisering van de religie geen goede zaak is. Wat het christendom betreft is het maar al te duidelijk: het Evangelie heeft niet alleen betrekking op mijn privéleven, maar motiveert me in mijn maatschappelijk handelen. Het zegt me waar God met deze wereld naartoe wil. Het zegt me wat waarlijk menselijk leven is en echte vooruitgang. Hier wordt niet beweerd dat godsdiensten de enige bron van zin en motivatie zouden zijn. Ook wie niet gelovig is of er een andere niet-religieuze levensovertuiging op nahoudt, kan vanzelfsprekend zin geven aan zijn doen en laten en zich inzetten voor een meer menselijke en rechtvaardige samenleving. Godsdiensten bezitten daaromtrent niet het monopolie. Maar ze zijn zelf wel ­degelijk bron van hoop en zin. Natuurlijk kan het ook net omgekeerd zijn. Godsdiensten kunnen ook misbruikt worden. Dan worden ze bron van haat en geweld of verworden tot een opium waardoor mensen van zichzelf en van de werkelijkheid vervreemden. Alles wat menselijk is, kan inderdaad misbruikt worden. Maar dat is dan wel misbruik. Uit zichzelf zijn godsdiensten zo niet. Ook de islam niet. Ook het christendom niet. Het Evangelie dat de Kerk verkondigt is het goede nieuws van Gods menselijkheid. De oproep tot menselijk­heid behoort wezenlijk tot het christendom en tot de hele Bijbelse geloofstraditie. En dat niet alleen in theorie. Men moet toch blind zijn om niet te zien hoe het Evangelie in de ware zin van het woord bron van humaniteit is. Het engageert ons in ons persoonlijk, familiaal en professioneel leven. Maar het heeft ook een maatschappelijke impact. We leven niet elk voor zich. De mens is een sociaal wezen, geroepen tot solidariteit. Het Evangelie heeft niet louter betrekking op de religieuze dimensie van ons bestaan. Dat zou men misschien maar al te graag hebben: dat de Kerk zich alleen bezighoudt met haar ­zogenaam­de eigen religieuze zaken. Maar de Kerk is geen wereld naast de feitelijke wereld waarin we leven. Het is in die wereld en delend in al zijn uitdagingen, dat zij haar zending vervult. De Kerk heeft geen politieke macht. Maar ze maakt wel deel uit van de civiele samenleving. Het is ook niet zo dat ze niets te maken wil hebben met de grote uitdagingen van de samenleving en van de mensheid. Zij leeft niet buiten de wereld, noch er boven, noch er naast. Het is in de wereld dat ze leeft en werkt en ijvert voor een meer rechtvaardige en humane wereld, samen met de andere godsdiensten en met alle mensen van goede wil. Wat voor de Kerk geldt, geldt ook voor de christen. Een christen die zich maatschappelijk engageert doet dit niet alleen als burger maar ook als christen. Het is juist het geloof dat hem of haar aanzet tot verantwoordelijk burgerschap. De stelling van de privatisering van de religie doet geen recht aan de wijze waarop gelovigen hun geloof beleven De samenleving en haar overheid hebben er alle belang bij godsdiensten te respecteren en hun aanwezigheid en inzet te valoriseren. Want daar en in de initiatieven die ze nemen, vinden velen de kracht en de motivatie om zich voor het algemeen welzijn in te zetten. Het is dus niet goed godsdiensten te onderwaarderen of te marginaliseren. Want daarover gaat het als wordt geprobeerd hen zoveel mogelijk tot het privéleven te reduceren. Het komt natuurlijk tegemoet aan de secularistische tendens binnen een moderne cultuur. Er wordt daarbij nog altijd uitgegaan van de nu toch wel ­ge­dateer­de gedachte dat een wereld zonder gods­diensten de beste garantie is voor emancipatie en vooruitgang. Na wat in de 20ste eeuw gebeurd is in Duitsland onder het naziregime en in Rusland en China onder marxistische regimes zou men beter moeten weten.