De hele geschiedenis van de mensheid is eigenlijk één uitgesponnen verhaal van 'meer doen met minder'. Bij elke energietransitie zie je dat mensen grotere hoeveelheden energie opwekken met minder grondstoffen. Vóór de industriële revolutie stookten we hout, turf en mest en maakten we licht met sesamolie of walvisolie - verschrikkelijk inefficiënt en buitengewoon belastend voor het milieu. Als je met houtskool een ton staal wil smelten, moet je een half bos rooien. En als je lampen met walvisvet wil branden, heb je die dieren binnen de kortste keren uitgeroeid (wat bijna gebeurde).[i]

Toen ontdekten we steenkool en olie, die een veel hogere energiedichtheid hebben dan hout. We gingen meer doen met minder. De eerste stoommachines waren nog zo inefficiënt dat ze enkel werden gebruikt in de buurt van de steenkoolmijn zelf, om water te hozen. Maar gaandeweg verbeterde de technologie, opnieuw met dank aan het kapitalisme. De komst van petroleum, dat qua energiedichtheid steenkool nog overtreft, redde de arme walvis van extinctie. En daarna kwam aardgas, dat op zijn beurt olie de loef afsteekt. Een moderne gascentrale is slecht voor milieu en klimaat, maar wel tien keer minder vervuilend dan een oude steenkoolcentrale. Een technologie als kernenergie is een prachtige voortzetting van deze verdichting, van méér doen met minder: maar liefst drie miljoen keer zoveel energie als in steenkool, en dat allemaal zónder co2 of zwavel of schadelijke roetdeeltjes uit te stoten.

De milieuvervuiling waarover profeten zich in de jaren '70 (helemaal terecht) zorgen maakten, werd niet aangepakt door minder te consumeren, maar door de zoektocht naar hogere efficiëntie en kleinere impact. Dat wil niet zeggen dat de vrije markt alles vanzelf oploste. De meest succesvolle milieumaatregel van de afgelopen eeuw was wellicht het Montréalprotocol uit 1987, een internationaal verdrag dat de uitfasering regelde van de zogenaamde cfk's (chloorfluorkoolwaterstoffen) en enkele andere stoffen die de ozonlaag aantasten. Door dat verdrag gingen chemische fabrikanten op zoek naar andere verbindingen om dezelfde dienst (zoals luchtdruk in spuitbussen) te leveren. Mensen spoten en sproeiden vrolijk verder, maar de schadelijke cfk's werden vervangen door andere drijfgassen die de ozonlaag niet aantasten.

De luchtvervuiling door auto's werd niet opgelost door minder rond te tuffen, maar door slimme filters te installeren die schadelijke stoffen zuiveren. Ook hier moest de overheid tussenbeide komen om bedrijven tot technologische innovatie aan te sporen. Autobouwers hadden er wel belang bij om steeds efficiënter bolides van de band te laten rollen, omdat ze dan meer winst maakten, maar de schadelijke uitstoot in uitlaatgassen gingen ze niet spontaan aanpakken. Daar viel geen geld mee te verdienen. Luchtvervuiling is een klassiek voorbeeld van een 'negatieve externaliteit', een schadelijk neveneffect dat op de rest van de samenleving wordt afgewenteld.

Door dat slimme beleid kon de onzichtbare hand van Adam Smith vervolgens opnieuw zijn werk verrichten: hoe minder een autobouwer vervuilde, hoe meer hij uitspaarde, dus hoe meer poen hij schepte. Eerst mopperden de autobouwers nog over die vervelende belastingen en regelgeving, maar telkens opnieuw vonden ze creatieve oplossingen om hun vervuiling in te perken. Het gevolg was dat de concentratie van een hele rist toxische stoffen in onze lucht, bodem en rivieren - zoals lood, koolstofmonoxide, zwavel en stikstofoxides - spectaculair afnam, soms met meer dan 95%.[ii]

De grootste vergissing van de profeten is dat ze het menselijk vernuft onderschatten. Ze prediken de uitputting van grondstoffen, maar zien één grondstof over het hoofd die onuitputtelijk is, zoals de vooruitgangsdenker Johan Norberg schrijft: 'De belangrijkste grondstof is het menselijke brein, een grondstof die op aangename wijze reproduceerbaar is.'[iii] Profeten ontwaarden telkens een trend in hun tijd, en namen aan dat die trend zich zou doorzetten in de toekomst. In wezen waren de 'indrukwekkende' computermodellen van de Club van Rome doodeenvoudig, zo eenvoudig dat ze zichzelf het dure rekenwerk hadden kunnen besparen. Als je een groeicurve in een computer steekt en doortrekt, spreekt het voor zich dat de boel vroeg of laat ontploft. Dan krijg je een armageddon van milieuvervuiling of grondstoffenschaarste of wat dan ook. David Deutsch vatte dat soort doemvoorspellingen als volgt samen: 'Als we stoppen met problemen oplossen, dan gaan we eraan.'[iv] Maar natuurlijk stoppen we daar nooit mee. Telkens wist de mens zijn hachje te redden met slimme oplossingen die de regels van het spel veranderen.

Nog een kleine parabel. In de tweede helft van de 19e eeuw maakten de inwoners van Londen en New York zich grote zorgen om de steeds groeiende populatie van paarden in hun steden. In Londen liepen er 11.000 paarden rond als taxi's, en daarnaast nog eens enkele duizenden paardenbussen, elk door 12 hoefdieren getrokken. Samengeteld maar liefst 50.000 paarden op, alleen maar om mensen te vervoeren! En die beesten maar overal plassen en poepen. Waar zou dat in godsnaam eindigen? Doemprofeten trokken de paardencurve door (zonder behulp van computers) en voorspelden een catastrofe binnen enkele decennia. In 1894 voorspelde de Times dat elke straat in London tegen 1950 bedolven zou zijn door een laag van drie meter paardenstront! De episode stond bekend als de Grote Paardenstront Crisis.[v] Hoe het verhaal écht afliep, hoef ik je uiteraard niet te vertellen.

Nogmaals: dat de doemprofeten van gisteren ongelijk kregen, garandeert niet dat die van vandaag hetzelfde lot beschoren zal zijn. Hoogstens is het een waarschuwing dat we een onheilspellende groeicurve niet zomaar naar de toekomst mogen doortrekken, alsof alles bij het oude blijft. Hier is dan de vraag van één miljoen: kunnen we andermaal slimme oplossingen bedenken om ons klimaatprobleem te bedwingen, zoals we dat in het verleden deden met andere ecologische uitdagingen? Of krijgen de doemprofeten van een halve eeuw geleden alsnog gelijk, met enige vertraging? Daarvoor moeten we dieper ingaan op het bête noir van elke rechtgeaarde profeet: groei. Is groei de wortel van ons klimaatprobleem, of is het juist de oplossing?

Maarten Boudry (1984) is wetenschapsfilosoof en houder van de leerstoel Etienne Vermeersch aan de Universiteit Gent. Zijn meest recente boeken zijn Waarom de wereld niet naar de knoppen gaat (2019) en Eerste hulp bij pandemie. Van Achterafklap tot Zwarte Zwaan (2021, met Joël De Ceulaer).

Noten:

[i] Vaclav Smil (2018), Energy and Civilization: A History, mit Press. Voor een polemiek over dierenbescherming dankzij technologische vooruitgang, zie Michael Shellenberger (2020), Apocalypse Never: Why Environmental Alarmism Hurts Us All, Harper Collins.

[ii] Hannah Ritchie & Max Roser (2019), 'Outdoor Air Pollution'. Our World In Data. ourworldindata.org/outdoor-air-pollution

[iii] Norberg, Progress: Ten Reasons to Look Forward to the Future, loc. 1610-11. Het beeld is ontleend aan de onvolprezen Julian Simon (1998), The Ultimate Resource, Princeton University Press.

[iv] Deutsch, The Beginning of Infinity, p. 432.

[v] Elizabeth Kolbert, 'Hosed. Is there a quick fix for the climate?', The New Yorker, 16 nov. 2009. Ben Johnson, 'The Great Horse Manure Crisis of 1894', History UK. bit.ly/3kaYnja

De hele geschiedenis van de mensheid is eigenlijk één uitgesponnen verhaal van 'meer doen met minder'. Bij elke energietransitie zie je dat mensen grotere hoeveelheden energie opwekken met minder grondstoffen. Vóór de industriële revolutie stookten we hout, turf en mest en maakten we licht met sesamolie of walvisolie - verschrikkelijk inefficiënt en buitengewoon belastend voor het milieu. Als je met houtskool een ton staal wil smelten, moet je een half bos rooien. En als je lampen met walvisvet wil branden, heb je die dieren binnen de kortste keren uitgeroeid (wat bijna gebeurde).[i] Toen ontdekten we steenkool en olie, die een veel hogere energiedichtheid hebben dan hout. We gingen meer doen met minder. De eerste stoommachines waren nog zo inefficiënt dat ze enkel werden gebruikt in de buurt van de steenkoolmijn zelf, om water te hozen. Maar gaandeweg verbeterde de technologie, opnieuw met dank aan het kapitalisme. De komst van petroleum, dat qua energiedichtheid steenkool nog overtreft, redde de arme walvis van extinctie. En daarna kwam aardgas, dat op zijn beurt olie de loef afsteekt. Een moderne gascentrale is slecht voor milieu en klimaat, maar wel tien keer minder vervuilend dan een oude steenkoolcentrale. Een technologie als kernenergie is een prachtige voortzetting van deze verdichting, van méér doen met minder: maar liefst drie miljoen keer zoveel energie als in steenkool, en dat allemaal zónder co2 of zwavel of schadelijke roetdeeltjes uit te stoten. De milieuvervuiling waarover profeten zich in de jaren '70 (helemaal terecht) zorgen maakten, werd niet aangepakt door minder te consumeren, maar door de zoektocht naar hogere efficiëntie en kleinere impact. Dat wil niet zeggen dat de vrije markt alles vanzelf oploste. De meest succesvolle milieumaatregel van de afgelopen eeuw was wellicht het Montréalprotocol uit 1987, een internationaal verdrag dat de uitfasering regelde van de zogenaamde cfk's (chloorfluorkoolwaterstoffen) en enkele andere stoffen die de ozonlaag aantasten. Door dat verdrag gingen chemische fabrikanten op zoek naar andere verbindingen om dezelfde dienst (zoals luchtdruk in spuitbussen) te leveren. Mensen spoten en sproeiden vrolijk verder, maar de schadelijke cfk's werden vervangen door andere drijfgassen die de ozonlaag niet aantasten. De luchtvervuiling door auto's werd niet opgelost door minder rond te tuffen, maar door slimme filters te installeren die schadelijke stoffen zuiveren. Ook hier moest de overheid tussenbeide komen om bedrijven tot technologische innovatie aan te sporen. Autobouwers hadden er wel belang bij om steeds efficiënter bolides van de band te laten rollen, omdat ze dan meer winst maakten, maar de schadelijke uitstoot in uitlaatgassen gingen ze niet spontaan aanpakken. Daar viel geen geld mee te verdienen. Luchtvervuiling is een klassiek voorbeeld van een 'negatieve externaliteit', een schadelijk neveneffect dat op de rest van de samenleving wordt afgewenteld. Door dat slimme beleid kon de onzichtbare hand van Adam Smith vervolgens opnieuw zijn werk verrichten: hoe minder een autobouwer vervuilde, hoe meer hij uitspaarde, dus hoe meer poen hij schepte. Eerst mopperden de autobouwers nog over die vervelende belastingen en regelgeving, maar telkens opnieuw vonden ze creatieve oplossingen om hun vervuiling in te perken. Het gevolg was dat de concentratie van een hele rist toxische stoffen in onze lucht, bodem en rivieren - zoals lood, koolstofmonoxide, zwavel en stikstofoxides - spectaculair afnam, soms met meer dan 95%.[ii] De grootste vergissing van de profeten is dat ze het menselijk vernuft onderschatten. Ze prediken de uitputting van grondstoffen, maar zien één grondstof over het hoofd die onuitputtelijk is, zoals de vooruitgangsdenker Johan Norberg schrijft: 'De belangrijkste grondstof is het menselijke brein, een grondstof die op aangename wijze reproduceerbaar is.'[iii] Profeten ontwaarden telkens een trend in hun tijd, en namen aan dat die trend zich zou doorzetten in de toekomst. In wezen waren de 'indrukwekkende' computermodellen van de Club van Rome doodeenvoudig, zo eenvoudig dat ze zichzelf het dure rekenwerk hadden kunnen besparen. Als je een groeicurve in een computer steekt en doortrekt, spreekt het voor zich dat de boel vroeg of laat ontploft. Dan krijg je een armageddon van milieuvervuiling of grondstoffenschaarste of wat dan ook. David Deutsch vatte dat soort doemvoorspellingen als volgt samen: 'Als we stoppen met problemen oplossen, dan gaan we eraan.'[iv] Maar natuurlijk stoppen we daar nooit mee. Telkens wist de mens zijn hachje te redden met slimme oplossingen die de regels van het spel veranderen. Nog een kleine parabel. In de tweede helft van de 19e eeuw maakten de inwoners van Londen en New York zich grote zorgen om de steeds groeiende populatie van paarden in hun steden. In Londen liepen er 11.000 paarden rond als taxi's, en daarnaast nog eens enkele duizenden paardenbussen, elk door 12 hoefdieren getrokken. Samengeteld maar liefst 50.000 paarden op, alleen maar om mensen te vervoeren! En die beesten maar overal plassen en poepen. Waar zou dat in godsnaam eindigen? Doemprofeten trokken de paardencurve door (zonder behulp van computers) en voorspelden een catastrofe binnen enkele decennia. In 1894 voorspelde de Times dat elke straat in London tegen 1950 bedolven zou zijn door een laag van drie meter paardenstront! De episode stond bekend als de Grote Paardenstront Crisis.[v] Hoe het verhaal écht afliep, hoef ik je uiteraard niet te vertellen. Nogmaals: dat de doemprofeten van gisteren ongelijk kregen, garandeert niet dat die van vandaag hetzelfde lot beschoren zal zijn. Hoogstens is het een waarschuwing dat we een onheilspellende groeicurve niet zomaar naar de toekomst mogen doortrekken, alsof alles bij het oude blijft. Hier is dan de vraag van één miljoen: kunnen we andermaal slimme oplossingen bedenken om ons klimaatprobleem te bedwingen, zoals we dat in het verleden deden met andere ecologische uitdagingen? Of krijgen de doemprofeten van een halve eeuw geleden alsnog gelijk, met enige vertraging? Daarvoor moeten we dieper ingaan op het bête noir van elke rechtgeaarde profeet: groei. Is groei de wortel van ons klimaatprobleem, of is het juist de oplossing?Maarten Boudry (1984) is wetenschapsfilosoof en houder van de leerstoel Etienne Vermeersch aan de Universiteit Gent. Zijn meest recente boeken zijn Waarom de wereld niet naar de knoppen gaat (2019) en Eerste hulp bij pandemie. Van Achterafklap tot Zwarte Zwaan (2021, met Joël De Ceulaer).