97 procent voor wiskunde en 95 procent voor taal. Commentaar van de juf: 'Met zulke punten kun je alles worden wat je wilt. En misschien wel meer.' Wat doe je als je zoon of dochter in het zesde leerjaar met zo'n rapport thuiskomt? Alvast gaan kamperen voor de poort van een elitecollege? Een school zoeken die de richting Latijn-Grieks aanbiedt en geregeld een wiskundeolympiade wint? Of begin je beter te sparen voor privélessen Chinees? Een officieel en structureel aanbod voor hypergetalenteerde jongeren bestaat vandaag niet in Vlaanderen. Het gevolg is dat velen van hen minder goed presteren dan ze zouden kunnen, waardoor er heel wat talent wordt verspild.

In de Verenigde Staten blijkt liefst 25 procent van de hoogbegaafde leerlingen onder zijn niveau te presteren. 'In Vlaanderen is de toestand waarschijnlijk minder dramatisch maar toch nog altijd ernstig', zegt de Belgische onderzoekster Ophélie Desmet, die aan de Amerikaanse Purdue University een doctoraat over onderpresteerders schrijft en er het zomerprogramma voor hoogbegaafde kinderen coördineert. Over hoeveel jongeren het precies gaat, wordt op dit moment uitgezocht door onderzoekers van de universiteiten van Gent, Antwerpen en Leuven in het kader van Project TALENT. 'We bestuderen meer dan drieduizend leerlingen die vorig schooljaar op de middelbare school zijn gestart. Een even grote groep volgen we van in de basisschool tot in het hoger onderwijs', zegt projectleidster Karine Verschueren, professor schoolpsychologie aan de KU Leuven. 'Nu al blijkt dat sommige heel getalenteerde jongeren een jaar moeten overdoen of het middelbaar onderwijs beëindigen in een richting die hen niet op een academische opleiding voorbereidt.'

© Zaza

Dat zo veel begaafde jonge Vlamingen onderpresteren, heeft grote gevolgen. Niet alleen voor henzelf, maar ook voor de rest van Vlaanderen. 'In een rijke samenleving als de onze heeft de kleinste toename van cognitieve vaardigheden een exponentieel effect op de welvaart', zegt professor cognitieve psychologie Wouter Duyck (UGent). 'Op basis van een Britse studie heb ik berekend dat ons bnp met ongeveer 2,6 miljard euro per jaar kan stijgen als we erin slagen om onze toppers een IQ-punt hoger te laten klimmen. Het zijn die mensen die burgerlijk ingenieur worden, patenten nemen, een spin-off oprichten en werknemers aanwerven.' In de toekomst wordt het volgens Duyck alleen maar belangrijker om het beste uit zulke toptalenten te halen. 'Wil Vlaanderen in 2060 nog een welvarende maatschappij zijn, dan zullen we mee moeten kunnen met de technologie die tegen die tijd de welvaart creëert', zegt hij. 'We mogen ons niet blindstaren op het succes van mensen zoals Vic Swerts (oprichter van Soudal, nvdr) of Marc Coucke, die vanuit het niets een groot bedrijf hebben opgebouwd. Soms zelfs zonder diploma. In de toekomst zullen inzicht, gezond verstand en een bovengemiddeld verkooptalent niet meer volstaan.'

Zonder label

Waarom wordt er dan zo weinig ingezet op het laten excelleren van de allerbeste Vlaamse leerlingen? 'Omdat de beleidsmakers geloven dat die kinderen er vanzelf wel komen', stelt Duyck. 'In de meeste gevallen is dat ook zo: zo'n jongen slaagt op de middelbare school, gaat vervolgens naar de universiteit en behaalt er zijn diploma. Op zich heeft het onderwijs zijn werk dus gedaan. Maar wat als er in die jongen een tweede Mark Zuckerberg zat? Dan hebben we die wel gemist. Mocht zo'n leerling onderwijs krijgen dat hem écht uitdaagt, kan hij wel drie of vier IQ-punten verder springen. In sporttermen is dat het verschil tussen een goede tijd neerzetten en wereldkampioen worden.'

Het is geen toeval dat een groot deel van de onderpresteerders uit een kansarme omgeving komt.

Ophélie Desmet (Purdge University, VS)

Een andere oorzaak voor al dat onontgonnen talent is dat het in veel gevallen niet eens wordt herkend. Als een kind uit een welgesteld, hoogopgeleid gezin erg pienter is en over de hele lijn prachtige punten behaalt, valt dat zijn ouders en leerkrachten al snel op. Anders is het als een even begaafde leerling een taal- of andere achterstand heeft omdat hij thuis geen Nederlands spreekt of in een kansarm gezin opgroeit. 'Het is geen toeval dat een groot deel van de onderpresteerders uit een kansarme omgeving komt', zegt Desmet. 'Hun ouders herkennen hun talenten niet altijd en kunnen ook niet investeren in buitenschoolse activiteiten die hen echt uitdagen.'

Ook kinderen die op sommige vlakken uitblinken maar in andere domeinen middelmatig of zelfs slecht scoren, blijven nog al te vaak onder de radar. 'Men gaat ervan uit dat begaafde kinderen overal goed in zijn, zonder dat ze daar enige moeite voor hoeven te doen, maar dat is zeker niet altijd zo', legt Desmet uit. 'Velen van hen blinken maar in één vakgebied uit. Daarom moeten we heel voorzichtig zijn met het labelen van de kinderen die we extra willen stimuleren. Sommigen vinden dat alleen leerlingen met een IQ van meer dan 130 daarvoor in aanmerking komen, anderen hebben het over een op de duizend leerlingen. Zodra we zulke criteria hanteren, dreigen we talent te laten liggen. Volgens de Amerikaanse professor Joseph Renzulli, een pionier op het gebied van onderwijs voor getalenteerde kinderen, zou liefst 10 tot 20 procent van alle leerlingen op het een of andere vlak extra uitdagingen moeten krijgen.'

© Zaza

Kangoeroeklassen

In het lager onderwijs komen getalenteerde kinderen vaak wel aan hun trekken. Heel wat basisscholen organiseren tegenwoordig kangoeroeklassen waar de beste leerlingen een paar uur per week bijkomende, uitdagende opdrachten krijgen. Sommige zorgleerkrachten werken ook speciale trajecten uit op maat van kinderen die zich dreigen te vervelen. 'Heel positief allemaal', zegt Desmet. 'Als die extra taken tenminste echt uitdagen en stimuleren. Het volstaat niet om zo'n leerling een bundel wiskundespelletjes mee te geven of hem vier uur per dag achter een computer te zetten zodat hij zich in stilte kan bezighouden. Nochtans is dat wat nog te vaak gebeurt.'

Zodra zo'n primus op de middelbare school terechtkomt, is er geen sprake meer van kangoeroeklassen en meestal ook niet van aangepaste trajecten. Bovendien leent de indeling in aparte vakken en lesuren van vijftig minuten zich veel minder tot maatwerk. 'Middelbare scholen kunnen veel leren uit de aanpak van het lager onderwijs', zegt Karine Verschueren. 'Een leerling die bijvoorbeeld een passie heeft voor geschiedenis en daar ook erg goed in is, zou de kans moeten krijgen om zich verder in dat vak te verdiepen. Dan is de kans groot dat hij uiteindelijk een heel hoog niveau kan bereiken.'

Maar daarvoor ontbreekt het de meeste middelbare scholen vandaag aan kennis, mankracht en middelen. 'De overheid stimuleert dat ook niet', zegt Wouter Duyck. 'Ik kan zo tien maatregelen ten voordele van kwetsbare kinderen opnoemen, maar ik ken er niet één die specifiek is gericht op leerlingen die heel erg goed presteren. Er bestaan wel programma's voor hoogbegaafden, maar daarbij ligt de nadruk vooral op de sociale en andere problemen die zij ondervinden. Niet zozeer op manieren om het allerbeste uit hen te halen.'

Zelfs in het Vlaamse hoger onderwijs wordt vandaag erg weinig ingezet op de primussen. Toch in vergelijking met veel andere landen. 'Een paar jaar geleden is de UGent, net zoals sommige andere universiteiten, begonnen met een honours programme voor studenten die het beter doen dan de meeste anderen', vertelt Duyck. 'Zij krijgen lezingen en projecten aangeboden die buiten de reguliere lessen vallen. Op zich is dat een prachtig idee. Alleen word je daar als docent niet voor beloond: die lessen tellen niet mee voor de berekening van je werklast. Net zoals we geen ruimte krijgen om onze beste studenten meer bij ons onderzoek te betrekken of in te wijden in leerstof die wat verdergaat.'

In de VS blijkt 25 procent van de hoogbegaafde leerlingen onder zijn niveau te presteren.

Voor de elite

Wat moet je dan eigenlijk als vader of moeder van een opvallend begaafd kind? Een eerste mogelijkheid is om het naar een al dan niet zelfverklaard elitecollege te sturen. 'Ik ben een voorstander van zulke colleges op voorwaarde dat ze op cognitief vlak elitair zijn. Maar in de praktijk zijn de meeste vooral elitair wat de afkomst van hun leerlingen betreft: ze mikken uitsluitend op begaafde jongeren uit de hogere sociale klassen. Op die manier verliezen we ontzettend veel talent', stelt Duyck. Niet dat er in Vlaanderen geen scholen zijn die erin slagen om hun beste leerlingen, ongeacht hun afkomst, te laten excelleren. 'Maar dat zijn daarom geen zogenaamde elitecolleges, want die zijn op cognitief vlak bijlange niet altijd zo sterk. De echt goede scholen, zijn scholen die het allerbeste halen uit getalenteerde kinderen uit álle sociale klassen. Maar veel zijn er daar niet van.'

Ouders die een goede plek zoeken voor hun opvallend slimme kind gaan dus beter niet op de reputatie of het prestige van een school af. 'Het best kun je vooraf nagaan hoeveel een bepaalde school bereid is te doen voor cognitief sterkere leerlingen', stelt Verschueren. 'Over de netten heen zijn er scholen die een specifiek aanbod voor die groep hebben en zulke kinderen toelaten om te werken aan projecten die in de lijn van hun talenten liggen, en andere die daar niet mee bezig zijn.'

Naast de schoolkeuze kan ook de studierichting een uitweg bieden voor getalenteerde pubers die in middelmatigheid dreigen te verzanden. Een kind dat de hele basisschool door moeiteloos schitterende resultaten heeft behaald, moet natuurlijk Latijn-Grieks of Latijn-wiskunde volgen. Of toch niet? 'In sommige scholen is dat zeker de beste keuze', aldus Duyck. 'Maar dan wel op voorwaarde dat de lat binnen die richting voor alle vakken, van Engels tot aardrijkskunde, hoger wordt gelegd. Aan Latijn op zich is er niets verheffends. Dat leerlingen uit Latijn-richtingen zo veel kans maken om te slagen voor de toelatingsproef geneeskunde komt niet doordat ze Latijn kennen maar wel doordat de lat over de hele lijn hoger is gelegd.' Toch zijn er steeds minder scholen die zo veel verwachten van jongeren die voor zo'n richting kiezen. Om praktische redenen vooral: op veel plekken zitten leerlingen nog wel apart voor Latijn, maar volgen ze de rest van de vakken met leeftijdgenoten uit andere studierichtingen. 'Op die scholen doet men wel alsof Latijn iets speciaals is, maar dat klopt niet', vindt Duyck. 'Als de leerlingen voor andere vakken met anderen samenzitten, kun je die hele richting beter meteen afschaffen.'

Scholen moeten een deel van hun GOK-middelen voor de slimste leerlingen reserveren.

Wouter Duyck (UGent)

Het Katholiek Onderwijs Vlaanderen opperde in 2012 het idee om een soort aso-plus in het leven te roepen, waar sterke leerlingen worden voorbereid op de universiteit. In andere Europese landen, waaronder Duitsland, werkt men vandaag al met vergelijkbare systemen. Zou dat een oplossing kunnen zijn? 'Een schitterend idee', vindt Wouter Duyck. 'Alleen moet men dan wel aanvaarden dat er een nieuw watervalsysteem kan ontstaan: leerlingen die in dat nieuwe onderwijstype starten, kunnen er na verloop van tijd weer uitvallen. Al hoeft dat niet negatief te zijn. Integendeel. Dat sommige leerlingen naar een andere richting moeten overstappen omdat ze te hoog hebben gemikt, weegt niet op tegen het feit dat anderen wel zullen excelleren.'

Hoe dan ook biedt zelfs de moeilijkste studierichting waar de lat voor alle vakken immens hoog wordt gelegd geen soelaas voor álle getalenteerde leerlingen. 'Uit ons onderzoek blijkt dat ook wie in zo'n richting zit soms klaagt dat het allemaal veel te traag vooruitgaat', zegt Verschueren. 'Bovendien moet je daar niet alleen het talent maar ook de motivatie voor hebben.' Er zijn natuurlijk ook jongeren die uitblinken in domeinen die niet of amper aan bod komen in richtingen als Latijn-Grieks, Latijn-wetenschappen of Latijn-wiskunde. 'Ook als we te veel focussen op de beste leerlingen uit die richtingen zal er veel talent aan onze aandacht ontsnappen', zegt Desmet. 'Ik ken mensen die een technische opleiding hebben gevolgd, op hun 21e een eigen zaak zijn begonnen en ondertussen ongelooflijk succesvol zijn. De vraag is dus wat voor welke leerling een uitdaging vormt. Of beter: een stimulans. Het heeft geen zin om een topper in wiskunde die niet erg goed is in talen met bakken Frans en Engels te overladen. Dat zorgt alleen maar voor frustratie.'

Sterrenkunde of Chinees

Je kind is op een passende school ingeschreven en volgt de allermoeilijkste studierichting, maar toch zit hij nog lang niet aan zijn plafond? Dan kun je nog altijd buiten de schoolmuren op zoek gaan naar extra uitdagingen. 'Natuurlijk kan acht uur verveling op de schoolbanken niet worden goedgemaakt met twee boeiende uren na schooltijd', zegt Ophélie Desmet, die is verbonden aan de Belgische organisatie Samen Slimmer Groeien, die onder meer workshops voor begaafde kinderen organiseert. 'In principe zouden die buitenschoolse uitdagingen niet meer mogen zijn dan een aanvulling op wat de school al aanbiedt, maar in de praktijk moeten sommige kinderen het daarmee stellen. Daarom zou men in Vlaanderen nog veel meer op zulke verrijkingsprogramma's moeten inzetten. Vandaag is het aanbod veel te beperkt.'

© Zaza

Soms is het een goed idee om een heel slimme leerling extra inspanningen te laten leveren in het kader van een hobby. Viool spelen, schermen of animatietekenen, bijvoorbeeld. Sportclubs, muziekscholen en tekenacademies, die zich op alle kinderen richten, zijn er in Vlaanderen meer dan genoeg. Eerder schoolse uitdagingen zijn echter moeilijker te vinden. Her en der worden wel lessen sterrenkunde, Chinees of filosofie voor scholieren georganiseerd, maar vaak zijn die erg duur en niet bepaald bij de deur. Wel bieden de meeste Vlaamse universiteiten en hogescholen geregeld zogenaamde kinderuniversiteiten aan: gratis colleges voor kinderen, die meestal over wetenschappen en onderzoek gaan. Daarnaast zijn er ook privé-initiatieven, die in veel gevallen specifiek op hoogbegaafde kinderen zijn gericht. 'De meeste van die verrijkingsprogramma's hebben een breder doel dan het aanbieden van extra uitdagingen op schoolvlak', legt Verschueren uit. 'Kinderen leren er vaak ook vaardigheden ontwikkelen die anders wat op de achtergrond dreigen te raken. Creatief zijn of met anderen samenwerken, bijvoorbeeld.'

Maar meer investeren in buitenschoolse verrijkingsprogramma's zal op termijn niet volstaan als er in het officiële onderwijs niets verandert. 'Wat onderwijs voor getalenteerde jongeren betreft, loopt België tien jaar achter op veel andere landen', zegt Desmet. 'Ik begrijp niet dat een samenleving die beweert een kenniseconomie te willen zijn, bang is om in academische prestaties te investeren.' Wat moet er dan wel gebeuren? 'Om te beginnen zou er consequent op drie niveaus moeten worden gewerkt: een eerste niveau voor de hele leerlingengroep, een tweede voor een groep die wat meer aankan en een derde voor de allerbesten', zegt Desmet.

Ons bnp kan met 2,6 miljard euro per jaar stijgen als we onze toppers een IQ-punt hoger laten klimmen.

Uit onderzoek blijkt ook dat de prestaties van een sterke leerling beïnvloed worden door zijn klasgenoten. Zit hij in een groep met jongeren die hun best doen op school, dan zal hij zelf ook harder werken. 'Het kan dus een goed idee zijn om met homogene klasgroepen te werken', denkt Karine Verschueren. 'Maar zo'n systeem is vooral gunstig als het heel flexibel wordt toegepast. In ideale omstandigheden worden die klasgroepen per vak gevormd, want het is niet omdat een leerling heel sterk is in Latijn dat hij automatisch ook voor wiskunde bij de besten is. Jammer genoeg maakt onze indeling in studierichtingen zo'n aanpak haast onmogelijk.'

In verschillende landen wordt geëxperimenteerd met systemen die op dat vlak nog een stuk verder gaan. Zo zijn er Amerikaanse scholen die al hun leerlingen hebben gehergroepeerd op basis van hun testscores. 'Daardoor staan leerkrachten er voor homogenere klasgroepen en hoeven ze minder te differentiëren', legt Desmet uit. 'Maar het is niet omdat iets in de Verenigde Staten werkt dat het zomaar naar Vlaanderen kan worden overgeplant. Wij kijken heel anders naar onderwijs en een echt ingrijpende hervorming zie ik hier op korte termijn ook niet gebeuren.'

Dus moet er worden gezocht naar manieren om meer aan de noden van hypergetalenteerde scholieren tegemoet te komen zonder het huidige onderwijssysteem helemaal overboord te gooien. Daartoe hebben leerkrachten een belangrijke sleutel in handen. 'Als jongeren niet in homogene klassen worden ingedeeld, kan een leerkracht binnen dezelfde klas bijvoorbeeld met subgroepen werken', zegt Verschueren. 'Leerkrachten kunnen ook opdrachten geven en vragen stellen die een beroep doen op de hogere cognitieve functies van hun sterkste leerlingen, naar hun inzicht peilen en hen helpen om een eigen mening te vormen.'

Onderwijs voor getalenteerde jongeren loopt in Belgie tien jaar achter op veel andere landen.

Alleen hebben veel leerkrachten geen idee hoe ze daaraan moeten beginnen. 'In de lerarenopleiding wordt nog altijd erg weinig aandacht besteed aan kinderen met speciale noden, en al helemaal aan hoogbegaafden', zegt Desmet. 'Wel zijn er steeds meer coaches die bijscholingen voor leerkrachten over dat onderwerp aanbieden, maar structureel is dat allemaal niet. Ik pleit er dus voor om onderwijs voor begaafde leerlingen een veel grotere plaats in de opleiding te geven.'

Scholen die hun leerkrachten de tijd en ruimte willen geven om het beste uit hun primussen te halen, stoten vaak op nog een ander probleem: ze hebben geen idee waar ze de nodige lesuren en centen vandaan moeten halen. 'Daarom zou de overheid scholen moeten verplichten om een deel van de middelen voor gelijke onderwijskansen (GOK) te reserveren voor de extra uitdaging van getalenteerde leerlingen', vindt Wouter Duyck. 'Met dat geld kunnen ze dan onder meer speciale leraars en lessen bekostigen. Een universiteitsprofessor of doctoraatsstudent zou aan de slimste leerlingen uit de laatste jaren van het middelbaar bijvoorbeeld lessen wiskunde of fysica kunnen geven die net iets verder gaan.'

Zouden de Vlaamse Mark Zuckerbergs dan vanzelf komen bovendrijven? 'Misschien wel', zegt Desmet. 'Maar nog belangrijker is dat alle kinderen aan hun trekken komen in het onderwijs. Of ze het nu moeilijk hebben op school, tot de middenmoot behoren of net heel getalenteerd zijn. Het is zoals de Amerikaanse onderwijsspecialist Del Siegle altijd zegt: elk kind verdient de kans om elke dag iets nieuws te leren. Ook het slimste jongetje van de klas.'

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.