Elke week vraagt Knack aan ondernemende mensen hoe ze lijf en psyche in balans houden.
...

'Neem nu het schaap. Waarom noemen we het dom?' In de keuken van haar huis pal in het hart van Luik kijkt filosofe Vinciane Despret me met schalkse blik aan, haar mondhoeken vrolijk vragend omhoog gekruld. Vroeger zou ze nu een trekje van haar sigaret hebben genomen, maar die heeft ze om gezondheidsredenen vervangen daar een vaper - 'nog steeds een slechte gewoonte'. Ze neemt een haal. We keren terug naar het schaap. Ze zegt: 'Misschien omdat we het alleen domme vragen hebben gesteld?' Het dier kan maar zo slim zijn als de vragen van de onderzoeker. Het is Despret ten voeten uit. Met boeken als Autobiographie d'un poulpe en het meest recente Habiter en oiseau heeft ze in Franstalig België, maar vooral in Frankrijk, naam gemaakt als filosofe van de omkering. Wat als de mens niet langer het centrum van het leven is, maar slechts een van de vele levenssoorten op deze planeet? Het is een uitgangspunt dat Despret vrolijk stemt omdat het naar eigen zeggen permanent haar verbeelding prikkelt. Wat als schapen plannen maken? Wat als vogels elkaar helpen? Wat als de taal van wombats zo gesofisticeerd is dat we haar niet eens opmerken? Wat als octopussen kunnen schrijven? Het zijn typische vragen van ethologen of gedragsbiologen. Geprikkeld door hun observatievermogen besloot Despret eind jaren tachtig het gedrag van de etholoog te onderzoeken en met hem of haar naar de dieren te kijken. Ze ontdekte een verrassend veelvormig universum. 'Dieren tonen andere manieren van zijn en organiseren. Maar ze trainen ook onze blik. Als een etholoog je zegt "heb je dat gezien, dat was een gebaar van verzoening" en jij hebt absoluut niets gezien, dan besef je hoeveel er in deze wereld onopgemerkt voorbijgaat. Gewoon, omdat we niet weten waar te kijken of wat kleine gebaren kunnen betekenen.' Door onze eigen onwetendheid noemen we schapen dan maar dom? Vinciane Despret:Precies. Thelma Rowell, een van de bekendste primatologen, heeft me dat geleerd. Ze werkte in Berkeley en bestudeerde jarenlang apen in het wild. Toen ze met pensioen ging, vroeg ze zich af of het wel klopt dat apen zo veel slimmer zijn dan andere dieren, zoals we gemakshalve aannemen. Ze stelde vast dat je het niet kunt vergelijken omdat onderzoekers apen altijd intelligentere vragen hebben gesteld. Ben je in staat om te liegen? Kun je anticiperen? Werktuigen hanteren? Aan schapen werd dan nooit gevraagd. Rowell verhuisde naar Yorkshire, kocht er een huis met een enorme tuin en liet er 22 schapen op grazen die ze iedere dag gadesloeg. De eerste vraag die ze wilde beantwoorden, was de basisvraag die men bij apen onderzocht. Knopen schapen ingewikkelde sociale relaties aan? Ze ontdekte dat schapen het onderscheid maken tussen een vriend, iemand die hen onverschillig laat en een rivaal. Hoe meer ze observeerde en hoe scherper haar blik werd, hoe meer de schapen haar verbaasden. Ze zag hoe ze zich met elkaar verzoenden na een gevecht, hoe ze overlegden om op te staan en zich te verplaatsen. Ik heb met haar naar de schapen gekeken en het was verbluffend om te zien wat zij zag. Ethologen kunnen een boeiende vertaalslag tussen twee werelden maken. Ze zien betekenis waar wij gewoon een schaap zien dat zijn snuit spitst. We denken: het ruikt iets, en waarschijnlijk is dat ook zo. Maar het gaat verder dan dat. Het is het begin van een conversatie tussen de schapen. Ziet een etholoog, hoe goed hij of zij ook is, soms niet wat hij graag wil zien? Wanneer neemt de fantasie het over van de waarneming? Despret:Dat was ook mijn vraag toen ik mijn thesis schreef over altruïsme bij vogels. Het eerste artikel dat ik erover las, verwonderde me. Het is mooi te ontdekken dat vogels elkaar helpen om een nest jongen groot te brengen. Maar verder dan dat ging het niet. Alle volgende artikelen herhaalden een beetje hetzelfde. Maar over één vogelsoort las ik de meest fascinerende zaken: de babbelaar. Evolutiebioloog Amotz Zahavi van de universiteit van Tel Aviv beschreef hoe die vogels van alles deden wat bij andere vogels blijkbaar niet werd waargenomen. Ze dansten, gaven elkaar geschenken. Bizar, dacht ik: of we hebben hier te maken met een heel bijzondere vogel, anders dan alle andere vogels, of deze etholoog heeft net iets meer verbeelding dan zijn collega's. Was de vogel uitzonderlijk, of de onderzoeker? Despret:Beide. Maar ik leerde vooral dat mijn eigen onderzoeksvraag niet relevant was. Het is zelden of-of. Vaak sluiten hypothesen elkaar niet uit, maar vullen ze elkaar aan. Dat ging zo. Ik schreef Zahavi aan. Of ik hem mocht vergezellen tijdens zijn onderzoek naar de babbelaars? Hij antwoordde. 'Beste meneer Despret.' Ja, dat zegt al iets. Ornithologen, zoölogen, dat zijn overwegend mannen. Hij kon zich niet indenken dat een vrouw benieuwd was naar vogels. 'Beste meneer Despret, u bent van harte welkom. Maar kom in de lente. Dan zijn de vogels het interessantst.' Daarin had hij gelijk. Je moet een dier eerst bestuderen wanneer het het meest opzichtige en opvallende gedrag vertoont, pas daarna kun je oog krijgen voor het banale van het alledaagse. Mijn tijd bij Zahavi, daar in de woestijn rond Tel Aviv, was op alle vlakken vormend. Ik ontdekte mijn passie. Ik vond het ongemeen boeiend de onderzoekers van dieren te observeren, hun disputen en controverses aan te horen. Ik maakte ook kennis met een man die met zijn vogels eenzelfde relatie had ontwikkeld als primatologen met hun apen. Als hij floot, kwamen ze aangevlogen. Als hij zich hurkte, streken ze op zijn schouders neer. Het was prachtig om te zien. Dankzij de onderzoeker kregen de babbelaars het etiket 'uitzonderlijke vogel' opgeplakt en dankzij de babbelaars maakte de onderzoeker naam. Beide hadden baat bij de relatie. Het was alsof ik een vorm van symbiose zag ontstaan. En ik besefte: je kunt de mens niet uit zijn omgeving knippen. We zijn er deel van. Wat kan een mens leren van vogels? Despret:Daar gaat het voor mij niet om. Wie een oog ontwikkelt voor de veelvormigheid van het leven om zich heen, scherpt zijn gevoeligheid voor dat leven aan. Als mens nemen we nogal makkelijk aan dat wat wij doen of denken vanzelfsprekend is, dat het de natuurlijke orde der dingen is en dat het niet anders kan. Als je in de diversiteit van het leven duikt, stel je heel snel vast dat zowat alles anders kan, dat er talloze mogelijkheden zijn. We hoeven niet het heelal in om andersoortig leven te ontdekken, het is hier rondom ons. Zelfs in onze lichamen. We dragen meer bacteriën mee dan lichaamseigen cellen. We zijn een milieu en een samenleving op zich. Als je het helemaal doortrekt, kun je zelfs stellen dat het individu niet bestaat. We zijn samengestelde lichamen. Wie al dat leven om zich heen observeert, verandert als mens. Het verhoogt onze capaciteit om ons te verwonderen en om aangesproken te worden. Enkele jaren geleden woedde er een epidemie onder de merels. Mensen werden ongerust, ze spraken erover, ze misten het lied van de merel, want onderhuids brandde de vraag: wat zou het beteken om in een wereld zonder merels te leven? Dat zijn belangrijke vragen. Cijfers over soorten die uitsterven of dreigen te verdwijnen, wiegen ons makkelijk in slaap. Maar als iemand zegt: er zullen geen merels meer zijn, dan zullen er mensen opstaan die zeggen: dat wil ik niet, dat kan ik niet verdragen. Ooit noemden vooral mannelijke collega's u smalend de Brigitte Bardot van de filosofie, omdat u zich al in de jaren tachtig over beesten boog. Nu wordt u gezien als een pionier van de ecologische filosofie. Zelfs de éminence grise van die stroming, de Franse ecofilosoof Bruno Latour, noemt u zijn intellectuele meter. Despret: Totaal overdreven. Toen ik mijn onderzoeksdomein aftastte, begin jaren negentig, was zijn aanmoediging essentieel om door te gaan. Precies omdat een filosofe die zich met dieren bezighield niet hoog stond aangeschreven. Stoorde u dat? Despret:Het was niet aangenaam, maar het was ook voorspelbaar. Jarenlang heb ik moeten horen dat wat ik deed geen filosofie was. En vanuit het standpunt van klassieke filosofen die zich toespitsen op het gebruik van een bepaald woord bij Aristoteles, klopt dat ook. Ik had de prijs niet betaald die het kost om een zogenaamd goede filosofe te worden. Ik zat niet in bibliotheken, ik las Kant niet in het Duits, ik vond het fijner om door de woestijn te wandelen, me te verdiepen in de babbelaar en met ethologen hun dieren te bekijken. Ik amuseerde me en dus kon ik mezelf niet als slachtoffer zien van een bepaald misprijzen. Je bent pas een slachtoffer als je alles volgens de regels en verwachtingen hebt gedaan - tot koffie serveren aan je mannelijke collega's toe - en dan tot de vaststelling komt dat ze je geen onderzoekspost of lesopdracht aanbieden. Ik had niet het geduld om alles te doen zoals het moest en toch mocht ik wetenschapsfilosofie onderwijzen. Bovendien kreeg ik de steun van de mensen die ik zelf bewonderde. Bruno Latour. Isabelle Stengers (wetenschapsfilosofe, nvdr). Om er enkelen te noemen. Ik heb nooit een reden gehad om chagrijnig, zuur of paranoïde te worden. 'Het was te vroeg om met dieren bezig te zijn', zei u over uw onderzoek in de jaren tachtig. Zijn de tijden veranderd? Despret:Ik denk het wel. Terwijl de uitzonderingspositie van de mens vroeger niet ter discussie stond en de norm van het denken bepaalde, is het nu eerder omgekeerd. Mensen die het exceptionalisme aanhangen, worden steeds meer de uitzondering. We beseffen dat we de menselijke waardigheid enkel kunnen redden door minder lomp met het leven om ons heen om te springen, maar ook door er rekening mee te houden dat dat geloof in de menselijke uitzonderlijkheid schadelijk is. Goed en wel beschouwd, zijn we een erg luide soort die ontzettend veel ruimte opeist. We zijn ook tot veel schoonheid in staat. Despret:Absoluut, maar is dat exclusief menselijk? Ook dat is een boeiend onderzoeksdomein. De vraag of nietmenselijk leven schoonheid om de schoonheid kent. Darwin kon zich dat best voorstellen, dat dieren gevoelig zijn voor schoonheid. Het leven heeft de neiging zich te ontwikkelen naar meer complexiteit. Waarom niet naar meer schoonheid? Alleen als je de evolutietheorie tot een strikt utilitair kader reduceert, is schoonheid om de schoonheid onverklaarbaar en ondenkbaar. Omdat ze nutteloos is. Maar een utilitair kader is niet noodzakelijk het deksel dat op het complexe potje van het leven past. Integendeel, zelfs. Ook dat dringt stilaan door onder biologen. Dat het efficiëntiedenken en de economische rekensom van winst en verlies onvoldoende zijn om de veelvormigheid aan leven om ons heen te doorgronden. Door een al te beperkte lezing van de evolutietheorie hebben we de wereld lang geïnterpreteerd als strijdtoneel van enkel winnaars en verliezers. Maar hoe meer we zien en weten, hoe duidelijker wordt dat samenwerking minstens zo essentieel is. Naast uw boeken over tal van dieren, schreef u er ook een over de dood. Omdat ze een universeel kenmerk van het leven is? Despret:Meestal maak ik een algemene vraag persoonlijk. Met Au bonheur des morts volgde ik de omgekeerde weg. Ik trok het persoonlijke open naar het algemene. In 2003 verloor ik mijn jongste zus. Een man reed in op haar auto en zij was op slag dood. Ze was jong, mooi, moeder van drie jonge kinderen. Het was een onafgewerkt leven. Wat verwacht ze van ons, vroeg ik me af. En verder: wat verwachten de doden van ons? Hoe bewijzen we hen eer? Na de dood van zijn vrouw ging mijn schoonbroer naar de psycholoog. Wat vertel je je kinderen, vroeg ze hem. Ik ben gelovig, antwoordde hij, ik vertel hen dat ze in de hemel is en over hen waakt. De psycholoog vroeg hem of het niet beter was te zeggen dat het leven eindigt bij de dood. Ik vond dat een bijna gewelddadige formulering, ook al ben ik zelf niet gelovig. Het viel me ook op hoeveel mensen die ik kende en die iemand verloren hadden, bleven communiceren met de doden. Daarover wilde ik het hebben. Hoe we in een materialistische en ontkerkelijkte samenleving als de onze, toch de doden in ons midden houden en welke rituelen we daaromheen ontwikkelen. Als verwerking voor uw eigen verlies? Despret:Nee, ik geloof niet in schrijven als therapie. Ik hoopte eerder het rauwe verdriet van mijn ouders te stelpen. Beiden hebben op het einde van de oorlog hun vader verloren. De vader van mijn moeder was lid van het Brusselse verzet. Hij is aangehouden, samen met zijn beste vriend, en naar een concentratiekamp afgevoerd. Op het moment van de bevrijding is hij gestorven. In de armen van een Engelse soldaat. Mijn moeder heeft daar erg van afgezien, ze keek enorm op naar haar vader en herinnert hem zich met tederheid. Mijn ouders hebben elkaar gevonden als halve wezen. Van de vijf kinderen die ze kregen, leven er nog drie. Mijn oudste zus stierf begin jaren tachtig aan leukemie. Ik heb zelf een zoon en het is een cliché, maar een ouder zou zijn kind niet mogen overleven. Ik zag de pijn van mijn ouders en zocht een manier om troost bieden. Daar geloof ik wel in. Schrijven als troost en om wat er niet meer is, levendig te houden. (glimlacht) Ook daarin is de mens niet uniek. We zijn niet het enige dier dat rouwt. We doen het gewoon anders. Fascinerend, toch?