We hadden er een dodelijk virus voor nodig. Pas toen ze daaraan begonnen te bezwijken, herinnerden we ons dat er ook nog tachtigplussers deel uitmaken van de samenleving. Journaal na journaal, krant na krant nam de aandacht voor die oudste Vlamingen toe. Dat is op zich natuurlijk positief, want doorgaans kijken we niet al te vaak hun kant op.
...

We hadden er een dodelijk virus voor nodig. Pas toen ze daaraan begonnen te bezwijken, herinnerden we ons dat er ook nog tachtigplussers deel uitmaken van de samenleving. Journaal na journaal, krant na krant nam de aandacht voor die oudste Vlamingen toe. Dat is op zich natuurlijk positief, want doorgaans kijken we niet al te vaak hun kant op. De voorbije jaren hoorde ik van veel tachtigplussers - of ze nu huisvrouw, bouwvakker, bankdirecteur of minister waren geweest - dat ze zich na hun tachtigste steeds onzichtbaarder waren gaan voelen. Niet dat hun lichaam werd genegeerd, want daar hebben we net heel veel aandacht voor. Het is zoals Paula D'Hondt (93), ooit minister voor de CVP en later koninklijk commissaris voor het Migrantenbeleid, uitlegt: 'Men denkt vaak dat oude mensen al tevreden zijn als ze goed worden verzorgd. Maar dat volstaat natuurlijk niet. Haast alle vrienden van mijn leeftijd krijgen de nodige zorgen en toch voelen de meesten zich uitgesloten en eenzaam.' Meestal begint dat als het lijf niet zo goed meer meewil. Met de beste bedoelingen begint je omgeving je dan meer en meer uit handen te nemen. Zodat jij je daar allemaal geen zorgen meer over hoeft te maken en kunt uitrusten. Eerst worden je autosleutels in beslag genomen, dan neemt iemand je bankzaken over en geleidelijk verdwijnt nog een hele resem andere beslommeringen. Tot er niet zo gek veel meer overblijft. Zo wordt het voor een tachtigplusser op den duur niet alleen moeilijker om zichzelf te blijven, maar ook om een reden te vinden om 's ochtends nog uit bed te komen. In al onze ijver zijn we ons er doorgaans niet van bewust dat we steeds minder ruimte laten voor de mens die zo'n oudere altijd is geweest. In plaats daarvan zien we hem als een van de vele tachtigplussers. Eva Bal (81), de oprichtster van het Gentse kinder- en jeugdtheater Kopergietery, wist dat een tijd geleden als geen ander te verwoorden. 'Tachtig ben ik nu, maar zo voel ik me helemaal niet', zei ze. 'Zo zie ik mezelf ook niet. Het is niet van mijn spiegelbeeld dat ik schrik, maar wel van hoe anderen me soms zien. Ze reduceren me tot mijn leeftijd.' Dat we anders naar hen kijken, blijkt elke dag weer uit onze contacten met ouderen. Wanneer je met een vrouw van 85 praat, doe je dat op een andere toon en met een andere lichaamstaal dan tijdens een babbel met een vriendin van je eigen leeftijd. De kans is heel groot dat je niet dezelfde vragen stelt of dezelfde oplossingen suggereert. U denkt dat ú zich daar niet aan bezondigt? Dat hoor ik wel vaker. Daarom doe ik tegenwoordig een kleine test als ik een lezing of een college over het leven van tachtigers geef. Eerst laat ik een foto zien van het televisieprogramma Hotel Römantiek. Daarin gaan Otto-Jan Ham en zijn kompanen samen met een groep singles op leeftijd op reis in de hoop dat de passie zal oplaaien. Wat ook geregeld gebeurt. Als ik die foto projecteer, stijgen er meestal heel vertederde reacties uit de zaal op. 'Oh, zo schattig', roept er altijd wel iemand. Oude mensen zijn schattig. Vervolgens toon ik een tweede foto: een fragment uit een reclamespot voor inbouwhaarden met een halfnaakt, innig kussend bejaard koppel op de voorgrond. Meestal begint mijn publiek dan te grinniken en zwelt het geroezemoes aan tot er hardop wordt gelachen. Maar die hilariteit verstomt meteen weer als ik een beeld laat zien uit het boek Geliefden - Timeless Love van de Nederlandse fotografe Marrie Bot. Een prachtige, intieme foto van twee naakte, verstrengelde geliefden. Hun lijven wat uitgezakt met een door het leven getekende huid. Echte mensen dus. Maar wel mensen die grote afkeer opwekken. Altijd weer zitten er in de zaal een paar toehoorders die dat ook hardop laten merken. Walgelijk vinden ze de foto. En dan keer ik terug naar het beeld van Hotel Römantiek. Stel dat ik een foto had laten zien van een soortgelijk programma met jongere deelnemers. Dan was het wellicht Temptation Island of Love Island geweest. Niemand had dát schattig gevonden, toch? En die tweede foto van de inbouwhaarden zou dan een fragment uit zo ongeveer elke reclame voor frisdrank of deodorant kunnen zijn. Doorgaans krijgen we daar de slappe lach niet van. Vervang ten slotte de naakte geliefden door twintigers of zelfs veertigers en niemand kijkt ervan op als we die foto zouden publiceren bij een reportage in Knack. Hoezo, we kijken niet anders naar tachtigplussers dan naar onze leeftijdgenoten? Onschuldig is dat niet. De manier waarop we ouderen zien, is heel bepalend voor hoe we met hen omgaan en voor hen zorgen. En bij uitbreiding ook voor het beleid op het vlak van ouderen(zorg). Het was weer Eva Bal die in dat verband een rake observering maakte: 'Het is alsof alle tachtigers één groot blok vormen en amper nog van elkaar te onderscheiden vallen. Allemaal met dezelfde noden, verlangens, smaken en problemen.' Dat ze een punt heeft, blijkt uit zo ongeveer elke beleidsmaatregel in verband met tachtigplussers. Neem het alom ingeburgerde idee dat elke Vlaming tot het eind thuis wil blijven wonen. In volle coronacrisis, terwijl er zich in sommige woonzorgcentra drama's afspeelden, gingen er stemmen op om het beleid in de toekomst nog veel meer op dat thuis wonen af te stemmen. Nu roept u misschien spontaan dat u er niet aan mag denken om op een dag naar een woonzorgcentrum te moeten verhuizen. Dat is uw goed recht, en u bent zeker niet alleen. Maar dat betekent nog niet dat iedereen thuis beter af is en dat alle Vlamingen daar tot hun laatste uur willen blijven wonen. Zeker niet als ze alleen leven. Dat heb ik met eigen ogen gezien toen ik mee op ronde ging met een thuisverpleger. Veel van zijn cliënten waren hoogbejaarde dames, die hij ergens tussen zeven en acht uur 's ochtends uit bed haalde, hielp bij het wassen en aankleden en vervolgens in een luie stoel bij het raam installeerde. Een uur of twaalf later zou een van zijn collega's langskomen om diezelfde mensen al even gedienstig te helpen uitkleden en in bed te leggen. Velen van hen zagen tussendoor hoogstens de poetshulp. De voorbije jaren heb ik vaak aan ouderen die amper nog voor zichzelf kunnen zorgen gevraagd of ze niet overwogen om naar een woonzorgcentrum te verhuizen. Sommigen bleken mordicus thuis te willen sterven. Ook al was dat huis soms te groot en te onhandig geworden, ook al waren ze vaak eenzaam. Maar ik sprak ook met mensen die zich daar helemaal niet zo goed bij voelen. Toch durven ze niet over een mogelijke verhuizing naar een woonzorgcentrum te beginnen omdat hun omgeving het vanzelfsprekend lijkt te vinden dat ze thuis beter af zijn. Anderen worden vooral afgeschrikt door de belabberde reputatie van woonzorgcentra of door de hoge rusthuisfacturen. Hoe dan ook mogen we er niet zomaar van uitgaan dat elke Vlaming zolang mogelijk thuis wil blijven wonen. Radiocoryfee Lutgart Simoens (91), bijvoorbeeld, vroeg haar kinderen begin vorig jaar om een geschikt woonzorgcentrum voor haar te zoeken. Het huis waar ze haar kroost had grootgebracht en achtereenvolgens met twee ondertussen overleden partners had gewoond, was haar veel te groot geworden. Elk schilderij, elk bord, elk tafellaken herinnerde haar ook aan twee van haar kinderen die kort daarvoor waren gestorven. In een woonzorgcentrum zou ze tenminste weer onder de mensen komen. Ook tijdens de coronacrisis bleek keer op keer dat de samenleving tachtigplussers als één groot blok ziet. Vooral toen de Nationale Veiligheidsraad al op 15 april, een maand nadat er in alle Vlaamse woonzorgcentra een bezoekverbod was ingesteld, plompverloren aankondigde dat er weer één bezoeker per bewoner zou worden toegelaten. Dat die maatregel totaal niet met de sector was doorgesproken, zegt veel over de achting van de overheid voor het zorgpersoneel en de rusthuisdirecties. Maar ook over hoe er naar de bejaarde bewoners wordt gekeken. Alsof ze het allemáál ondraaglijk vinden om hun kinderen een paar maanden niet te kunnen aanraken en nog liever ziek worden dan eenzaam te moeten zijn. Dat geldt inderdaad voor veel tachtigplussers, maar zeker niet voor iedereen. De dag na de aankondiging van de Veiligheidsraad, die ondertussen alweer was teruggedraaid, stonden familieleden tevergeefs voor de deur van woonzorgcentra. Maar niet alle bewoners met wie ik belde, waren teleurgesteld omdat het grote weerzien nog niet voor meteen was. Sommigen bleken veel banger te zijn voor het virus dan voor de eenzaamheid. Maar ook aan hen was niets gevraagd. Hoe meer aandacht er voor de oudste Vlamingen was, hoe meer er over hun hoofden heen werd gepraat. Of zoals rusthuisbewoonster Trees D. (87) een paar weken geleden zei: 'In het journaal gaat het nu de hele tijd over ons. Iedereen is toch zo bezorgd dat we zullen sterven. Is het niet door het virus, dan wel van eenzaamheid. De hele tijd worden personeelsleden van woonzorgcentra geïnterviewd over het lot van de bewoners terwijl ze iemand helpen skypen of in een rolstoel door de gangen duwen. Maar zo'n telegenieke figurant zelf eens vragen wat hij of zij ervan vindt, doen ze niet. Hoogstens mag de bejaarde van dienst iets vertederends uitkramen.' Altijd weer komt het op hetzelfde neer: wij denken te weten wat het beste is voor ouderen en willen hen in de eerste plaats beschermen. Niet alleen tegen alle mogelijke gevaren van buitenaf, maar ook tegen zichzelf. Het liefst hebben we dat ze in een luie stoel met een dekentje over hun knieën bij de verwarming zitten en mijmerend door het raam staren. Lekker veilig, maar ook ontzettend saai. Daarbij vergeten we constant dat veel tachtigplussers, of ze nu thuis of in een woonzorgcentrum wonen, wilsbekwame volwassenen zijn. Dat betekent dat ze het recht hebben om zelf over de kleine en grote dingen in hun leven te beslissen. Of we het nu met die beslissingen eens zijn of niet. In theorie zijn we er meestal helemaal voor dat ouderen minstens inspraak krijgen, maar in de praktijk gebeurt dat vaker niet dan wel. Al zijn er plekken waar daar echt aan wordt gewerkt: de woonzorgcentra. Wellicht kijkt u daarvan op, want die hebben in Vlaanderen geen al te beste reputatie. Door de coronacrisis worden ze nu zelfs nog openlijker sterfhuizen of wachtkamers van de dood genoemd dan vroeger. Veel heeft natuurlijk te maken met de horrorverhalen over woonzorgcentra waar bewoners al om vier uur in de namiddag in bed worden gelegd voor de nacht, kalmeerpillen te slikken krijgen of systematisch aan hun fauteuil worden vastgegespt. Die excessen bestaan en moeten met man en macht worden bestreden, maar in het gros van de woonzorgcentra is de zorg echt wel naar behoren. Mensen krijgen er voedzame maaltijden, worden elke dag geholpen bij het wassen en aankleden en wonen in een perfect schoongemaakte kamer. Dat stugge en ook wel gedateerde concept, dat vooral op regelmaat en efficiëntie stoelt, is namelijk nog altijd wat in Vlaanderen onder goede zorg wordt verstaan. Toch is het in die woonzorgcentra dat er de laatste jaren, heel langzaam en mondjesmaat, experimenten worden opgezet om bewoners de touwtjes van hun leven zo veel mogelijk zelf in handen te laten houden. Dat wil zeggen dat de directie hen mee laat beslissen over wat er wordt gegeten, hoe Pasen of Moederdag wordt gevierd, welke activiteiten er worden georganiseerd en hoe ze hun kamer willen inrichten en decoreren. Vaak gaat dat met vallen en opstaan en soms lukt het hoegenaamd niet, maar ze proberen het tenminste wel. Toegegeven, er zijn nog altijd directies die daar totaal niet voor openstaan en personeelsleden die zich er zelfs tegen verzetten. Maar steeds meer directeurs, psychologen, verpleegkundigen en zorgkundigen proberen echt wel iets te veranderen. Alleen lopen ze daarbij de hele tijd tegen hindernissen aan. Dat komt niet alleen door een tekort aan mensen en middelen in de sector, maar ook doordat er iets mankeert aan de financiering van de ouderenzorg. Het huidige systeem zorgt immers voor een oververtegenwoordiging van zwaar zorgbehoevende bewoners enerzijds en van laag opgeleid personeel anderzijds. Een betere mix zou de sector een pak aantrekkelijker kunnen maken. Zowel om er te wonen als om er te werken. Op dat vlak houdt de coronacrisis overduidelijk kansen in. Hoe langer de deuren van de woonzorgcentra gesloten blijven, hoe groter de inkijk die buitenstaanders krijgen. De meeste Vlamingen zetten immers nooit een stap in een woonzorgcentrum. Ze hebben geen idee hoe daar wordt gewerkt, wie daar rondloopt, hoe het dagelijkse leven er zijn gang gaat. Maar de voorbije maanden kon je plots niet meer naar het journaal kijken of geen krant meer openslaan zonder reportages en getuigenissen uit woonzorgcentra onder ogen te krijgen. Daardoor zijn veel mensen gaan beseffen hoe belangrijk de ouderenzorg wel niet is. Vandaar de hoop dat er na de crisis eindelijk meer in de sector zal worden geïnvesteerd. Zodat er een stevig middenkader in dienst kan worden genomen, bewoners meer personeelsleden om zich heen zullen hebben en de kwaliteit van de zorg kan worden verbeterd. Of dat ook realistisch is, zal nog moeten blijken. Maar zelfs als de Vlaamse regering straks een dikke envelop met geld op tafel legt, zal er in wezen niet veel veranderen zolang we niet anders naar tachtigplussers kijken. Zolang we niet inzien dat het niet volstaat om hen te beschermen en hen in die luie stoel met dat dekentje bij de verwarming neer te poten. Zolang we niet op het idee komen om hen zelf eens te vragen wat ze ervan vinden. Zolang we niet onder ogen zien dat een mens niet gelukkig wordt van een voedzame maaltijd en een gewassen lijf alleen.