Geert Buelens zegt het. Mark Elchardus zegt het. Bruno Tobback zegt het. Naast alle onderlinge verschillen verkondigen deze drie onbeschaamd linkse opiniemakers de laatste weken een gelijklopende boodschap: de linkse elite is jarenlang veel te pretentieus geweest, niet alleen ten aanzien van rechtse intellectuele tegenstanders, maar evengoed tegenover de arbeiders, de lagere middenklasse en de minder hoog opgeleiden die ze nochtans zei te verdedigen. Het was literatuurwetenschapper Buelens die naar aanleiding van zijn boek De jaren zestig een dikke twee maanden geleden in Knack de lont in het kruitvat stak: 'We betalen de culturele arrogantie van de babyboomers nog altijd cash.' Toen links begon mee te heulen met de macht, klonk het, verraadde het zijn eigen kritisch potentieel: 'Als de avant-garde niet meer tegen de macht is, waar is ze dan nog tegen? Alleen tegen het klootjesvolk? Hoe asociaal is dat!' In De Standaard had hij het over 'een enorm...

Geert Buelens zegt het. Mark Elchardus zegt het. Bruno Tobback zegt het. Naast alle onderlinge verschillen verkondigen deze drie onbeschaamd linkse opiniemakers de laatste weken een gelijklopende boodschap: de linkse elite is jarenlang veel te pretentieus geweest, niet alleen ten aanzien van rechtse intellectuele tegenstanders, maar evengoed tegenover de arbeiders, de lagere middenklasse en de minder hoog opgeleiden die ze nochtans zei te verdedigen. Het was literatuurwetenschapper Buelens die naar aanleiding van zijn boek De jaren zestig een dikke twee maanden geleden in Knack de lont in het kruitvat stak: 'We betalen de culturele arrogantie van de babyboomers nog altijd cash.' Toen links begon mee te heulen met de macht, klonk het, verraadde het zijn eigen kritisch potentieel: 'Als de avant-garde niet meer tegen de macht is, waar is ze dan nog tegen? Alleen tegen het klootjesvolk? Hoe asociaal is dat!' In De Standaard had hij het over 'een enorme cultuur van dedain van "ons soort mensen" tegen "dat soort mensen"', die vooral in de jaren negentig groeide als een gezwel: 'Wat hebben we gelachen met mensen die een VTM-sticker op hun auto hadden!' Van IS-terroristen via Blok-kiezers en Trump-stemmers tot de incels: elke keer weer blijkt dat socio-economische achterstelling geen afdoende verklaring biedt voor woede en geweld. Bij de incels - de mannelijke involuntary celibates die van hun gebrek aan succes bij vrouwen een slachtoffercomplex hebben gemaakt - is dat duidelijk: ze kunnen best bemiddeld zijn en toch rotgefrustreerd, tot een aanslag in Toronto toe. Ook van moslimterroristen is bekend dat ze lang niet allemaal arm waren. Wel kampen deplorables en andere boze burgers doorgaans met een diep gevoel van vernedering, dat in de meest dramatische gevallen de grootst mogelijke agressie oproept, zelfs als ze rechtstreeks en overduidelijk tot zelfvernietiging leidt. Als de dominante sociale klassen het niet alleen beter hebben dan andere, maar die andere klassen ook nog eens kleineren, 'dom' noemen of onverdraagzaam, dan gaat het deksel er pas echt af. Die culturele arrogantie, zo wordt aannemelijk gemaakt, is minstens even belangrijk voor een goed begrip van maatschappelijke woede als de socio-economische achterstelling. Ook van de volkswoede tegen het linkse liberalisme, zoals bij Le Pen- of Wildersstemmers. Zou het kunnen dat die zelfkritiek van links nu pas op de voorgrond treedt omdat de boodschap nog vervelender is - pijnlijker, persoonlijker - dan die andere verklaring voor de instorting van de sociaaldemocratie: het meeheulen met het neoliberalisme? Oud-SP.A-voorzitter Bruno Tobback zei een paar weken geleden dat in de jaren zestig een 'culturele elite' is gecreëerd die 'soms op het plebs neerkijkt'. Afgelopen weekend vatte de linkse ideoloog Mark Elchardus, die al langer op dat spijkertje hamert, het netjes samen in De Morgen: 'Mijn punt is dat de intellectuele elite niet het recht heeft om de opvattingen van laaggeschoolden als dom of racistisch te beschouwen.' Als het niet alleen de derde weg of de banken zijn die de macht van de linkerzijde hebben aangetast, moeten intellectuelen ook een deel van de rekening betalen: zij zijn zélf ook betrokken partij. Lacht rechts ondertussen in zijn vuistje? Terwijl links nog een rondje zwartepiet speelt, met miniburgeroorlogjes onder intellectuelen, drukt rechts bij het volk op alle knopjes die de nieuwe verkiezingsoverwinning moeten opleveren. Zou links, als het nog iets wil voorstellen, puur strategisch niet beter gewoon op de one percent blijven schieten? Misschien. Maar het zou ook kunnen dat de kritiek van de 'culturele arrogantie' de weg weer opent naar een publiek dat links is kwijtgespeeld, een weg naar een hervonden authenticiteit en focus ook: van goede pensioenplannen via de aanval op de schuldenindustrie tot de striemende aanklacht tegen een regering die vooral lippendienst bewijst aan de strijd tegen de fiscale fraude, maar niet veel meer. Met de aanstelling van Cédric Frère bij de Nationale Bank, of de wereldvreemde Vlaamse subsidies voor de lobbygroep De Warande, lijkt het betonrot van de hypocrisie langzaam het andere kamp aan te tasten. Dat is logisch: hypocrisie volgt altijd de macht, het grote geld en het pluche. Na de pijnlijke fase van de zelfkritiek ligt de weg open voor de meest natuurlijke positie van links: die van kritiek op het ondertussen centrumrechtse establishment, dat ook neerkijkt op het plebs en het met nog minder omzien laat stikken, maar er voorlopig nog in slaagt dat dedain te verbergen.