Het is de missie van de Vlaamse Bouwmeester om na te denken over architectuurkwaliteit. Die opdracht lijkt Erik Wieërs op het lijf geschreven, als we afgaan op zijn curriculum: na zijn studies architectuur aan de Universiteit Antwerpen (afstudeerjaar 1987) trok hij naar de Vrije Universiteit Brussel om daar in 1991 een diploma wijsbegeerte te behalen.
...

Het is de missie van de Vlaamse Bouwmeester om na te denken over architectuurkwaliteit. Die opdracht lijkt Erik Wieërs op het lijf geschreven, als we afgaan op zijn curriculum: na zijn studies architectuur aan de Universiteit Antwerpen (afstudeerjaar 1987) trok hij naar de Vrije Universiteit Brussel om daar in 1991 een diploma wijsbegeerte te behalen. De aanhef van het gesprek is dan ook meteen erg filosofisch. 'Ik denk graag na over de betekenis van schoonheid en hoe de dingen in elkaar zitten. Maar ik weet niet of je door filosofie te studeren een aparte kijk op architectuur krijgt, dan wel dat die interesse er in wezen altijd al was en ik daarom wijsbegeerte volgde. Wat me bijzonder interesseert, is om de dingen in een zo ruim mogelijk kader te plaatsen. Toen ik architectuur studeerde, miste ik dat globale overzicht. Dat krijg je door je niet alleen op het praktische toe te leggen, maar ook op de geschiedenis, de cultuur en de theorie.' Wat is goede architectuur? ERIK WIEËRS: Om tot een goed gebouw te komen, is het van belang een heel proces te doorlopen - een proces dat begint met het stellen van een goede vraag. De allereerste Bouwmeester, bOb Van Reeth, legde twintig jaar geleden al de nadruk op een krachtige projectdefinitie, een goede omschrijving van de problematiek. Er komt veel meer naar de tekentafel dan oppervlaktes en plannen. Je moet als opdrachtgever je ambities duidelijk maken en helder omschrijven waar je naartoe wil. Zo moet je als publiek opdrachtgever verder kijken dan de oplossingen die een openbaar gebouw moet bieden voor concrete noden, en ook oog hebben voor de gebruikers en voor de publieke ruimte rondom. Dáár al begint kwaliteit. Dat blijft mij intrigeren aan goede architectuur. Enerzijds heeft het altijd een praktisch aspect, want het dient ergens voor. Anderzijds slaagt het er op de een of andere manier in om daar een poëtische dimensie aan te koppelen en er op die manier een extra betekenislaag aan te geven. De koppeling van die twee is schoonheid die de esthetiek overstijgt. Schoonheid is dus geen doel op zich, maar een antwoord op een vraag? ERIK WIEËRS: De ervaring van pure schoonheid in architectuur is niet waar we naar streven. Wat telt, is de onderlinge relatie tussen mooi en praktisch. Nochtans krijgen architecten vaak wereldfaam door hun opvallende projecten die niet meteen voldoen aan uw visie. ERIK WIEËRS: Ach, waarom wordt iemand bekend? Je hebt ook wereldberoemde zangers die niet kunnen zingen. Dat is niet anders bij architecten. Sommigen zijn hard bezig met zichzelf en hun public relations, en trekken zo veel aandacht naar zich toe. Maar veel aandacht is niet altijd een garantie voor veel kwaliteit. U bent medeoprichter van het Antwerpse architectenbureau Collectief Noord. Wat zijn de voordelen van het collectieve? ERIK WIEËRS: In de stad hebben we behoefte aan publiek domein. Om buiten te komen; om mensen te zien, vooral. We hebben ook behoefte aan privacy. De coronacrisis toont pijnlijk het belang aan van kwaliteitsvolle private ruimte waarin je je kunt terugtrekken. Mensen die te klein behuisd zijn, met kinderen die online les moeten volgen terwijl de ouders telewerken in dezelfde ruimte... dat is een probleem. Tussen dat publieke domein en die privacy zit een tussenschaal: de collectieve ruimte waar je iedereen kent en waar je je min of meer geborgen voelt. Denk aan de hal van een appartementsgebouw. In de collectieve ruimte kom je mensen tegen die je kent: buren, medebewoners... Het belang daarvan is moeilijk te overschatten. Het gaat om datgene waarvan veel mensen vinden dat ze het verloren zijn en als een groot gemis ervaren: het gevoel dat je vroeger in een dorp had. Als je iedereen kent, groeit het vertrouwen in je omgeving. In de grote stad zijn veel mensen dat vertrouwen kwijt, wat leidt tot angst en frustratie. We moeten dringend opnieuw inzetten op die tussenschaal, op de collectieve ruimte waar je voor elkaar zorgt, waar je aandacht hebt voor elkaar. Als architecten in hun ontwerpen en ruimtelijke plannen aandacht hebben voor de collectieve ruimte ligt daar de kans om een nieuwe structuur voor de stad te bouwen. We moeten vormgeven aan de drie sociaalpsychologische ruimtelijke noden: privé, collectief en publiek. Soms maken heel eenvoudige ingrepen al een groot verschil. Neem nu rijtjeswoningen. Als je de voordeuren niet om de zes meter plaatst, maar ze spiegelt zodat ze telkens naast elkaar staan, verandert dat al de relatie tussen buren. Of neem nu zo'n dieper liggend inkomhalletje waar diverse voordeuren op uitgeven: ook dat geeft de mensen een groter thuisgevoel. Collectief klinkt voor nogal wat mensen als een halve vloek. ERIK WIEËRS: We zijn bijna geobsedeerd door het idee dat een huis van ons alleen is. Ik ben het er absoluut mee eens dat we privacy nodig hebben. Een plek voor onszelf. Veel cohousingprojecten zetten volgens mij in op te veel collectiviteit. Dat schrikt mensen af en ik begrijp hen. In een goed collectief project heb je voldoende privacy. Veel mensen die in een verkaveling wonen huldigen het principe 'mijn eigen huis op mijn eigen grond'. Maar als je hen aanspreekt over wat hen aantrekt in hun wijk, beland je gek genoeg snel bij het collectieve: 'Ik heb een goede buur', 'We gaan altijd bij elkaar aperitieven' of 'We hebben een straatfeest in de zomer en een nieuwjaarsdrink'. Grote nieuwbouwprojecten in de stad hebben vaak geen oog voor de collectieve ruimte. ERIK WIEËRS: Wat de woon- en bouwwereld in Vlaanderen echt typeert, is dat ook de ontwikkelaars door private ruimte gebiologeerd zijn. Die hal, die liftzone, die gemeenschappelijke gang houden ze het liefst zo klein mogelijk, want die verkopen ze niet. Die zien ze alleen als een nodeloze kost. Hun winstmodel is gebaseerd op zo veel mogelijk private ruimte omdat ze die kunnen verkopen. Ook de grondprijs wordt daarbij opgeknipt zodat elke bewoner een aandeel 'koopt'. De zogenaamde community land trusts omzeilen die valkuil. Daar hoef je geen eigenaar van de grond waarop je woning staat, te worden. ERIK WIEËRS: Dat is een zeer goede zaak. In Zwitserland zijn de wooncoöperatieven ingeburgerd. Volgens mij hebben die formules de toekomst. Als Team Vlaams Bouwmeester zijn we daarover met beleidsmakers in gesprek. Er zijn momenteel nog financiële en juridische obstakels om zo'n coöperatieve op te zetten. Er zijn verschillende modellen mogelijk, maar het basisidee is telkens hetzelfde: de grond blijft binnen de coöperatie en wie een aandeel koopt, verwerft woonrecht. Zo verdwijnt de grondspeculatie en wordt wonen goedkoper. Vandaag is betaalbaar wonen een probleem. Experts en beleidsmakers zeggen wel dat we opnieuw in de gemeentekernen en de steden moeten gaan wonen - iets wat ik absoluut onderschrijf - maar het is voor veel mensen onbetaalbaar. Niet alleen grond maakt bouwen duur, ook de strenge normen voor isolatie en energie kosten een flinke duit. Wegen de kosten op tegen de baten? ERIK WIEËRS: Een moeilijke kwestie. Ik vind dat het beleid in de evolutie naar een duurzame maatschappij veel verantwoordelijkheden bij de burgers legt. Isolatie is niet onbelangrijk als je weet dat de verwarming van private woningen een belangrijk deel van de CO2-uitstoot uitmaakt. Toch zouden we beter meer energie steken in de ontwikkeling van duurzame energiebronnen. Dat lijkt me een betere investering dan het potdicht isoleren van woningen. Niet alles blijft grijs in de stad. Groen is bezig aan een voorzichtige remonte? ERIK WIEËRS: Stilaan groeit het besef dat de ruimte die we nodig hebben om elkaar te ontmoeten aan waarde wint als die ook nog eens groen is. Mensen worden niet echt gelukkig in een volledig versteende omgeving. Meer groen is ook nog eens goed omdat het waterdoorlatend is en zo helpt om wateroverlast te voorkomen bij intense regen. Het tempert bovendien het hitte-eilandeffect en draagt bij tot een betere luchtkwaliteit. Er loopt een project over leefbuurten. We willen nagaan hoe we onze buurten leefbaar en toekomstbestendig kunnen maken door een nieuwe aanpak van het openbaar domein, met minder verharding en meer groen, een betere fietsinfrastructuur, minder auto's en meer ontmoetingsplekken. De Vlaamse Bouwmeester bestaat sinds 1999. U bent aan zet sinds de zomer van 2020. Wat erft u van uw voorgangers? ERIK WIEËRS: De Bouwmeester heeft twee kerntaken: de ondersteuning en begeleiding van publieke bouwheren bij concrete projecten, en de ontwikkeling van een sterke visie op en reflectie over architectuurkwaliteit. Dat laatste kan je doen door onderzoek, door pilootprojecten, door deel te nemen aan het publieke debat, cases te bestuderen, enzovoort. Het is onze taak het beleid mee aan te sturen en eventueel een nieuwe richting aan te geven. In de beginjaren lag de klemtoon misschien iets meer op die projectmatige begeleiding, en op de ontwikkeling van procedures om tot architectuurkwaliteit te komen. Sinds het mandaat van Peter Swinnen (2010-2015) gaat ook veel aandacht naar onderzoek en pilootprojecten. Het debat aanzwengelen is ook een kwestie van visie. Uw voorganger Leo Van Broeck (2016-2020) haalde met zijn ideeën geregeld de krantenkoppen. Hoe wil u uw rol invullen? ERIK WIEËRS: Leo wilde echt wegen op het debat. Door nieuwe fenomenen te onderzoeken en op de agenda te zetten, maar ook door naar de pers te stappen en zijn mening over de ruimtelijke toestand in Vlaanderen te geven. Een absolute verdienste die hij op zijn conto mag schrijven, is dat hij bij velen de ogen voor de relatie tussen ons versnipperde ruimtelijke landschap en een hele reeks maatschappelijke problemen opende: fileleed, CO2-uitstoot, slecht functionerend openbaar vervoer... Ik heb niet de neiging om a priori polemisch te zijn. Het ligt meer in mijn aard om dingen te begrijpen en te verzoenen. Ik denk dat straffe uitspraken ons ook niet altijd vooruithelpen. Mijn taak is om na te denken over de ruimte en de ruimtelijke ordening. Als ik mijn stem zal verheffen, zal het zijn om erop te wijzen dat de druk die auto's onze ruimtelijke ordening opleggen, aan het hilarische grenst. Ze nemen veel plaats in als ze stilstaan, voeden files als ze bewegen, stoten CO2 uit en steken de noodzakelijke modal shift stokken in de wielen. Maar ik besef ook hoe gevoelig dat allemaal ligt. Mensen voelen zich heel hard in hun rechten geschaad als je zegt: 'Zet die auto eens aan de rand van de stad en wandel die tien minuten naar het centrum.' Er zal nog veel water naar zee moeten vloeien voor een dergelijke gedragsverandering? ERIK WIEËRS: Het zal geen sinecure zijn. Voor veel mensen staat 'iets bereiken in het leven' gelijk met het bezit van een eigen huis, een eigen auto. Je raakt aan hun absolute eigenwaarde als je zegt: je woont verkeerd, je moet in dorpskernen gaan wonen, je moet gestapeld wonen, je ruilt beter je auto voor de trein of een elektrische fiets... Ik hoop dat we op termijn kunnen aantonen dat het voordelen biedt om dichter bij elkaar te wonen. Misschien komt die shift er automatisch als zal blijken hoe duur het is om al die vrijstaande woningen tegen 2050 CO2-neutraal te krijgen volgens de Europese Green Deal. Wat verandering van mentaliteit en gedrag alleszins nodig heeft, is tijd.