Waarom wordt een dergelijk cijfer dan toch opgenomen in het regeerakkoord? Het is namelijk niet zo dat er rond de tafel van de regeringsonderhandelingen geen arbeidsmarktexpertise aanwezig was. Misschien moeten we het wel in de communautaire sfeer zoeken?

Van 200.000 extra jobs naar een werkzaamheidsgraad van 80 procent.

Dat er überhaupt tewerkstellingsdoelstellingen in een regeringsakkoord staan, is vanuit historisch perspectief redelijk nieuw. Na de desastreuze oliecrisis in de jaren zeventig was de politiek enkele decennia vooral bezig met 'het terugdringen van de werkloosheid'. Het is pas in de loop van de jaren negentig dat het doel, onder meer onder druk van Europa, in de richting van meer werkgelegenheid verschoof. De lancering van het begrip 'actieve welvaartstaat' in de regeerverklaring van Verhofdstadt I was daar een duidelijke exponent van.

Veruit de grootste inspanning om een gemiddelde werkzaamheidsgraad van 80 procent te realiseren, zal van Brussel en Wallonië moeten komen.

Velen herinneren zich wellicht ook nog de doelstelling van 200 000 extra jobs die de regering Verhofstadt II (2003) beloofde. Het leverde behalve veel scepsis in de media ook het hoongelach op van oppositieleider Yves Leterme die opriep tot meer politieke bescheidenheid: 'Het zijn geen regeringen die jobs creëren, maar bedrijven.' Dat belette Leterme niet om enkele jaren later bij het aantreden van zijn regering exact dezelfde doelstelling op te nemen.

De vorige Zweedse regering was de eerste die uitdrukkelijk verwees naar de werkzaamheidsgraad in het regeerakkoord. Men verwees daarbij naar de afspraken die waren gemaakt met de Europese Unie in het kader van de Europese werkgelegenheidsstrategie. Deze hielden in dat België tegen 2020 een werkzaamheidsgraad van 73,20 procent diende te bereiken (in de leeftijdscategorie 20-65 jaar). Daarmee had België een lagere doelstelling dan het gemiddelde in Europa, namelijk 75 procent. België zal in elk geval deze doelstelling niet halen, net zoals het ook de eerdere Lissabon-doelstelling 2010 (een werkzaamheidsgraad van 70 procent in de leeftijdscategorie 15-65 jaar) niet heeft verwezenlijkt. We kunnen ons niet herinneren dat dit toen voor enige politieke ophef heeft gezorgd. Europa voorzag (en voorziet) op dit punt trouwens geen sancties.

We kunnen ons moeilijk voorstellen dat België naar Europa een ander cijfer zal kunnen suggereren dan wat in het regeerakkoord staat.

Het is dus nu voor de eerste keer dat een regering een eigen werkzaamheidsdoelstelling naar voor schuift. Europa heeft tot op heden nog geen algemene nieuwe norm voor 2030 bepaald. We kunnen ons echter moeilijk voorstellen dat België naar Europa een ander cijfer zal kunnen suggereren dan wat in het regeerakkoord staat. Met een streefcijfer van 80 procent is de kans groot dat België nu duidelijk boven het Europese gemiddelde zal liggen. En dat dus terwijl ons land de vorige doelstelling, die al flink onder het Europese gemiddelde lag, duidelijk niet heeft gehaald. In de Europese rangschikking zakten we van een twintigste naar een 24ste plaats. Slechts vier landen doen het inzake werkzaamheidsgraad minder goed dan België.

Het minste wat we kunnen zeggen is dat de lat nu flink hoger wordt gelegd. Met 80 procent zou België van de 24ste naar de zesde plaats springen. De Vivaldi-regering had het zich iets gemakkelijker kunnen maken door aan te geven dat België zo snel als mogelijk de huidige Europese doelstelling van 75 procent wilde bereiken. 75 procent is de huidige werkzaamheidsgraad van Vlaanderen. Dit doortrekken naar België is al behoorlijk ambitieus.

De Vivaldi-regering had het zich iets gemakkelijker kunnen maken door aan te geven dat België zo snel als mogelijk de huidige Europese doelstelling van 75 procent wilde bereiken.

Een stijging van tien procentpunt op tien tijd is ook in een internationale context redelijk uniek. Spanje bijvoorbeeld zag de werkzaamheidsgraad tussen 2013 en 2019 weliswaar toenemen met 9 procentpunt (van 59 procent in 2013 naar 68 procent in 2019), maar verloor liefst 11 procentpunt tussen 2007 en 2013. Een situatie die dus niet met de Belgische te vergelijken is. In ons land vertrekken we nu voor alle duidelijkheid van de hoogste werkzaamheidsgraad ooit opgetekend.

Duitsland kende wellicht de meest fundamentele arbeidsmarkthervorming in de Europese Unie (Hartz) tussen 2003 en 2005 en zag dit bekroond met een stijging van de werkzaamheidsgraad van maar liefst twaalf procentpunt (van 69 naar 81 procent). Maar ook Duitsland slaagde er niet in de werkzaamheidsgraad met tien procent op tien jaar op te krikken. We willen de hervormingsdrang van Vivaldi niet onderschatten, maar er is geen schijn van kans dat deze de Duitse ook maar zal benaderen. Het feit dat de regering bijna alle te nemen arbeidsmarktmaatregelen doorverwijst naar de sociale partners wekt in deze sowieso niet al te veel vertrouwen. Er zal een heel sterke politieke sturing noodzakelijk zijn om de sociale partners in beweging te krijgen. De vorige Zweedse coalitie is daar in elk geval onvoldoende in geslaagd. Aan de nieuwe regering om te bewijzen dat ze het beter kunnen.

Een stijging van tien procent komt ook neer op een behoefte 700.000 extra werkenden, of 70.000 per jaar. Dat is weliswaar een haalbaar cijfer op jaarbasis (in 2019 is dat cijfer bijvoorbeeld gehaald), maar nooit als een gemiddelde op tien jaar. Per decennium is er immers een heel grote kans op een recessie die het gemiddelde naar omlaag haalt. Deze recessie hebben we nu al onder de vorm van corona.

Waarom dan toch dit irrealistisch cijfer in deze regeerverklaring? Nogmaals, er zaten voldoende mensen met arbeidsmarktkennis rond de tafel. Ik zie voorlopig maar één verklaring. De kloof inzake werkzaamheidsgraad tussen Vlaanderen, Wallonië en Brussel is torenhoog (respectievelijk 75,30 procent, 64,60 procent en 61,7 procent) en ook onder de vorige regering is deze kloof er niet kleiner op geworden. Integendeel. Wat de Vivaldi-regering in feite belooft, is dat het komend decennium de kloof inzake werkzaamheidsgraad tussen Vlaanderen, Brussel en Wallonië grotendeels zal worden weggewerkt. Uit de Europese cijfers leren we dat een werkzaamheidsgraad van 80 procent nagenoeg een maximum is. Veel rek naar boven zit er dan niet meer op. Alleen Zweden zit op dit ogenblik ietsje boven deze norm met 82 procent. Veruit de grootste inspanning om te komen tot een Belgisch gemiddelde van 80 procent zal dus van Brussel en Wallonië moeten komen. Gezien Vlaanderen onmogelijk boven de 80 procent kan uitkomen, kunnen Brussel en Wallonië ook niet sterk onder deze 80 procent blijven. Het minste wat we kunnen zeggen is dat dit regeerakkoord de druk op Wallonië en Brussel sterk opvoert, veel meer in elk geval dan bij de vorige regering. Als dit de bedoeling is geweest, dan is dit prima gedaan van de Vlaamse minderheid.

Ik zou het al geen slechte prestatie vinden indien we op het einde rit ongeveer op het beginniveau staan.

Maar daarmee is het hele verhaal nog niet verteld. Wat opvalt in de regeerverklaring rond werk is dat corona heel weinig aandacht krijgt. Nochtans zal de pandemie de werkzaamheidsgraad doen dalen. De oorspronkelijke voorziene afname van 170.000 jobs (in 2020 en 2021) is intussen teruggebracht tot 90.000. Vooraleer we aan de weg naar boven beginnen, zullen we het cijfer dus eerst twee jaar zien dalen. Pas in 2022 kan de remonte echt worden ingezet. Gezien de redelijk korte regeringstijd (iets meer dan drie jaar) lijkt het me niet overdreven te stellen dat binnen deze periode er vermoedelijk niet zo veel gaat gebeuren. Ik zou het al geen slechte prestatie vinden indien we op het einde rit ongeveer op het beginniveau staan.

De 400 miljoen winst voor de begroting die men in 2024 denkt te halen uit een verhoogde werkzaamheidsgraad is in elk geval heel optimistisch. Na de financiële crisis (2008) duurde het maar liefst acht jaar vooraleer we weer op het werkzaamheidsniveau zaten van voor de crisis. Een flink deel van het regeerwerk zal dus het beheren van de coronacrisis zijn. Pas nadien kan de rit richting 80 procent worden ingezet. Dat zal gebeuren onder de auspiciën van een nieuwe regering. En wie kan nu al voorspellen hoe die er gaat uitzien?

Waarom wordt een dergelijk cijfer dan toch opgenomen in het regeerakkoord? Het is namelijk niet zo dat er rond de tafel van de regeringsonderhandelingen geen arbeidsmarktexpertise aanwezig was. Misschien moeten we het wel in de communautaire sfeer zoeken?Dat er überhaupt tewerkstellingsdoelstellingen in een regeringsakkoord staan, is vanuit historisch perspectief redelijk nieuw. Na de desastreuze oliecrisis in de jaren zeventig was de politiek enkele decennia vooral bezig met 'het terugdringen van de werkloosheid'. Het is pas in de loop van de jaren negentig dat het doel, onder meer onder druk van Europa, in de richting van meer werkgelegenheid verschoof. De lancering van het begrip 'actieve welvaartstaat' in de regeerverklaring van Verhofdstadt I was daar een duidelijke exponent van.Velen herinneren zich wellicht ook nog de doelstelling van 200 000 extra jobs die de regering Verhofstadt II (2003) beloofde. Het leverde behalve veel scepsis in de media ook het hoongelach op van oppositieleider Yves Leterme die opriep tot meer politieke bescheidenheid: 'Het zijn geen regeringen die jobs creëren, maar bedrijven.' Dat belette Leterme niet om enkele jaren later bij het aantreden van zijn regering exact dezelfde doelstelling op te nemen. De vorige Zweedse regering was de eerste die uitdrukkelijk verwees naar de werkzaamheidsgraad in het regeerakkoord. Men verwees daarbij naar de afspraken die waren gemaakt met de Europese Unie in het kader van de Europese werkgelegenheidsstrategie. Deze hielden in dat België tegen 2020 een werkzaamheidsgraad van 73,20 procent diende te bereiken (in de leeftijdscategorie 20-65 jaar). Daarmee had België een lagere doelstelling dan het gemiddelde in Europa, namelijk 75 procent. België zal in elk geval deze doelstelling niet halen, net zoals het ook de eerdere Lissabon-doelstelling 2010 (een werkzaamheidsgraad van 70 procent in de leeftijdscategorie 15-65 jaar) niet heeft verwezenlijkt. We kunnen ons niet herinneren dat dit toen voor enige politieke ophef heeft gezorgd. Europa voorzag (en voorziet) op dit punt trouwens geen sancties.Het is dus nu voor de eerste keer dat een regering een eigen werkzaamheidsdoelstelling naar voor schuift. Europa heeft tot op heden nog geen algemene nieuwe norm voor 2030 bepaald. We kunnen ons echter moeilijk voorstellen dat België naar Europa een ander cijfer zal kunnen suggereren dan wat in het regeerakkoord staat. Met een streefcijfer van 80 procent is de kans groot dat België nu duidelijk boven het Europese gemiddelde zal liggen. En dat dus terwijl ons land de vorige doelstelling, die al flink onder het Europese gemiddelde lag, duidelijk niet heeft gehaald. In de Europese rangschikking zakten we van een twintigste naar een 24ste plaats. Slechts vier landen doen het inzake werkzaamheidsgraad minder goed dan België.Het minste wat we kunnen zeggen is dat de lat nu flink hoger wordt gelegd. Met 80 procent zou België van de 24ste naar de zesde plaats springen. De Vivaldi-regering had het zich iets gemakkelijker kunnen maken door aan te geven dat België zo snel als mogelijk de huidige Europese doelstelling van 75 procent wilde bereiken. 75 procent is de huidige werkzaamheidsgraad van Vlaanderen. Dit doortrekken naar België is al behoorlijk ambitieus. Een stijging van tien procentpunt op tien tijd is ook in een internationale context redelijk uniek. Spanje bijvoorbeeld zag de werkzaamheidsgraad tussen 2013 en 2019 weliswaar toenemen met 9 procentpunt (van 59 procent in 2013 naar 68 procent in 2019), maar verloor liefst 11 procentpunt tussen 2007 en 2013. Een situatie die dus niet met de Belgische te vergelijken is. In ons land vertrekken we nu voor alle duidelijkheid van de hoogste werkzaamheidsgraad ooit opgetekend.Duitsland kende wellicht de meest fundamentele arbeidsmarkthervorming in de Europese Unie (Hartz) tussen 2003 en 2005 en zag dit bekroond met een stijging van de werkzaamheidsgraad van maar liefst twaalf procentpunt (van 69 naar 81 procent). Maar ook Duitsland slaagde er niet in de werkzaamheidsgraad met tien procent op tien jaar op te krikken. We willen de hervormingsdrang van Vivaldi niet onderschatten, maar er is geen schijn van kans dat deze de Duitse ook maar zal benaderen. Het feit dat de regering bijna alle te nemen arbeidsmarktmaatregelen doorverwijst naar de sociale partners wekt in deze sowieso niet al te veel vertrouwen. Er zal een heel sterke politieke sturing noodzakelijk zijn om de sociale partners in beweging te krijgen. De vorige Zweedse coalitie is daar in elk geval onvoldoende in geslaagd. Aan de nieuwe regering om te bewijzen dat ze het beter kunnen. Een stijging van tien procent komt ook neer op een behoefte 700.000 extra werkenden, of 70.000 per jaar. Dat is weliswaar een haalbaar cijfer op jaarbasis (in 2019 is dat cijfer bijvoorbeeld gehaald), maar nooit als een gemiddelde op tien jaar. Per decennium is er immers een heel grote kans op een recessie die het gemiddelde naar omlaag haalt. Deze recessie hebben we nu al onder de vorm van corona.Waarom dan toch dit irrealistisch cijfer in deze regeerverklaring? Nogmaals, er zaten voldoende mensen met arbeidsmarktkennis rond de tafel. Ik zie voorlopig maar één verklaring. De kloof inzake werkzaamheidsgraad tussen Vlaanderen, Wallonië en Brussel is torenhoog (respectievelijk 75,30 procent, 64,60 procent en 61,7 procent) en ook onder de vorige regering is deze kloof er niet kleiner op geworden. Integendeel. Wat de Vivaldi-regering in feite belooft, is dat het komend decennium de kloof inzake werkzaamheidsgraad tussen Vlaanderen, Brussel en Wallonië grotendeels zal worden weggewerkt. Uit de Europese cijfers leren we dat een werkzaamheidsgraad van 80 procent nagenoeg een maximum is. Veel rek naar boven zit er dan niet meer op. Alleen Zweden zit op dit ogenblik ietsje boven deze norm met 82 procent. Veruit de grootste inspanning om te komen tot een Belgisch gemiddelde van 80 procent zal dus van Brussel en Wallonië moeten komen. Gezien Vlaanderen onmogelijk boven de 80 procent kan uitkomen, kunnen Brussel en Wallonië ook niet sterk onder deze 80 procent blijven. Het minste wat we kunnen zeggen is dat dit regeerakkoord de druk op Wallonië en Brussel sterk opvoert, veel meer in elk geval dan bij de vorige regering. Als dit de bedoeling is geweest, dan is dit prima gedaan van de Vlaamse minderheid.Maar daarmee is het hele verhaal nog niet verteld. Wat opvalt in de regeerverklaring rond werk is dat corona heel weinig aandacht krijgt. Nochtans zal de pandemie de werkzaamheidsgraad doen dalen. De oorspronkelijke voorziene afname van 170.000 jobs (in 2020 en 2021) is intussen teruggebracht tot 90.000. Vooraleer we aan de weg naar boven beginnen, zullen we het cijfer dus eerst twee jaar zien dalen. Pas in 2022 kan de remonte echt worden ingezet. Gezien de redelijk korte regeringstijd (iets meer dan drie jaar) lijkt het me niet overdreven te stellen dat binnen deze periode er vermoedelijk niet zo veel gaat gebeuren. Ik zou het al geen slechte prestatie vinden indien we op het einde rit ongeveer op het beginniveau staan.De 400 miljoen winst voor de begroting die men in 2024 denkt te halen uit een verhoogde werkzaamheidsgraad is in elk geval heel optimistisch. Na de financiële crisis (2008) duurde het maar liefst acht jaar vooraleer we weer op het werkzaamheidsniveau zaten van voor de crisis. Een flink deel van het regeerwerk zal dus het beheren van de coronacrisis zijn. Pas nadien kan de rit richting 80 procent worden ingezet. Dat zal gebeuren onder de auspiciën van een nieuwe regering. En wie kan nu al voorspellen hoe die er gaat uitzien?