De klachten over het onderwijs zijn tegenwoordig niet van de lucht en dat geldt voor alle niveaus: lager, middelbaar en hoger onderwijs. Steevast wordt daarbij ook op de dalende kwaliteit van het Nederlands gewezen: leerlingen/studenten begrijpen steeds minder wat ze lezen; dt-fouten zouden steeds meer teksten ontsieren, die overigens slecht aan elkaar hangen. Er werd opnieuw aan de noodrem getrokken door het recente onderzoek van de Odisee Hogeschool, waaruit onder andere blijkt dat een heel aantal eerstejaarsstudenten de woorden debiet, empathie en impliceren niet begrijpt. Het is niet makkelijk te beslissen hoe met die inzichten om te gaan. Het is in elk geval de taak van het universitaire milieu om over de zaak na te denken.

Stilaan wordt ook leerkracht Nederlands een knelpuntberoep.

Allereerst rijst de vraag of de geconstateerde verkeerdheden werkelijk bestaan. De gedachte dat de jeugd over het algemeen slecht is geworden en dat hun taal verloedert is zo oud als de straat. Wel is het zo dat de huidige tijd gekenmerkt wordt door het verzwakken van hiërarchische verhoudingen door het verhogen van zowel de scholingsgraad van de bevolking als de welstand - en de informalisering van de samenleving die daarvan het gevolg is, heeft ongetwijfeld ook repercussies op het gebied van de taal. De teugels van het Standaardnederlands mogen wat gevierd worden. Daarnaast wordt de zgn. standaardtaalideologie (= op school AN en niets dan AN) steeds meer vervangen door een nieuwe ideologie die de eigen taalidentiteit centraal stelt en de 'Belgische' vorm van het A.N. ruim voldoende vindt.

Een argument voor de vervanging van nood aan door behoefte aan in geschreven taalgebruik als 'Nederlanders gebruiken nood aan niet of weinig', kan tegenwoordig op steeds minder bijval rekenen - ook bij aankomende neerlandici. Ook is het zo dat steeds meer jeugd een anderstalige achtergrond heeft, en daardoor meer moeite met de 'hogere registers' van de standaardtaal. Heeft de huidige beeldcultuur (annex sociale media) iets met de kwestie te maken? Zaak is vooral om op basis van deugdelijk onderzoek eerst na te gaan of een aantal indrukken op waarheid berust. Zijn we bijvoorbeeld wel zeker dat het woord empathie pakweg 20 jaar geleden wèl begrepen werd door 18-jarigen? Meer wetenschappelijk onderzoek dringt zich op.

Indien de achteruitgang van de kwaliteit van mondeling en schriftelijk taalgebruik bevestigd wordt, wat staat ons dan te doen? Uiteraard moet men dan via het onderwijs ingrijpen. Daarbij is het van groot belang om zgn. registergevoeligheid bij te brengen. Dat wil zeggen dat men het AN moet aanleren zonder het 'natuurlijke' taalgebruik van leerlingen of studenten als dialect, tussentaal, chattaal of een vreemde taal verdacht te maken als zijnde verloederd of ongewenst. Door AN en dat natuurlijke taalgebruik als vijanden van elkaar voor te stellen, wordt de identiteit van de jongere aangetast, wat uiteraard weerstanden oproept tegen het Standaardnederlands. AN en andere taalvariëteiten hebben elk hun plaats in de samenleving - en uiteraard doet men thuis wat men wil. Het onderscheid tussen spreek- en schrijfregister (en de goede beheersing van beide) is daarbij van groot belang.

Vraag is wel wie wat moet doen. Het blijkt dat men aan de universiteiten in de opleiding neerlandistiek tegenwoordig leert presenteren en verhandelingen en sollicitatiebrieven leert schrijven. Nog niet zo lang geleden is er aan de UGent het schrijfcentrum 'Taalonthaal' of dus een taalsteunpunt opgericht, waar studenten feedback kunnen krijgen op schrijftaken - en dat blijkt in heel wat gevallen echt nodig te zijn. Oudere lesgevers vragen zich echter wel eens af of een en ander niet de taak zou moeten zijn van middelbaar (of zelfs lager?) onderwijs.

Een goede taalbeheersing is voor elke intellectuele opleiding een basisvereiste. De taak van hoger onderwijs zou allereerst moeten zijn het Nederlands het wetenschappelijke prestige en maatschappelijk aanzien te geven dat onze taal verdient.

Het (veronderstelde) dalende taalniveau in het hoger onderwijs heeft waarschijnlijk te maken met de zeer open instroom en met de flexibilisering van de opleidingen - een keer zakken is niet zo erg, want men mag het vak toch 'meenemen' naar het volgende jaar. De instroom voor Nederlands is overigens sterk verminderd, de basiskennis van en de beeldvorming over de taal evenzeer. In de jaren 70 begonnen aan de UGent nog een 300 studenten aan Nederlands; begin 21ste eeuw nog een 200-tal, vandaag de dag minder dan 100. Een afgestudeerd neerlandicus zal in de toekomst een zeer zeldzaam persoon worden. Vroeger waren het scholieren met de betere studieresultaten die een opleiding Nederlands volgden en veelal in het onderwijs terechtkwamen. Leerkracht Frans en Wiskunde is vandaag al een knelpuntberoep. Stilaan wordt ook leerkracht Nederlands iets vergelijkbaars door dalende instroomcijfers.

Een goede taalbeheersing is voor elke intellectuele opleiding een basisvereiste. De taak van hoger onderwijs zou allereerst moeten zijn het Nederlands het wetenschappelijke prestige en maatschappelijk aanzien te geven dat onze taal verdient. Vervolgens is onderzoek nodig naar de evolutie van de kwaliteit van de taal bij jongeren en de oorzaken van de eventuele achteruitgang van de taalbeheersing. Indien we de zo open mogelijke instroom naar hoger onderwijs willen behouden - en er zijn goede redenen om dat te doen - is het nodig voor àlle studierichtingen de taalbeheersing te versterken door aangepast taalonderwijs aan te bieden in àlle opleidingen. Overal moeten immers teksten geschreven worden. Nederlands moet gewoonweg hoger op de academische sensibiliteitskalender.

Yves T'Sjoen is professor Nederlandse Letterkunde aan de UGent.

Jacques Van Keymeulen is emeritus professor Nederlandse Taalkunde aan de UGent.