Nogal wat onderzoek heeft aangetoond dat het bezit van een hoger diploma in onze kennismaatschappij van groot belang is omdat het in sterke mate de levenskansen van mensen bepaalt. Een belangrijke politieke reactie hierop is de democratisering van de toegang tot het hoger onderwijs middels een beleid van gelijke onderwijskansen. Iedereen die over de 'juiste' vaardigheden en talenten beschikt, moet ook effectief naar het hoger onderwijs kunnen doorstromen om aldaar een diploma en dus een spreekwoordelijk ticket tot maatschappelijk succes te halen.

Dat lijkt evident, maar er zijn een aantal addertjes onder het gras. Als het hoger onderwijs een belangrijke sleutel voor maatschappelijk succes is, wat dan met diegenen die niet over die vaardigheden en talenten beschikken om te kunnen slagen in het hoger onderwijs? Zij vallen uit de boot en voor hen lijkt het dan aanvaardbaar dat ze niet over dat ticket beschikken. Zij lijken bij voorbaat te worden opgegeven en te zijn voorbestemd om die jobs te doen die minder verdienen en waar gewoonlijk ook minder maatschappelijke prestige aan vasthangt.

Staan de poorten van het hoger onderwijs te wijd open?

Het is uiteraard een goede zaak om 'verborgen' talent te traceren en dus om 'getalenteerde' jonge mensen die de pech hebben om in een precaire thuissituatie te leven of die kampen met een bepaalde ziekte of stoornis naar het hoger onderwijs te loodsen. Maar, hoewel niet iedereen het talent heeft om hogere studies aan te kunnen, is iedereen (uitzonderingen niet te na gesproken) er in gelijke mate op uit om zijn levenskansen te maximaliseren en om te worden gewaardeerd voor wat hij/zij kan en doet. Als niemand zijn talenten kiest (het is alles bij elkaar toch vooral een kwestie van geluk), is het dan wel fair dat men - nota bene vanuit het perspectief van gelijke kansen en democratisering - vooral inzet op het verzilveren van één type talent en niet vooral ijvert voor de verbreding van het waarderingspalet?

Eigenlijk zijn er twee opties. Ofwel gaat men heel ver in de democratisering van het hoger onderwijs en doet men alsof quasi iedereen in staat is om een Bachelor- of Masterdiploma te halen. Ofwel zet men andere diploma's (en de bijhorende vaardigheden, talenten en jobs) in een positiever daglicht zodat wordt voorkomen dat mensen naar het hoger onderwijs worden gepushed. Bij die tweede optie gaat het om een verbreding van de waarderingswaaier en wijst men op het belang en de waarde van andere talenten en vaardigheden zodat iedereen werkelijk gelijke kansen bezit om zijn leven - zonder zich te hoeven schamen omdat men een hoger diploma ontbeert - te leiden zoals hij dat wil.

Wanneer echter het hoger diploma en het soort job dat er aan gekoppeld is een (erg) belangrijk criterium is op basis waarvan mensen loon en eer kunnen bekomen, dan is het logisch dat het hoger onderwijs haar poorten erg wijd openzet. Maar in dat geval zijn de toegenomen inschrijvingen en de bijhorende sociale inclusie teveel een doel op zich geworden. Wanneer men niet meer durft te zeggen dat niet iedereen voor het hoger onderwijs geschikt is, dan is een devaluatie van het Bachelor- en Masterdiploma het logische gevolg. In het succes van het hoger onderwijs schuilt daarom tegelijk een opdracht om het maatschappelijk aanzien van andere opleidingen, diploma's, jobs en taken op te krikken.

Doorgedreven sociale inclusie en participatie?

Zoals gesteld lijkt het hoger onderwijs thans sterk in de greep te zijn van inclusie waarbij zoveel mogelijk jonge mensen moeten worden geënthousiasmeerd om hogere studies te volgen, terwijl het nochtans duidelijk is dat niet iedereen voor die studies ambities koestert noch daarvoor de intrinsieke capaciteiten heeft. Die ruime toegankelijkheid, participatie en tegemoetkoming is vanzelfsprekend een nobel doel (zie hierboven), maar het komt niet overeen met de reële vraag naar hoger onderwijs en naar alles wat daarmee samengaat (of zou moeten samengaan) zoals het voortdurend op de proef stellen van de eigen mening; het tot het uiterste gaan in de confrontatie met complexiteit; het nastreven van accuraatheid; het zich kunnen focussen op details; het kunnen omgaan met grote hoeveelheden leerstof; het halen van deadlines; het kunnen vormen van een kritische mening die niet gebaseerd is op eigen ervaringen of gevoelens, maar op feiten en degelijke argumenten. Zeker aan de universiteit bemoeilijkt die focus op toegankelijkheid de intellectuele excellentie waardoor uiteindelijk de middelmaat de geïnstitutionaliseerde academische norm wordt.

Wanneer participatie en inclusie de basis van hoger onderwijs worden, dan zal in de feiten vooral een psychologie worden gevolgd die stelt dat studenten niet teveel mogen worden geconfronteerd met 'faalervaringen', wat dan weer aanleiding geeft tot een 'feel good curriculum' met geringe verwachtingen en weinig krenkingen. Misschien wat gechargeerd, maar hier toch een aantal voorbeelden. Fouten tegen de spelling en grammatica worden snel door de vingers gezien (het gaat erom dat men min of meer begrijpt wat de studenten uitdrukken). Niet enkel het resultaat, maar ook de inspanning moet worden beloond (het feit dat iemand zich de moeite getroost om die paper te schrijven is op zich al prima en is 'onderscheiding' zo stilaan niet wat vroeger 'voldoende' was?).

De studieprogramma's zijn thans erg flexibel, hetgeen zich onder andere vertaalt in studenten die behoorlijk wat zeggenschap hebben over hoe het curriculum er voor hen uitziet (veel keuze in de vakken die worden gevolgd) en over wanneer ze de examens afleggen (met examenspreiding en lange studietrajecten als gevolg). Van docenten wordt steeds meer verwacht dat ze dicht bij de studenten staan en dat ze hen goed ondersteunen (waardoor de zelfstandigheid van de student minder wordt geprikkeld en studenten steeds veeleisender worden).

Wat dat laatste betreft zijn studenten mondige consumenten die maar al te goed beseffen dat ze eigenlijk een dienst ontvangen die ze bovendien ook nog eens mogen evalueren (met als gevolg dat docenten hun best doen om bij hun studenten in de smaak te vallen, zeker wanneer die studentenbeoordeling meetelt voor het intern cv). Of de vleierij van docenten ook altijd en overal de kwaliteit ten goede komt, durf ik betwijfelen.

Respect & Waardering

Het punt is dat respect voor de menselijke gelijkwaardigheid hoegenaamd niet betekent dat er geen waardeoordelen meer mogen uitgesproken worden en dat er geen onderscheid meer kan en mag worden aangebracht tussen mensen. Sommige mensen kunnen mooie schilderijen maken, anderen hebben daar geen talent voor, maar het blijven wel steeds mensen die moeten worden gerespecteerd. Wanneer positieve waardering echter de standaard wordt (omdat het wordt verward met respect), is er sprake van een 'devaluatie van de waardering'. Als iedereen naar het hoger onderwijs kan en daar positief wordt gewaardeerd, wordt uiteindelijk niemand werkelijk gewaardeerd. Studenten zullen dat mogelijks ook zo aanvoelen en de hen geboden waardering niet langer begrijpen als een erkenning voor een wezenlijke ervaring waarbij men door inspanning en doorzetting iets tot een goed einde heeft gebracht. Immers, als uiteindelijk iedereen een Bachelor- of Masterdiploma op zak heeft, dan heeft dat diploma nauwelijks nog substantiële waarde.

De wezenlijke erkenning die met waardering samengaat, is net de appreciatie van anderen voor het feit dat men iets heeft gepresteerd wat niet zo evident is. Eerder dan te denken dat iedereen een hoger diploma moet halen, lijkt het beter de eigenwaarde van andere opleidingen, jobs, vaardigheden en taken te beklemtonen. Het is voor een samenleving veel gezonder wanneer er voldoende waarderingsdimensies zijn, zodat iedereen zich op zijn of haar manier en op basis van zijn of haar talent of vaardigheid gewaardeerd en dus betekenisvol kan voelen.

Zoals de vorige week overleden David Graeber opmerkte, is de paradox dat veel jobs waar een hoger diploma voor nodig is, eigenlijk 'bullshit jobs' zijn (jobs met weinig maatschappelijke meerwaarde) en dat die jobs waarvoor men niet of wat minder moet gestudeerd hebben en die ook minder prestige genieten net onontbeerlijk zijn voor het wel en wee van een samenleving. Denk bijvoorbeeld aan hoe het net de vuilnismannen, het poetspersoneel, het zorgpersoneel en de kassabedienden waren die tijdens de 'Corona-lockdown' mee de samenleving overeind hielden.

Nogal wat onderzoek heeft aangetoond dat het bezit van een hoger diploma in onze kennismaatschappij van groot belang is omdat het in sterke mate de levenskansen van mensen bepaalt. Een belangrijke politieke reactie hierop is de democratisering van de toegang tot het hoger onderwijs middels een beleid van gelijke onderwijskansen. Iedereen die over de 'juiste' vaardigheden en talenten beschikt, moet ook effectief naar het hoger onderwijs kunnen doorstromen om aldaar een diploma en dus een spreekwoordelijk ticket tot maatschappelijk succes te halen. Dat lijkt evident, maar er zijn een aantal addertjes onder het gras. Als het hoger onderwijs een belangrijke sleutel voor maatschappelijk succes is, wat dan met diegenen die niet over die vaardigheden en talenten beschikken om te kunnen slagen in het hoger onderwijs? Zij vallen uit de boot en voor hen lijkt het dan aanvaardbaar dat ze niet over dat ticket beschikken. Zij lijken bij voorbaat te worden opgegeven en te zijn voorbestemd om die jobs te doen die minder verdienen en waar gewoonlijk ook minder maatschappelijke prestige aan vasthangt. Het is uiteraard een goede zaak om 'verborgen' talent te traceren en dus om 'getalenteerde' jonge mensen die de pech hebben om in een precaire thuissituatie te leven of die kampen met een bepaalde ziekte of stoornis naar het hoger onderwijs te loodsen. Maar, hoewel niet iedereen het talent heeft om hogere studies aan te kunnen, is iedereen (uitzonderingen niet te na gesproken) er in gelijke mate op uit om zijn levenskansen te maximaliseren en om te worden gewaardeerd voor wat hij/zij kan en doet. Als niemand zijn talenten kiest (het is alles bij elkaar toch vooral een kwestie van geluk), is het dan wel fair dat men - nota bene vanuit het perspectief van gelijke kansen en democratisering - vooral inzet op het verzilveren van één type talent en niet vooral ijvert voor de verbreding van het waarderingspalet?Eigenlijk zijn er twee opties. Ofwel gaat men heel ver in de democratisering van het hoger onderwijs en doet men alsof quasi iedereen in staat is om een Bachelor- of Masterdiploma te halen. Ofwel zet men andere diploma's (en de bijhorende vaardigheden, talenten en jobs) in een positiever daglicht zodat wordt voorkomen dat mensen naar het hoger onderwijs worden gepushed. Bij die tweede optie gaat het om een verbreding van de waarderingswaaier en wijst men op het belang en de waarde van andere talenten en vaardigheden zodat iedereen werkelijk gelijke kansen bezit om zijn leven - zonder zich te hoeven schamen omdat men een hoger diploma ontbeert - te leiden zoals hij dat wil. Wanneer echter het hoger diploma en het soort job dat er aan gekoppeld is een (erg) belangrijk criterium is op basis waarvan mensen loon en eer kunnen bekomen, dan is het logisch dat het hoger onderwijs haar poorten erg wijd openzet. Maar in dat geval zijn de toegenomen inschrijvingen en de bijhorende sociale inclusie teveel een doel op zich geworden. Wanneer men niet meer durft te zeggen dat niet iedereen voor het hoger onderwijs geschikt is, dan is een devaluatie van het Bachelor- en Masterdiploma het logische gevolg. In het succes van het hoger onderwijs schuilt daarom tegelijk een opdracht om het maatschappelijk aanzien van andere opleidingen, diploma's, jobs en taken op te krikken. Zoals gesteld lijkt het hoger onderwijs thans sterk in de greep te zijn van inclusie waarbij zoveel mogelijk jonge mensen moeten worden geënthousiasmeerd om hogere studies te volgen, terwijl het nochtans duidelijk is dat niet iedereen voor die studies ambities koestert noch daarvoor de intrinsieke capaciteiten heeft. Die ruime toegankelijkheid, participatie en tegemoetkoming is vanzelfsprekend een nobel doel (zie hierboven), maar het komt niet overeen met de reële vraag naar hoger onderwijs en naar alles wat daarmee samengaat (of zou moeten samengaan) zoals het voortdurend op de proef stellen van de eigen mening; het tot het uiterste gaan in de confrontatie met complexiteit; het nastreven van accuraatheid; het zich kunnen focussen op details; het kunnen omgaan met grote hoeveelheden leerstof; het halen van deadlines; het kunnen vormen van een kritische mening die niet gebaseerd is op eigen ervaringen of gevoelens, maar op feiten en degelijke argumenten. Zeker aan de universiteit bemoeilijkt die focus op toegankelijkheid de intellectuele excellentie waardoor uiteindelijk de middelmaat de geïnstitutionaliseerde academische norm wordt. Wanneer participatie en inclusie de basis van hoger onderwijs worden, dan zal in de feiten vooral een psychologie worden gevolgd die stelt dat studenten niet teveel mogen worden geconfronteerd met 'faalervaringen', wat dan weer aanleiding geeft tot een 'feel good curriculum' met geringe verwachtingen en weinig krenkingen. Misschien wat gechargeerd, maar hier toch een aantal voorbeelden. Fouten tegen de spelling en grammatica worden snel door de vingers gezien (het gaat erom dat men min of meer begrijpt wat de studenten uitdrukken). Niet enkel het resultaat, maar ook de inspanning moet worden beloond (het feit dat iemand zich de moeite getroost om die paper te schrijven is op zich al prima en is 'onderscheiding' zo stilaan niet wat vroeger 'voldoende' was?). De studieprogramma's zijn thans erg flexibel, hetgeen zich onder andere vertaalt in studenten die behoorlijk wat zeggenschap hebben over hoe het curriculum er voor hen uitziet (veel keuze in de vakken die worden gevolgd) en over wanneer ze de examens afleggen (met examenspreiding en lange studietrajecten als gevolg). Van docenten wordt steeds meer verwacht dat ze dicht bij de studenten staan en dat ze hen goed ondersteunen (waardoor de zelfstandigheid van de student minder wordt geprikkeld en studenten steeds veeleisender worden). Wat dat laatste betreft zijn studenten mondige consumenten die maar al te goed beseffen dat ze eigenlijk een dienst ontvangen die ze bovendien ook nog eens mogen evalueren (met als gevolg dat docenten hun best doen om bij hun studenten in de smaak te vallen, zeker wanneer die studentenbeoordeling meetelt voor het intern cv). Of de vleierij van docenten ook altijd en overal de kwaliteit ten goede komt, durf ik betwijfelen. Het punt is dat respect voor de menselijke gelijkwaardigheid hoegenaamd niet betekent dat er geen waardeoordelen meer mogen uitgesproken worden en dat er geen onderscheid meer kan en mag worden aangebracht tussen mensen. Sommige mensen kunnen mooie schilderijen maken, anderen hebben daar geen talent voor, maar het blijven wel steeds mensen die moeten worden gerespecteerd. Wanneer positieve waardering echter de standaard wordt (omdat het wordt verward met respect), is er sprake van een 'devaluatie van de waardering'. Als iedereen naar het hoger onderwijs kan en daar positief wordt gewaardeerd, wordt uiteindelijk niemand werkelijk gewaardeerd. Studenten zullen dat mogelijks ook zo aanvoelen en de hen geboden waardering niet langer begrijpen als een erkenning voor een wezenlijke ervaring waarbij men door inspanning en doorzetting iets tot een goed einde heeft gebracht. Immers, als uiteindelijk iedereen een Bachelor- of Masterdiploma op zak heeft, dan heeft dat diploma nauwelijks nog substantiële waarde. De wezenlijke erkenning die met waardering samengaat, is net de appreciatie van anderen voor het feit dat men iets heeft gepresteerd wat niet zo evident is. Eerder dan te denken dat iedereen een hoger diploma moet halen, lijkt het beter de eigenwaarde van andere opleidingen, jobs, vaardigheden en taken te beklemtonen. Het is voor een samenleving veel gezonder wanneer er voldoende waarderingsdimensies zijn, zodat iedereen zich op zijn of haar manier en op basis van zijn of haar talent of vaardigheid gewaardeerd en dus betekenisvol kan voelen. Zoals de vorige week overleden David Graeber opmerkte, is de paradox dat veel jobs waar een hoger diploma voor nodig is, eigenlijk 'bullshit jobs' zijn (jobs met weinig maatschappelijke meerwaarde) en dat die jobs waarvoor men niet of wat minder moet gestudeerd hebben en die ook minder prestige genieten net onontbeerlijk zijn voor het wel en wee van een samenleving. Denk bijvoorbeeld aan hoe het net de vuilnismannen, het poetspersoneel, het zorgpersoneel en de kassabedienden waren die tijdens de 'Corona-lockdown' mee de samenleving overeind hielden.