De zomer van 2018 was een van de droogste zomers van de laatste decennia. Over heel het Europese continent kreunden de natuur, bossen, gewassen, e.a. onder een enorme droogte. Ook in Vlaanderen was de situatie zorgwekkend. Gelukkig waren de grondwatervoorraden in 2018 voldoende aangevuld en kon de drinkwatervoorziening op peil gehouden worden. Desalniettemin werd er véél schade aangericht. Is de droogte niet langzaamaan het 'nieuwe normaal' aan het worden in Vlaanderen? In 2003, 2007, 2010, 2011 en 2015 waren er immers ook al perioden met significante droogtestress.

Er is ondertussen al veel geschreven over de droogte van 2019, want de grondwaterstanden zijn nu reeds laag. Wie krijgt er prioriteit om over dat schaarse water te beschikken? Waar zijn er mogelijkheden voor waterbesparing en -hergebruik?

Spaarzaam zijn met water is goed, maar het herstellen van de grondwateraanvulling is beter.

Men riskeert echter te investeren in tal van technische en dure maatregelen zonder goed te weten wanneer men ze dan wel dient in te zetten. Men kan immers niet voorzien hoe lang een droogteperiode aanhoudt. Vaak is men vrij kwistig bij de aanvang van de droogteperiode en duurt het te lang vooraleer waterbesparende maatregelen opgelegd worden.

Anderzijds zal er ook veel kritiek zijn als er 'onnodig' waterbesparende maatregelen genomen werden. Van waterbesparende maatregelen kan men misschien spijt hebben als de droogte zich dan niet doorzet, maar men moet in feite wel altijd voorbereid zijn op het scenario van een aanhoudende droogte. Stel dat we iedere zomer ingaan met een dergelijke onzekerheid inzake waterbeschikbaarheid? Van een actief beleid om die grondwatervoorraden zo snel mogelijk terug op peil te brengen kan niemand spijt hebben. Dat zijn structurele, toekomstgerichte en duurzame investeringen.

Wanneer de grondwatervoorraden voldoende aangevuld zijn, kan men een droogteperiode uiteraard wel overbruggen door een verhoogde aanspraak op grondwater. Maar ook daar knelt het schoentje. Het aanvullen van die grondwatervoorraden gebeurt onvoldoende omdat we onze landschappen zo hebben ingericht dat het water niet eens de tijd krijgt om te infiltreren.

Slechts enkele dagen met overvloedige neerslag volstaan om al onze grachten en rivieren oevervol te krijgen. Dit fenomeen zien we niet enkel in verstedelijkt gebied, maar ook op het platteland. Het ondiep bodemwater wordt te snel afgevoerd, waardoor het niet de kans krijgt om diep te infiltreren.

Onderzoek van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) en de Universiteit Antwerpen (UA) uit 2016 toonde reeds aan dat voor Vlaanderen in de laatste 50-60 jaar zo'n 75 % van alle moerassen verloren zijn gegaan. Een dergelijk verlies is niet zonder gevolg voor de waterhuishouding. Uit de studie bleek namelijk ook dat 75% van de bovenstroomse 'tijdelijke' moerassen verdwenen zijn (de vennetjes en bronbeeksystemen). De vorming van een tijdelijk moeras op een minder doordringbare laag in de bodem is een natuurlijk proces. Het neerslagwater verzamelt zich bovenop zo'n laag en beweegt zich naar de laagst gelegen percelen. Als we dergelijke 'landschapsdepressies' niet meer (zouden) draineren, geven we het neerslagwater alsnog de kans om langzaam te infiltreren in de ondergrond. Maar we hebben net het omgekeerde gedaan. Er is bijna geen landschapsdepressie meer over die niet gedraineerd wordt.

Bovendien is de infiltratie op vele plaatsen aangetast door de jarenlange bewerking van landbouwgronden met steeds zwaardere machines. Op veel percelen heeft zich een moeilijk doordringbare laag ontwikkeld op zo'n 30-50 cm onder het maaiveld, wat niet diep genoeg is om een periode met extreme neerslag te bufferen, met afstroming tot gevolg.

We ondervinden nu reeds dat we te maken hebben met langere perioden van zowel extreem nat als extreem droog weer. Als we zowel wateroverlast als watertekorten willen aanpakken, moeten we onze landschappen herstellen in hun hydrologische functies. Het zal noodzakelijk zijn dat we beter gebruik maken van de perioden met neerslagoverschot om perioden met neerslagtekorten te overbruggen. Dat kan enkel als we zowel infiltratie als retentie in de bovenstroomse gebieden versterken.

Door middel van een topografische analyse heeft de Universiteit Antwerpen alle infiltratiegebieden en landschapsdepressies van Vlaanderen in kaart gebracht. Op basis van een eerste analyse kunnen we stellen dat een zeer groot aandeel van deze landschapsdepressies het startpunt vormen van een grachtensysteem en zo aangetakt zijn op het waterlopennetwerk. Opvallend is ook dat het niet alleen over landbouwgronden gaat, maar dat er ook veel bosgebieden gedraineerd worden. Hoeveel water er effectief voortijdig afgevoerd wordt door al die drainagegrachten is onderwerp van lopend onderzoek aan de Universiteit Antwerpen. Op basis van de intensiteit van het landgebruik en de aanwezigheid van drainagegrachten kunnen we aannemen dat op de schaal van Vlaanderen ruwweg 120 miljoen kubieke meter ondiep bodemwater voortijdig wordt afgevoerd.

Dat landeigenaren niet direct staan te popelen om de drainage te verminderen is evident. Maar men kan landeigenaren wel ondersteunen door gebiedsgerichte programma's te organiseren en ook financieel te belonen om de retentie- en infiltratiecapaciteit te verhogen. Het rigoureus verminderen van drainage kan leiden tot oogstverlies, maar een intelligente peilsturing ervan zal in veel gevallen net een positief effect hebben op de opbrengsten. Er moeten in ieder geval brongerichte oplossingen komen. Als we er niet in slagen om de grondwatervoorraden aan te vullen, dreigt er naast economische schade ook een enorm verlies aan biodiversiteit en komen we zo in conflict met onze internationale engagementen voor de instandhouding van de biodiversiteit.

De Kempen vormen als het ware de waterschuur van Vlaanderen.

Zeker in de provincies Antwerpen en Limburg is het daarom van strategisch belang om dergelijke gebiedsgerichte programma's op te zetten. In de Kempen is een groot aandeel van drinkwatervoorziening afkomstig uit grondwater. De Kempen vormen als het ware de waterschuur van Vlaanderen. De relatieve winningsdruk is er hoog maar tegelijkertijd zijn er in deze gebieden net veel mogelijkheden om de grondwateraanvulling te versterken. Door te investeren in een infiltratie- en retentiebeleid kan men een grondwaterreserve opbouwen in bovenstroomse gebieden en dat aanspreken in tijd van nood zonder dat dat ten koste gaat van biodiversiteit. Minder water naar de zee laten vloeien loont zowel voor de natuur, de landbouwer én de drinkwaterconsument.

Reeds in 2017 hebben Departement Omgeving (coordinator), Universiteit Antwerpen, Provincie Antwerpen, watermaatschappij Pidpa en Natuurpunt een unieke samenwerking op poten gezet om deze inzichten in de praktijk te brengen. Met het Interreg project PROWATER willen Vlaamse en Nederlandse partners en partners uit het Verenigd Koninkrijk nagaan in welke mate we de waterberging van het landschap kunnen herstellen via 'ecosysteem gebaseerde adaptatiemaatregelen'. Voorbeelden hiervan zijn verminderde drainage, actief peilbeheer, bosomvorming en herstel van de bodemdoorlaatbaarheid.

In het Vlaamse Actieplan Droogte en Wateroverlast 2019-2021, dat recent werd goedgekeurd door de Vlaamse regering, staan dergelijke maatregelen wel ergens vermeld, maar ze krijgen disproportioneel weinig aandacht ten opzichte van de curatieve maatregelen zoals waterbesparing en hergebruik tijdens droogte. Het plan is sterk gericht op het risicobeheer tijdens droogte-episodes en kortetermijnacties inzake kennisopbouw. Zoals het plan zelf vermeldt, willen ze de meer structurele oplossingen integreren in de nieuwe generatie stroomgebiedbeheerplannen (2022-2027). Niettemin zijn er weinig acties die een aanzet bieden naar kennisontwikkeling inzake deze structurele oplossingen en dat is een gemiste kans. Zo worden de drainagepraktijken enkel aangehaald in 6 summiere regeltjes onder actie 46, waarbij zelfs geen aanzet naar kennisopbouw wordt gegeven. Moeten we dan wachten tot 2022 om te starten met de uitrol van structurele oplossingen waarvan we nu al weten dat ze noodzakelijk zijn?

Maar om structurele maatregelen op grote schaal te realiseren zijn er middelen nodig. Dat is een kwestie van politieke keuzes: elke vergunde grondwaterwinning betaalt een grondwaterheffing van minimaal 7.5 ct per kubieke meter - de totale opbrengst bedraagt bijna 22 miljoen euro per jaar (bron: jaarverslag MINA-fonds, p 11). Een deel van dat geld zou men kunnen gebruiken voor het beschermen en versterken van de grondwateraanvulling. Op die manier worden de grondwaterheffingen terug geïnvesteerd in de ecosystemen die het water leveren.

Jan Staes is verbonden aan het departement biologie van de Universiteit Antwerpen. Patrick Meire is gewoon hoogleraar biologie aan de Universiteit Antwerpen.

Dit artikel werd opgesteld in samenspraak met de Vlaamse PROWATER partners.