Sinds september schrijf ik cultuurcolumns voor dit blad, en ik heb het nog niet één keer gehad over subsidies voor de kunsten. Andreas Tirez, de onafhankelijke liberaal en columnist van De Tijd, heeft mij ervan overtuigd dat die subsidies veel minder vanzelfsprekend zijn dan ze lijken. Ik geef schoorvoetend toe dat er maar weinig argumenten zijn om die uitgavenpost van de overheid te verdedigen.
...

Sinds september schrijf ik cultuurcolumns voor dit blad, en ik heb het nog niet één keer gehad over subsidies voor de kunsten. Andreas Tirez, de onafhankelijke liberaal en columnist van De Tijd, heeft mij ervan overtuigd dat die subsidies veel minder vanzelfsprekend zijn dan ze lijken. Ik geef schoorvoetend toe dat er maar weinig argumenten zijn om die uitgavenpost van de overheid te verdedigen. De voorstanders blinken niet uit in overtuigingskracht. Ik heb altijd wat te doen met kunstenaars die cultuursubsidies proberen te verdedigen met een economische redenering. Zo verdedigde Ivo Van Hove, een regisseur die ik hoog heb zitten, zijn Toneelgroep Amsterdam ooit met de vaststelling dat de restaurants en bars voor en na de voorstellingen altijd vol zitten. Het terugverdieneffect, als het ware. Een economische discussie kunnen kunstenaars nooit winnen, en doet hun werk allerminst recht. Ze lijken er soms misschien wat op, maar cultuurhuizen horen geen werkverschaffingsprojecten te zijn voor mensen die anders niet aan een baan raken. Het omgekeerde argument blijft ook maar zelden kleven. Meestal gaat het zelfs echt mis als kunstenaars de meerwaarde van hun werk proberen uit te drukken in metafysische of verheven termen. Mensen die vaker naar theater gaan, tentoonstellingen bezoeken en boeken lezen, leiden een beter leven dan de cultuurbarbaren die liever ... Vult u zelf maar iets in. Maar wat is dat, een beter leven? Een gelukkiger leven? Ik wist niet dat kunst bedoeld was om mij gelukkig te maken. Een eerlijker of oprechter leven misschien? Ik zou niet weten wat dat is. Op momenten als deze werpt Tirez graag op dat snoepreisjes naar New York ook door de staat zouden moeten worden bekostigd. Die zijn minstens even inspirerend als een voorstelling in - pakweg - de Bourla. De beste argumenten voor cultuursubsidies zijn conservatief, en gaan over het belang van tradities, erfgoed en misschien zelfs wel van een elite. Want dat blijft natuurlijk de pijnlijke waarheid: subsidies voor cultuur zijn subsidies van de armsten in de samenleving aan de rijksten. Het idee dat theater- en concertkaartjes net goedkoop moeten zijn om de laagste klassen van de samenleving aan te spreken, klinkt leuk en aardig. Maar in schouwburgen is het altijd weer zoeken naar zulke mensen. Cultuursubsidies zijn in die zin onrechtvaardig. Zijn mensen die daartegen pleiten zelf cultuurbarbaren? Au contraire, ik wil net méér betalen voor mijn kaartjes.