Logischerwijs namen het aandeel middengeschoolden (maximaal hoger secundair) en vooral het aandeel hooggeschoolden (diploma hoger onderwijs) toe. De eerste groep steeg van 34,6 in 1999 naar 40 procent in 2008, om nadien nagenoeg constant te blijven. "Het aandeel hooggeschoolden steeg sterk, van 22,5 procent in 1999 tot 36,8 procent in 2018." Vorig jaar was voorts 63,6 procent van de bevolking in het Vlaamse gewest op beroepsleeftijd. Door de vergrijzing lijkt dat aanhoudend te dalen: in 1999 was dat nog 66,3 procent. In 2017 kwam het aandeel van de Vlaamse bevolking in de leeftijdsgroep 15-64 nog uit op 63,9 procent. In 2016 was dat 64,1 procent. Het aandeel van mannen op beroepsleeftijd daalde van 68,1 procent in 1999 tot 65 procent in 2018. Bij vrouwen is er in die periode een daling van 64,5 naar 62,5 procent. Het hogere aandeel bij de mannen is te verklaren doordat er iets meer mannen zijn in die bevolkingsgroep, terwijl in de totale bevolking het aandeel mannen kleiner is. In Wallonië en Brussel lag het aandeel van de bevolking op beroepsleeftijd vorig jaar hoger. Het gaat om respectievelijk 64,4 en 67,1 procent. Ook het EU-gemiddelde ligt hoger (64,6 procent). (Belga)

Logischerwijs namen het aandeel middengeschoolden (maximaal hoger secundair) en vooral het aandeel hooggeschoolden (diploma hoger onderwijs) toe. De eerste groep steeg van 34,6 in 1999 naar 40 procent in 2008, om nadien nagenoeg constant te blijven. "Het aandeel hooggeschoolden steeg sterk, van 22,5 procent in 1999 tot 36,8 procent in 2018." Vorig jaar was voorts 63,6 procent van de bevolking in het Vlaamse gewest op beroepsleeftijd. Door de vergrijzing lijkt dat aanhoudend te dalen: in 1999 was dat nog 66,3 procent. In 2017 kwam het aandeel van de Vlaamse bevolking in de leeftijdsgroep 15-64 nog uit op 63,9 procent. In 2016 was dat 64,1 procent. Het aandeel van mannen op beroepsleeftijd daalde van 68,1 procent in 1999 tot 65 procent in 2018. Bij vrouwen is er in die periode een daling van 64,5 naar 62,5 procent. Het hogere aandeel bij de mannen is te verklaren doordat er iets meer mannen zijn in die bevolkingsgroep, terwijl in de totale bevolking het aandeel mannen kleiner is. In Wallonië en Brussel lag het aandeel van de bevolking op beroepsleeftijd vorig jaar hoger. Het gaat om respectievelijk 64,4 en 67,1 procent. Ook het EU-gemiddelde ligt hoger (64,6 procent). (Belga)