Bijna twintig jaar na het uitbreken van de dioxinecrisis is voor de Gentse correctionele rechtbank de uitspraak gedaan over de afhandeling van de schadevergoedingen. Het federaal voedselagentschap FAVV krijgt 24,1 miljoen euro van vetsmelter Verkest en Jacques en Jacqueline Thill van Fogra.

De dioxinecrisis barstte in 1999 los, nadat dioxines in de voedselketen terecht waren gekomen. Uit onderzoek bleek dat de besmetting haar oorsprong vond bij het bedrijf Verkest in Deinze en bij het Waalse Fogra. Het bedrijf Fogra leverde met giftige pcb's besmette vetstoffen aan Verkest, die ze aan de veevoederbedrijven verdeelde. De Verkests leverden zogezegd gesmolten dierlijk vet aan meng- en veevoederfabrikanten, terwijl het om een mengsel van dierlijk en technisch vet ging.

Jan en Lucien Verkest werden later schuldig bevonden aan valsheid in geschrifte, gebruik van valse stukken en bedrog in koopwaar. Op burgerlijk gebied deed de Gentse correctionele rechtbank in 2013 uitspraak. De rechtbank had vetsmelter Verkest veroordeeld tot het betalen van meer dan een miljoen euro aan schadevergoedingen aan benadeelden van de dioxinecrisis. Over de schadevergoeding van de andere partijen werd toen nog geen uitspraak gedaan. De Belgische Staat wou voorheen 236.291.451,53 euro schadevergoeding en het Vlaamse gewest 149.241.000 euro, maar in 2013 bleek dat ze daarvoor nog geen verzoekschrift hadden ingediend.

Bij de behandeling van de zaak in mei stelden alleen het FAVV en verschillende veevoederbedrijven zich voor de rechtbank. Het FAVV eiste in totaal 24,1 miljoen euro, waarvan 16 miljoen euro operationele kosten. Het gaat onder meer om de personeelskosten van extra aanwervingen die gemaakt werden door de acute dioxinecrisis. De verschillende veevoederbedrijven eisten samen een bedrag van meer dan 10 miljoen euro.

De advocaten van Verkest en Fogra hadden gepleit dat de eisen tot schadevergoeding onontvankelijk zouden zijn. Er werd ook om de aanstelling gevraagd van een nieuwe deskundige om alle schade te becijferen, maar voor de schadevergoeding van het FAVV ging de correctionele rechtbank daar niet op in en werd de vordering integraal toegekend.

De verschillende veevoederbedrijven eisten samen een bedrag van meer dan 10 miljoen euro. 'De wereld stond op zijn kop in de sector', stelde de advocaat van De Brabandere Wingene bij de behandeling van de zaak. 'We hebben een hele reeks kosten gedaan en klanten verloren. Het bedrijf kreeg geen steun van de overheid want het werd niet beschouwd als een landbouwbedrijf.'

De Brabandere Wingene kreeg een schadevergoeding van 2,2 miljoen euro toegekend. Andere bedrijven wilden ook een vergoeding voor imagoschade en omzetverlies en zagen het grootste deel van hun vordering aanvaard. In bepaalde gevallen stelde de rechtbank wel een deskundige aan om de schade verder te onderzoeken. De partijen kunnen nog in beroep gaan, maar het vonnis wat betreft het FAVV werd 'uitvoerbaar bij voorraad' verklaard, waardoor in theorie onmiddellijke betaling kan gevraagd worden. Het is niet duidelijk of de veroordeelden in staat zijn om te betalen. De advocaten van de hoofdbeklaagden waren niet aanwezig bij de voorlezing van de uitspraak.

Bijna twintig jaar na het uitbreken van de dioxinecrisis is voor de Gentse correctionele rechtbank de uitspraak gedaan over de afhandeling van de schadevergoedingen. Het federaal voedselagentschap FAVV krijgt 24,1 miljoen euro van vetsmelter Verkest en Jacques en Jacqueline Thill van Fogra.De dioxinecrisis barstte in 1999 los, nadat dioxines in de voedselketen terecht waren gekomen. Uit onderzoek bleek dat de besmetting haar oorsprong vond bij het bedrijf Verkest in Deinze en bij het Waalse Fogra. Het bedrijf Fogra leverde met giftige pcb's besmette vetstoffen aan Verkest, die ze aan de veevoederbedrijven verdeelde. De Verkests leverden zogezegd gesmolten dierlijk vet aan meng- en veevoederfabrikanten, terwijl het om een mengsel van dierlijk en technisch vet ging.Jan en Lucien Verkest werden later schuldig bevonden aan valsheid in geschrifte, gebruik van valse stukken en bedrog in koopwaar. Op burgerlijk gebied deed de Gentse correctionele rechtbank in 2013 uitspraak. De rechtbank had vetsmelter Verkest veroordeeld tot het betalen van meer dan een miljoen euro aan schadevergoedingen aan benadeelden van de dioxinecrisis. Over de schadevergoeding van de andere partijen werd toen nog geen uitspraak gedaan. De Belgische Staat wou voorheen 236.291.451,53 euro schadevergoeding en het Vlaamse gewest 149.241.000 euro, maar in 2013 bleek dat ze daarvoor nog geen verzoekschrift hadden ingediend.Bij de behandeling van de zaak in mei stelden alleen het FAVV en verschillende veevoederbedrijven zich voor de rechtbank. Het FAVV eiste in totaal 24,1 miljoen euro, waarvan 16 miljoen euro operationele kosten. Het gaat onder meer om de personeelskosten van extra aanwervingen die gemaakt werden door de acute dioxinecrisis. De verschillende veevoederbedrijven eisten samen een bedrag van meer dan 10 miljoen euro.De advocaten van Verkest en Fogra hadden gepleit dat de eisen tot schadevergoeding onontvankelijk zouden zijn. Er werd ook om de aanstelling gevraagd van een nieuwe deskundige om alle schade te becijferen, maar voor de schadevergoeding van het FAVV ging de correctionele rechtbank daar niet op in en werd de vordering integraal toegekend. De verschillende veevoederbedrijven eisten samen een bedrag van meer dan 10 miljoen euro. 'De wereld stond op zijn kop in de sector', stelde de advocaat van De Brabandere Wingene bij de behandeling van de zaak. 'We hebben een hele reeks kosten gedaan en klanten verloren. Het bedrijf kreeg geen steun van de overheid want het werd niet beschouwd als een landbouwbedrijf.' De Brabandere Wingene kreeg een schadevergoeding van 2,2 miljoen euro toegekend. Andere bedrijven wilden ook een vergoeding voor imagoschade en omzetverlies en zagen het grootste deel van hun vordering aanvaard. In bepaalde gevallen stelde de rechtbank wel een deskundige aan om de schade verder te onderzoeken. De partijen kunnen nog in beroep gaan, maar het vonnis wat betreft het FAVV werd 'uitvoerbaar bij voorraad' verklaard, waardoor in theorie onmiddellijke betaling kan gevraagd worden. Het is niet duidelijk of de veroordeelden in staat zijn om te betalen. De advocaten van de hoofdbeklaagden waren niet aanwezig bij de voorlezing van de uitspraak.