Op 13 oktober is een nieuwe, juister gezegd vernieuwde Bijbelvertaling verschenen. Ze borduurt voort op de Bijbelvertaling uit 2004 en brengt veranderingen en verfijningen aan. Ik herinner me levendig hoe die vertaling zeventien jaar geleden heel wat kritiek oogstte. Stel u voor: de 'kribbe' die fungeerde als wieg van Jezus, was voortaan een 'voederbak'. Dat desoriënteerde blijkbaar velen, ook niet-christenen. Op zichzelf vreemd, wie laat nu voor zo'n nederig woordje zijn slaap? Tegelijk toonde de commotie hoe belangrijk woorden zijn, zeker Bijbelse woorden, ook voor wie niet gelooft in God.
...

Op 13 oktober is een nieuwe, juister gezegd vernieuwde Bijbelvertaling verschenen. Ze borduurt voort op de Bijbelvertaling uit 2004 en brengt veranderingen en verfijningen aan. Ik herinner me levendig hoe die vertaling zeventien jaar geleden heel wat kritiek oogstte. Stel u voor: de 'kribbe' die fungeerde als wieg van Jezus, was voortaan een 'voederbak'. Dat desoriënteerde blijkbaar velen, ook niet-christenen. Op zichzelf vreemd, wie laat nu voor zo'n nederig woordje zijn slaap? Tegelijk toonde de commotie hoe belangrijk woorden zijn, zeker Bijbelse woorden, ook voor wie niet gelooft in God. Niet alleen woorden tellen, ook letters. Verwijzingen naar 'God', 'Jezus' en de 'Heilige Geest' worden in de herwerkte vertaling, anders dan in 2004, weer met een hoofdletter geschreven. Niet langer 'hij' maar 'Hij'. Dat was een van de 3500 voorstellen en suggesties die het vertaalteam aangereikt kreeg. De hoofdletter is een 'eerbiedskapitaal', die in het normale Nederlands nog altijd gangbaar is, zo luidt het. Maar ook daarop komt kritiek, omdat de hoofdletter afstand creëert en de Bijbelse God juist nabij wil zijn, aldus dominee Jaco Zuurmond uit Enschede. Feministische theologen en de Nederlandse Vrouwensynode zijn evenmin blij, omdat in hun ogen de hoofdletter het patriarchale beeld van God versterkt. Allemaal waardevolle argumenten, en het gaat over één letter. Ik vind dat fantastisch. Tussen de waan van de dag en heilige verontwaardiging over pietluttigheden vinden af en toe zinvolle discussies plaats over de vraag of een hoofdletter dan wel een kleine letter aangewezen is. Ik bedoel die opmerking volstrekt onironisch, omdat het niet om de hoofdletter gaat, maar om de onderliggende visie die raakt aan het godsbeeld zelf. Dat alleen al maakt de Bijbel geweldig: je kunt er heel veel kanten mee uit en tegelijk is elke letter belangrijk. Ook in deze, althans bij ons, seculiere tijden, want wereldwijd gelooft tachtig procent van de wereldbevolking op een of andere manier in God. Hier dus niet, en al zeker niet mensen die tot de culturele en maatschappelijke elite behoren. Precies daarom is het interessant dat samen met de Bijbelvertaling twee andere boeken verschijnen. Een prachtige Kunstbijbel, die ik verder onbesproken laat, en het boek Een gesloten tuin, een verzegelde bron, waarin tien hedendaagse auteurs uit Vlaanderen en Nederland schrijven over de betekenis die de Bijbel voor hen heeft. Dat levert een aantal sterke stukken op, ook een paar zwakkere, maar altijd zijn ze interessant, omdat ze de spanning bevatten tussen de ongelooflijke kracht en veelzijdigheid van de Bijbel en het algemeen gangbare ongeloof van onze tijd. Bij sommige auteurs leidt dat tot een openlijke belijdenis van hun ongeloof, vooraleer ze met hun tekst beginnen. Zo steekt Guus Kuijer in een erg aardig stuk van wal met de mededeling dat hij protestants-christelijk opgevoed is, waarna hij iets verderop meldt dat hij in zijn puberteit begreep dat hij ongelovig was. Christine Otten dan: 'Ik wind er maar geen doekjes om, ik kom uit een geslacht van atheïstische Bijbelhaters.' Spontaan dacht ik aan het morgengebed dat de onderwijzer in mijn basisschool debiteerde voor de eerste les. Het gebed was een noodzakelijk ritueel, wat een veilige bedding schonk aan alles wat die dag volgen zou. Precies de rol die een belijdenis van ongeloof vandaag vervult. Je kunt veel zeggen en schrijven, zolang je maar niet van godsgeloof wordt verdacht. Juist omdat ik wel van gebeden hou, zonder zelf goed te weten hoe te bidden, vind ik de verklaring van ongeloof een heerlijk traditioneel, lichtjes ontroerend begin. Maar nu naar de kern, de betekenis van de Bijbel en de Bijbelvertaling zelf. Ik zou er drie gedachten over willen delen, waarbij ik graag opmerkingen en inzichten van de auteurs van Een gesloten tuin als illustratie en klankbord aanwend. De Bijbel kwam geleidelijk tot stand, van de achtste eeuw voor Christus tot de tweede eeuw na hem. Het eerste gedeelte, het Oude Testament, bevat minstens 39 boeken, grotendeels geschreven in het Hebreeuws, een kleiner gedeelte in het Aramees. In de katholieke traditie is het Oude Testament omvangrijker, de Hebreeuwse Bijbel wordt er aangevuld met een aantal boeken van de Griekse Bijbel, de Septuagint. Het tweede gedeelte, het Nieuwe Testament, alles samen 27 boeken, is geschreven tussen 50 en 127 na Christus. De oudste teksten zijn de Paulusbrieven, tussen het jaar 50 en 60 tot stand gekomen. Paulus heeft over Jezus Christus gehoord maar hem nooit gezien. De evangelisten zijn mensen van een latere generatie, weten dus van horen zeggen. Niet alleen is de Bijbel geen boek maar een bibliotheek, het gaat bovendien om een zeer diverse bibliotheek, waarin verschillende genres, stijlen en thematieken aan de orde zijn. Dat alleen al maakt een 'letterlijke' lezing van de Bijbel tot een hachelijke onderneming. Hoe kun je bijvoorbeeld poëzie, zoals die in het Hooglied staat, 'letterlijk' nemen? Mensen die vandaag de Bijbel smalend een 'sprookjesboek' noemen, kunnen zo'n simpele analyse enkel volhouden door hun kennis zo gering mogelijk te houden. Wat niet betekent dat je gelovig moet zijn om van de Bijbel te kunnen genieten. Daarover zegt Guus Kuijer zeer terecht: 'Je hoeft in verhalen niet te geloven om ze te kunnen beleven.' Het feit dat de Bijbel een bibliotheek is en geen boek, heeft een zeer bevrijdend effect: je kunt er op heel verschillende manieren mee omgaan, van bijzonder angstig en fundamentalistisch tot uitermate vrij. Fundamentalistisch: Frank Westerman vertelt hoe op een dag in december 1975 zijn handarbeidleraar op de lagere school niet kwam opdagen. Hij zat, een paar weilanden verderop, in een gekaapte trein. Als kaper. Af en toe kozen de gijzelnemers een reiziger uit om hem te doden. Een van de kapers rechtvaardigde later de executie met een citaat uit de Bijbel, een bekend citaat uit het boek Prediker, dat één bijzin bevatte waarop hij meende zijn wreedheid te kunnen baseren. De passage gaat als volgt: 'Voor alles wat er gebeurt is er een uureen tijd voor alles wat er is onder de hemel.Er is een tijd om te baren en een tijd om te sterven, een tijd om te planten en een tijd om te rooieneen tijd om te doden en een tijd om te helen (...)een tijd om te beminnen en een tijd om te hateneen tijd van oorlog en een tijd van vrede.'Ziet u de fatale woordjes? 'Een tijd om te doden.' Voor de kaper volstonden ze om een mens af te slachten. Je zou kunnen argumenteren dat een letterlijke lezing van de Bijbel die interpretatie toch maar mooi toelaat. Maar daar ben ik het niet mee eens. De kaper doodde niet omdat de Bijbel het hem vroeg. Hij had al eerder besloten om te doden, en zocht Bijbelse woorden om een genomen besluit te ondersteunen en een gesloten visie te legitimeren. Dat kun je met heel veel teksten doen, en al zeker wanneer je, zoals in het geval van de Bijbel, kunt beschikken over een hele bibliotheek. Maar je kunt met die bibliotheek ook helemaal anders omgaan, zoals Désanne van Brederode doet. Om te beginnen is ze verre van naïef. De verhalen van Jezus Christus, hoe prachtig ook, druisen vaak in tegen de menselijke logica, schrijft ze, er is met de beste wil van de wereld geen beleid mee te maken. Neem nu de parabel van de Goede Herder, waarin iemand 99 schapen in de steek laat om dat ene verloren schaap te gaan zoeken. Weinig professioneel van de herder, hoe stom kun je zijn. En tegelijk een vertederend verhaal. Over het optreden van Jezus schrijft Van Brederode: 'Er is helemaal geen leer, laat staan een universeel geldige leer van te maken en precies dat zou behoedzaam, terughoudend, geduldig behoren te stemmen.' Die interpretatie staat haaks op de dreigende vraag die je vandaag te pas en te onpas vooral door niet-christenen hoort stellen: 'Wat zou Jezus vandaag doen?' Het antwoord is steevast: het standpunt van de vraagsteller zelf volgen, over klimaat of migratie of ongelijkheid. Maar de Bijbel is geen handboek dat een onveranderlijk juiste oplossing voor alle maatschappelijke problemen aanreikt. Daarvoor heeft hij niet te weinig, maar te veel te bieden, zoals volgende prachtige passage van Van Brederode illustreert: 'De Bijbel is betrouwbaar omdat hij niet één waarheid aanbiedt, maar ontmoetingen, gesprekken, vrienden. Waarheden. Stenen die, tegen elkaar geslagen, door wrijving vuur laten ontstaan.' Dat is meteen het verschil tussen de Bijbel als boek voor dode geboden - zoals bij de kaper van Frank Westerman - en de Bijbel als bibliotheek die de waarheid beschermt door haar niet exclusief te willen maken. Ook Kristien Hemmerechts schreef een sterke tekst over de Bijbel. Mijn favoriete halve zinnetje daarin: 'Stel dat God bestaat - waarbij het woord 'bestaan' helemaal niet past bij 'God'...' Ik begrijp het zo: 'bestaan' is iets voor mensen. God houdt zich daar niet mee bezig. Hij is fundamenteel anders. Maar ter zake. Hemmerechts geeft aan hoe ze over het Oude Testament anders is gaan denken: 'Op school leerden wij dat de God van het Oude Testament toornig was, in tegenstelling tot de liefdevolle God van het Nieuwe Testament. Dat beeld heb ik nu bijgesteld. Het Oude Testament drukt een besef uit van de zwakheid van de mens, die bijvoorbeeld niet de lokroep van het gouden kalf kan weerstaan en telkens opnieuw niet verder kijkt dan zijn neus lang is. God ziet het met lede ogen aan, sakkert en tandenknarst, en geeft de mens een nieuwe kans.' Misschien is dat beeld net iets te rozig. In de bibliotheek van de Bijbel vertoont God soms minder aangename kantjes, hoe zou u zelf zijn als u God was? Maar zeer juist is de opmerking van Hemmerechts dat we in de Bijbel heel veel over de mens leren, wat mij betreft meer dan in psychologische of sociologische internationaal gereviewde tijdschriften. Een God die Abraham opdraagt zijn zoon Isaak te vermoorden en Abraham die bereid is op die vraag in te gaan maar het uiteindelijk toch niet hoeft te doen. Niet simpel, zo'n verhaal. Is Abraham een moordenaar of een gelovige? En eist God echt absolute gehoorzaamheid, zoals het lijkt? Daar is prachtig over geschreven, onder meer door Søren Kierkegaard, in 1843, in zijn meesterwerk Vrees en beven. 'Had God ook tegen mij gesproken en niet alleen tegen Abraham, had ik het mes wel neergelegd', schrijft Arnon Grunberg. Maar hoe kun je dat heel zeker weten wanneer het niet is gebeurd? Hoe goed kennen wij onszelf? De geschiedenis van Job komt in Een gesloten tuin vele malen voor. Ze raakt onze tijdgenoten bijzonder. Het is het hartstochtelijke verhaal van een vrome en goede man die onrechtvaardig door het ongeluk wordt getroffen. Tegelijk gaat het om de zoektocht van de mens die probeert te begrijpen waarom het leven met zijn mooie en wrede kanten is zoals het blijkt te zijn. Een antwoord op die vraag bestaat niet, wat vele mensen, zeker ook onze tijdgenoten, God verwijten, waarvoor ze hem straffen door zijn bestaan te ontkennen. De worsteling van de mens met wie hij is en met het leven dat hij leidt, staat vandaag heel sterk op de voorgrond. Maar het is natuurlijk niet nieuw. In de Bijbel was het niet anders. Ook hij biedt geen tijdloze antwoorden maar belicht lucide en scherpzinnig de tragiek van het bestaan. Over nu naar het christendom, dat naast het Oude ook het Nieuwe Testament als basis heeft. En dat bovendien met de kerken, en vooral de rooms-katholieke, door de eeuwen heen veel successen heeft geoogst, soms door de 'christelijke' moraal niet zo nauw te nemen. Op zichzelf is dat succes al een moeilijke zaak, omdat Jezus Christus op aarde aan het kruis is gestorven, een smadelijker nederlaag is nauwelijks denkbaar. Het vroegere succes en de macht van de kerk worden haar, begrijpelijk, kwalijk genomen. Ik meen nog steeds dat vooral de ongeloofwaardigheid van de kerk als instituut, en niet die van de Bijbel, het ongeloof in onze streken danig heeft gevoed. Het komt alvast voorlopig niet goed met het instituut. Zo schrijft Annelies Verbeke: 'Met georganiseerde godsdiensten wenste ik mij niet meer in te laten en daar ben ik nooit op teruggekomen.' Velen denken zoals zij: de Bijbel heeft te veel te bieden om hem zomaar opzij te schuiven, maar voor het falen van de kerk is er geen excuus: weg ermee. Ze ontmoetten altijd wel een priester die zeurderig preekte of een vreugdeloze zuster met eelt op de ziel, personages die hielpen om de kerkdeuren definitief te sluiten. Om van seksueel misbruik nog maar te zwijgen. Dat is de tragiek van de kerk. Haar bestaan is onvermijdelijk, blijf ik ook nu nog denken. En tegelijk is ze gedoemd om te mislukken. Ze is onvermijdelijk: geloven, twijfelen, nadenken, beleven en vieren inbegrepen, doet een mens niet in zijn eentje. Hij doet het altijd op een bepaalde manier samen met anderen, door de ontmoeting en het gesprek. In de Bijbel kom je figuren van vroeger tegen, in Een gesloten tuin schrijvers van nu. In beide gevallen ga je met hen in dialoog, je toetst je eigen ideeën en vooroordelen af aan de hunne. Het gesprek kan leiden - denk aan de groei van de vroege kerk - tot bijeenkomsten van mensen, tot rituelen, uiteindelijk tot structuren die menselijk en onvolmaakt blijven, macht en machtsmisbruik voeden, hoe graag mensen het ook anders zouden willen. In elke structuur zit de kiem van haar falen. Wie door de Bijbel begeesterd wordt, ontkomt tegelijk niet aan een realiteit die de Bijbel zelf ook schetst: die van de continu falende mens. Zelfs Petrus verloochende Jezus op het moment van de waarheid. Er rest elk instituut niets anders dan na het falen weer overeind te krabbelen en opnieuw te beginnen. Een van de artikelen in Een gesloten tuin komt van de classicus Piet Gerbrandy. Hij begrijpt waarom het christendom in het Romeinse Rijk succes kon hebben. De bestaande godsdiensten mikten te veel op rituelen alleen en misten metafysische diepgang. Maar het christendom werd te machtig en dan liep het mis: aan de veelheid van godsdiensten die het Romeinse Rijk kenmerkte, werd een einde gemaakt. Bijzonder streng is Gerbrandy voor Ambrosius, de aartsbisschop van Milaan, die in 397 overleed: een machtspoliticus. Een machtspoliticus? Wie de Bijbel leest, ontmoet er vele. Ze komen en gaan, maar ze zullen er altijd zijn, in elk segment van de samenleving. Dat is iets wat de Bijbel ons leert. Niet dat het niet mag, dat is een moralistische lectuur waarvan ik huiver, maar dat het onvermijdelijk is, dat is dan weer de antropologische insteek die ik koester en die de Bijbel zo sterk maakt. Ik wil eindigen met een gedachte die me de laatste tijd steeds meer bezighoudt. Veel van onze tijdgenoten, ook de meeste auteurs van Een gesloten tijd, vinden kerken niet leuk. Ze hebben er het liefst zo weinig mogelijk mee te maken. Daar zijn goede redenen voor. Maar er zijn er misschien nog betere om dat niet te doen. In het Oude Testament laat God zijn uitverkoren Joodse volk nooit definitief in de steek. Zeker, hij laat het beproevingen ondergaan en af en toe in ballingschap vertrekken. Maar hij verbreekt nooit het Verbond. Paulus, in het Nieuwe Testament, brak de notie 'uitverkoren volk' open. Het christendom sloot niemand uit. Alle volkeren en rassen waren welkom. Zoals het uitverkoren volk in het Oude Testament tekortschoot, zo faalt vandaag de kerk. Daarom keren onze tijdgenoten zich van haar af. Een keuze. Maar het kan net een Bijbelse keuze zijn om dat niet te doen, ondanks alle onvolkomenheden van het instituut. Een keuze uit barmhartigheid, dat is de nobele insteek. Maar misschien ook, meer antropologisch en pragmatisch bekeken, een keuze omdat de mens, ondanks al zijn goede bedoelingen, nu eenmaal gedoemd is om onvolmaakt te zijn. Voor alle helderheid. Dit is geen pleidooi voor de kerk. Wel voor de Bijbel.