De Red Lions waren de Sportploeg van 2018. Op hun niveau zijn ze sportidolen geworden, maar hockey is daarom nog geen voetbal. Op de terreinen van Royal Beerschot Hockey Club in Kontich, waar de nationale ploeg traint, heeft ook een jeugdkamp plaats. In de cafetaria zien de jonge sporters met enige opwinding hoe de Lions aanschuiven voor een sobere lunch - als het Rode Duivels waren geweest, had men dranghekken moeten aanslepen. Vijf minuten later zijn de hockeykampioenen alweer vergeten. Het aangrenzende zwembad opent - en tegen jongedames in badpak kunnen zij niet op.
...

De Red Lions waren de Sportploeg van 2018. Op hun niveau zijn ze sportidolen geworden, maar hockey is daarom nog geen voetbal. Op de terreinen van Royal Beerschot Hockey Club in Kontich, waar de nationale ploeg traint, heeft ook een jeugdkamp plaats. In de cafetaria zien de jonge sporters met enige opwinding hoe de Lions aanschuiven voor een sobere lunch - als het Rode Duivels waren geweest, had men dranghekken moeten aanslepen. Vijf minuten later zijn de hockeykampioenen alweer vergeten. Het aangrenzende zwembad opent - en tegen jongedames in badpak kunnen zij niet op. Van vrijdag 16 tot zondag 25 augustus ontvangt Antwerpen het Europees Kampioenschap hockey in stadion Wilrijkse Plein. Bij de mannen is België met stip de favoriet: zeker sinds de Red Lions eind vorig jaar wereldkampioen werden in India, na shoot-outs tegen Nederland, is ons land een grootmacht in het hockey. En Vincent Vanasch heeft daarin een stevig aandeel. Op het WK slikte de Brusselse goalie, bijgenaamd The Wall, amper vijf doelpunten in zeven matchen. Voor een sport als deze, waarin er zo veel wordt gescoord, is dat een waanzinnig cijfer. Maar wint de wereldkampioen ook de Europese titel? 'Ik zou flauwtjes kunnen antwoorden dat we hopen van wel,' zegt de perfect tweetalige Vanasch, 'maar het volk verwacht de titel, en gezien ons statuut kunnen we niet content zijn met minder. Het wordt een lastig toernooi, bijna op het niveau van het WK. Op Australië en Argentinië na zijn alle toplanden aanwezig.' Thuis spelen: is dat gemakkelijker of geeft het meer druk? Vincent Vanasch: Voor eigen volk spelen: ik ken geen enkele sporter die dat niet graag doet. Het publiek geeft extra energie, zeker thuis. En druk? Een wereldkampioen kan die aan. Dat gezegd zijnde ligt het niet voor de hand om de concentratie te bewaren als je thuis speelt. Daar ben ik nog het bangst voor. De Red Lions zijn bereikbaar, hè. Onze fans zullen met ons willen praten, onze families en vrienden zullen in groten getale aanwezig zijn: dat moeten we goed managen. U zei het al: het volk verwacht een titel. Vanasch: Dat mag, zolang de mensen het maar niet vanzelfsprekend vinden. In topsport zijn details beslissend, en ook de wereldkampioen kan een offday hebben. Ik teken meteen voor een toernooi zoals het WK. In India liep het eigenlijk niet zo vlot, de poulefase hebben we met moeite overleefd. Pas toen de cruciale wedstrijden eraan kwamen, raakten we op stoom. Pas op, geen probleem als we in Antwerpen vanaf match één spetterend hockey spelen. Dat mag ook. (lacht)Een poule met Spanje, Engeland en Wales: mag dat een probleem zijn? Vanasch: Spanje hebben we de laatste keer met 7-2 geklopt, Engeland met 6-0. Dat zijn zware cijfers, maar die teams zijn ongetwijfeld belust op revanche. En wij mogen de gedachte niet toestaan dat het gemakkelijk zal worden. Er zijn geen excuses. En Wales is misschien geen groot hockeyland, maar op die match zit misschien nog wel de meeste druk, omdat het doelsaldo beslissend kan zijn. Wordt Nederland weer dé grote concurrent? Vanasch: Duitsland heeft ook een bijzonder sterke ploeg, maar iedereen weet dat Nederland dé hockeynatie is. En dat de Nederlanders erop gebrand zijn hun verlies op het WK weg te spoelen. Hebben de Nederlanders stilaan een Belgencomplex? Jullie klopten hen op de Spelen, in de WK-finale en onlangs nog in de halve finale van de Pro League. Vanasch: Laat ik het zo zeggen: ik loot hen graag. (lacht) Ze zijn een gevaarlijke, moeilijke tegenstander, maar bij de Red Lions halen ze het beste naar boven. Beide teams kennen elkaar door en door. Veel Belgen spelen in Nederland of hebben er gespeeld. Vroeger voelden we ons de minderen als we tegen Nederland aantraden. Het heeft lang geduurd voor we een keer wonnen, maar sinds de Spelen van 2016 trekken we altijd aan het langste eind. Nederlanders denken vanzelf dat ze de besten zijn, zeker in het hockey: dat beschouwen ze nog altijd als hún sport. Maar ze hebben ondertussen veel respect voor ons. We zijn niet langer het kleine België. De Nederlandse kranten waren anders vernietigend na de WK-finale: 'België speelde saai, verdedigend antihockey', vond De Telegraaf bijvoorbeeld. Vanasch: Zo praten verliezers. (lacht) Het was inderdaad een gesloten match, maar dat kwam net zozeer door de opstelling van Nederland: zij vonden geen opening in onze defensie. Wij hadden weinig kansen, maar zij ook. Ik vond het in ieder geval héérlijk om hen achteraf zo boos te zien. Voor je denkt dat ik iets tegen Nederlanders heb: ik vind hun sportmentaliteit fantastisch. Ik heb in Nederland gespeeld, en daar heb ik pas echt geleerd wat doorzettingsvermogen is. Je geeft álles. Je gaat het terrein op met het idee: wij hebben harder gewerkt, wij zijn beter, deze match is al zo goed als gewonnen. Dat zelfvertrouwen is een te duchten wapen. Heel de Belgische sport zit in de lift, van voetbal over turnen tot basketbal, meerkamp en zelfs boksen. Wat is de verklaring? Vanasch: Ik denk dat wij onze sportidentiteit hebben gevonden. Die is niet eenduidig, zoals bij de Nederlanders, die allemaal oranje dragen en dezelfde taal spreken. Ons land heeft drie kleuren en drie talen. Misschien was dat ooit een zwakte, maar vandaag is het onze kracht. Je stopt veel meningen in één potje en maakt er samen iets moois van: dat is België. Wij staan open voor iedereen. De bondscoach van de Red Lions is een Nieuw-Zeelander en we hebben ook een Nederlander en een Ier in de staf. Andere landen vertrekken meer van het idee: 'Wij hebben de waarheid in pacht, buitenstaanders hebben ons niets te leren.' De generatie Belgische sporters die nu de dienst uitmaakt, heeft een natuurlijk zelfvertrouwen. Neem Nafi Thiam, de Borlées of Nina Derwael: zij twijfelen niet, zij wéten dat ze de wereld aankunnen. Waar komt uw bijnaam, The Wall, vandaan? Vanasch: Van één indrukwekkende training bij de Red Lions. Die keer stopte ik werkelijk álles. 'Alsof je tegen een muur speelt', vonden de gasten. (lacht) Een coole bijnaam, ik heb geluk gehad. Cédric De Greve, mijn vroegere concurrent bij de nationale ploeg, noemden ze Het Vergiet. Ten onrechte, Cédric was een fantastische keeper. Maar zodra zo'n bijnaam aanslaat, zit je ermee. Een hockeydoelman moet geweldige reflexen hebben. Ik vind het als toeschouwer al moeilijk om de bal te volgen. Vanasch: Jonge keepers worden gedrild om alleen oog te hebben voor die witte bal. De minste beweging moet je gezien hebben, om als een kat naar de hoek te duiken. Na jaren training voel ik als het ware aan waar de bal gaat komen. Het is bijna een instinct. Topniveau haal je alleen door hard en veel te trainen, jarenlang, maar goede reflexen zijn aangeboren: je hebt ze of je hebt ze niet. U staat bekend als de beste doelman ter wereld. Wat is uw geheim? Vanasch: Dat ik me wegcijfer voor het team. Liever zelf een mindere match en winnen dan de ene spectaculaire redding na de andere maar finaal de boot in gaan. Ik mag van mezelf zeggen dat ik een harde werker ben. Dat moet ook. Ik vergelijk het weleens met een pianist: die kent elk concerto vanbuiten, maar om het helemaal in de vingers te hebben, moet je blijven oefenen. Iedere dag. Alles moet wijken voor het hockey. In juli hadden we tien dagen vakantie, en mijn familie weet dat ik dan geen klap uitvoer. Rusten is: zorgen dat je klaar bent voor de uitdagingen van morgen. Ik heb u voor de match zien jongleren. Het viel me op dat de verdedigers u dan even met rust laten. Zit daar een verhaal achter? Vanasch: Keepers uit het Amerikaanse ijshockey doen dat ook altijd, om hun hand-oog-coördinatie te oefenen. Ik heb daar mijn eigen versie van gemaakt, en dat is een ritueeltje geworden. Als ik vlot jongleer, voel ik me scherp. Laat ik een bal vallen, dan doe ik verder tot het een keer lukt. Daarom nemen de verdedigers wat afstand. Een keeper heeft een vreemde rol. Je moet mee leiding geven aan je team, maar in wezen sta je er alleen voor in dat grote doel. Die verantwoordelijkheid schrikt velen af. Je hebt een gezonde dosis arrogantie nodig om ze te dragen, de veldspelers zeggen zelfs dat je er een beetje gek voor moet zijn. Je mag ook niet bang zijn voor een beetje pijn. Een hockeybal weegt bijna niets, maar hij komt wel met 130 kilometer per uur op je af. Twee grote blauwe plekken is mijn wekelijkse gemiddelde. Part of the job. Het gekke daaraan is: een bal stoppen doet juist deugd. De pijn voel je pas na de match. Als man moet ik het vragen: bent u ooit in uw kruis geraakt? Vanasch: Eén keer, gelukkig een schampschot. Ik hockey al vijfentwintig jaar, het gebeurt dus niet vaak, maar dat ene schot is toch een herinnering die bijblijft. (lacht)Wanneer het na verlengingen op shoot-outs aankomt, zijn de Belgen gerust: The Wall staat paraat. Vanasch: Shoot-outs zijn psychologisch duels met de aanvaller. Ik ben geen type dat gaat intimideren, maar ik heb andere manieren om in iemands hoofd te kruipen. Bij een shoot-out moet er binnen de acht seconden worden gescoord. Ik bestudeer video's van aanvallers: hoe reageren ze onder druk, welke beweging maken ze wanneer het erom spant? Elke speler heeft tics, en ik probeer daar maximaal van te profiteren. Welke speech zou bondscoach Shane McLeod klaar hebben voor het EK? Vanasch: Ja, dat is altijd een heel theater. McLeod is een topverteller, hij kan je echt raken. Op de Olympische Spelen vertelde hij anekdotes van zijn vrouw, die op een afdeling met hartlijders werkt - aangrijpend. Vlak voor de halve finale bracht hij heel de ploeg aan het huilen. Ik dacht: hey, mannen, dadelijk spelen we de belangrijkste match van ons leven, hè! (lacht) Maar het werkte, we sprongen als leeuwen uit de kleedkamer. Tijdens het WK in India vertelde hij over de film Slumdog Millionaire. Die is gebaseerd op een waargebeurd verhaal dat zich had afgespeeld in de buurt van waar de wedstrijden plaatsvonden. Ik heb hem zelf niet gezien, maar blijkbaar gaat het over een straatjongen die als een gek heeft geblokt voor een populaire tv-quiz. Hij weet alle antwoorden, behalve die op de finalevraag - en dus gokt hij. Hij redeneert: ik heb alles juist gedaan, dus ik verdien nu een beetje geluk. De boodschap was: je creëert je eigen kansen, zolang je maar hard werkt. Voor de Red Lions is dat heel herkenbaar. Voor zijn komst was België een goede ploeg, maar McLeod heeft kampioenen van ons gemaakt. En natuurlijk niet alleen door verhalen te vertellen. Hij heeft oog voor detail, hij wil alles juist hebben. Een vakman. De Red Lions waren de eeuwige tweede: twee keer zilver op het EK, zilver op de Spelen. Welk verschil maakt het dat jullie eindelijk goud hebben gewonnen? Vanasch: Niemand kan ons nog 'de generatie Net-Niet' noemen. Dat voelt natuurlijk goed, maar we mogen niet zelfgenoegzaam worden. We hebben geleerd van die verloren finales, ook al deden ze pijn. De uitdaging nu is: blijven leren en evolueren. Anders zouden we weleens een ruwe ontgoocheling kunnen oplopen. Vanaf nu is alleen goud nog goed genoeg - ook dat is veranderd.Hockey heeft een elitair imago. Vanasch: Dat is niet langer terecht. Iedereen kent de Red Lions ondertussen, ik merk het zelf op straat. Ons succes heeft het hockey gedemocratiseerd, zeker bij de jeugd: jongens en meisjes uit alle lagen van de bevolking trekken op zaterdag naar een club. Het materiaal is niet goedkoop, maar al bij al hoort deze sport niet bij de allerduurste.Toch weerspiegelt het hockey de multiculturele samenleving nog niet. Vanasch: Dat is aan het groeien. Bij mijn jeugdclub White Star Evere heeft een aanzienlijk deel van de jeugd buitenlandse roots. Zijn er drempels? Misschien, maar ik weet zeker dat iedereen welkom is. Hockeyer werd je lange tijd van vader op zoon, buiten het eigen milieu rekruteren was niet nodig. Dat wordt nu doorbroken, wat uiteraard toe te juichen valt. Ik kom zelf ook uit zo'n hockeyfamilie. Mijn vader heeft de jeugdschool van White Star opgericht. Elk vrij moment was ik er te vinden, zelfs als er geen match bezig was. Ik was gefascineerd door de doelmannen. Hun tenue deed me denken aan Batman. (lacht) Bij de rust stond ik klaar om de handschoenen en de helm van de keeper aan te nemen, om me zelf een paar minuutjes Batman te wanen. Zo is het begonnen. U bent nu tweeëndertig en bent nog altijd aan het studeren. Vanasch: Ik ben een gediplomeerd kinesist en volg nu een bijkomende opleiding osteopathie. Die combinatie is zwaar, maar je moet iets achter de hand hebben. Sportcarrières kunnen in een oogwenk voorbij zijn, en na je vijfendertigste begint er sowieso een nieuw leven. Osteopathie: is dat geen kwakzalverij? Er is geen wetenschappelijk bewijs dat het werkt. Vanasch: Baby's met reflux zijn daar na drie bezoeken aan een osteopaat meestal van verlost. Niemand kan goed onder woorden brengen hoe dat komt, maar werken doet het zeker. Ik vergelijk het met meditatie. Mij brengt dat tot rust, maar andere Red Lions die ik heb overtuigd om het te proberen, hadden er niets aan. Sta je ervoor open? Daar hangt het van af.