'Hier net voor de deur werd een schooljongetje door een auto gegrepen', vertelt Jan De Maeseneer. 'In 1983 was dat, op de eerste schooldag. Omdat er een paar weken eerder op dezelfde plek al een voetganger was aangereden, begonnen we samen met de buurt actie te voeren voor meer verkeersveiligheid. Ook dat hoort bij onze opdracht als dokter. Het gevolg is dat we nu naar een weg met twee in plaats van vier rijstroken staan te kijken.' Vanaf de tweede verdieping van dienstencentrum De Knoop in de Gentse deelgemeente Ledeberg hebben we een weids uitzicht over het verkeer dat Gent binnenstroomt. Het is hier vlakbij dat De Maeseneer eind jaren zeventig samen met zijn vrouw een huisartsenpraktijk begon, die al snel zou vervellen tot een van de eerste wijkgezondheidscentra van het land.
...

'Hier net voor de deur werd een schooljongetje door een auto gegrepen', vertelt Jan De Maeseneer. 'In 1983 was dat, op de eerste schooldag. Omdat er een paar weken eerder op dezelfde plek al een voetganger was aangereden, begonnen we samen met de buurt actie te voeren voor meer verkeersveiligheid. Ook dat hoort bij onze opdracht als dokter. Het gevolg is dat we nu naar een weg met twee in plaats van vier rijstroken staan te kijken.' Vanaf de tweede verdieping van dienstencentrum De Knoop in de Gentse deelgemeente Ledeberg hebben we een weids uitzicht over het verkeer dat Gent binnenstroomt. Het is hier vlakbij dat De Maeseneer eind jaren zeventig samen met zijn vrouw een huisartsenpraktijk begon, die al snel zou vervellen tot een van de eerste wijkgezondheidscentra van het land. Haast veertig jaar hield hij hier consultatie. Ook toen hij al lang de vakgroep huisartsgeneeskunde van de Gentse universiteit leidde. 'Dan had ik 's ochtends consultaties, ik besprak ze 's middags met de studenten en zat 's avonds de Gentse gezondheidsraad voor', vertelt hij. 'Soms voelde dat nogal schizofreen: ik sprak met patiënten die diep in de miserie zaten, en meteen daarna onderhandelde ik in een peperduur hotel met vertegenwoordigers van artsengroepen.' Daar komt nu allemaal een eind aan. In juni werkte De Maeseneer zijn laatste consultaties in het wijkgezondheidscentrum af, en eind deze maand gaat hij aan de universiteit met emeritaat. Om die gelegenheid de nodige luister bij te zetten, verschijnt het boek Family Medicine and Primary Care: zijn professionele nalatenschap.'Ik vind het heerlijk om 65 te zijn', lacht hij. 'Pas nu, door terug te kijken op de decennia die achter me liggen, besef ik dat er een rode draad loopt door alles wat ik heb gedaan. Als huisarts, professor en beleidsadviseur. Altijd ben ik ervan overtuigd gebleven dat louter medische kennis niet volstaat: we mogen niet alleen oog hebben voor de ziekte van een patiënt, maar moeten naar zijn hele sociale context kijken.' Niet iedereen is het daarmee eens. Sterker nog: De Maeseneers vasthoudendheid en uitgesproken sociale profiel werken sommige collega's en beleidsmakers al jaren danig op de zenuwen. Jan De Maeseneer: Ik ben altijd open geweest over mijn overtuigingen, en daardoor stootte ik in het begin weleens op weerstand. Maar eens die was overwonnen, kon ik veel realiseren. Als je consequent bent, weet men tenminste waar je voor staat. Een partijkaart heb ik trouwens nooit gehad. Ook niet toen ik adviseur was op het kabinet van toenmalig minister van Volksgezondheid Philippe Busquin (PS). De Maeseneer: Dat deed ik met de bedoeling om de gezondheidszorg te veranderen.Pas gaandeweg heb ik ontdekt dat ik ook ontzettend graag met patiënten bezig ben. Als jonge geneeskundestudent wilde ik vooral geen dokter worden zoals de generaties voor mij. En ik was niet alleen: veel van mijn studiegenoten dachten er net zo over. Wij geloofden in een andere gezondheidszorg, die voor iedereen toegankelijk is en waarin de patiënt centraal staat. Daar hoorde voor ons natuurlijk ook een nieuwe, rechtvaardiger financiering bij. Vergeet niet dat wij begin jaren zeventig nog op dezelfde manier werden opgeleid als onze professoren in de jaren vijftig. En tegen de tijd dat ik zelf les begon te geven aan geneeskundestudenten was er nog altijd niet veel veranderd. Ook zij kregen vooral veel scheikunde, fysica en andere theoretische vakken en zagen pas tegen het eind van hun studie een echte patiënt. De Maeseneer: Nee, maar er is een zware crisis nodig geweest om het tij te keren. In 1998 schreven er zich in het eerste jaar nog amper zeventig studenten in, én kregen we een verwoestend rapport van de accreditatiecommissie. Omdat de richting huisartsgeneeskunde het enige lichtpunt was, vroegen ze mij om de geneeskundeopleiding te hervormen. En dat heb ik ook gedaan. From scratch. De Maeseneer: Omdat ik in wezen een change manager ben. De Maeseneer: Ik ben een principieel man. De Maeseneer: Trumps afbraakpolitiek in de gezondheidszorg is niet de enige reden waarom ik thuis ben gebleven. Dat bewuste congres was een samenkomst van het Global Forum on Innovation in Health Professional Education. Als enige Europeaan in dat gezelschap heb ik na een boeiende meeting al vaak voorgesteld om onze inzichten in een persbericht te gieten. Maar dat durven mijn gewaardeerde Amerikaanse collega's niet, want dan zouden ze problemen kunnen krijgen met hun sponsors. Doordat hun universiteiten worden gefinancierd door bedrijven en andere private organisaties kunnen academici daar niet onafhankelijk werken. Laten we dus heel dankbaar zijn dat onze universiteiten met publieke middelen worden bekostigd - al staat hun onafhankelijkheid nu ook in sommige Europese landen onder druk. Maar als academici door de samenleving worden betaald, hebben ze natuurlijk ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid: het is hun taak om binnen hun vakgebied de vinger op de wonde te leggen en oplossingen aan te reiken. Vandaag zijn er nog te veel academici die dat niet doen. In de faculteit geneeskunde hebben we daarom een nieuwe regel ingevoerd: wie aan een doctoraatsonderzoek begint, moet de maatschappelijke relevantie ervan toelichten. De Maeseneer: Het ene al meer dan het andere. De financiering is ook heel eenzijdig. Voor onderzoek naar de behandeling van kanker of aids kun je vlot veel geld krijgen, maar het is veel moeilijker als je wilt onderzoeken hoe de chronische zorg voor kwetsbare patiënten verbeterd kan worden. Zo proberen we al jaren tevergeefs om Europese subsidies los te krijgen voor een onderzoek naar de behandeling van mensen die aan verschillende chronische ziekten lijden - iets wat tegenwoordig veel voorkomt. Vandaag wordt daarbij nog veel te weinig rekening gehouden met wat de patiënt zelf wil. De ene vindt het bijvoorbeeld belangrijk om elke week met vrienden te kunnen kaarten of om met de kinderen naar de supermarkt te gaan, terwijl een goede levenskwaliteit er voor de andere weer helemaal anders uitziet. Doordat artsen vooral op de medische resultaten gericht zijn, starten ze soms behandelingen op die niet echt bijdragen aan de levenskwaliteit. Wellicht is dat ook de reden waarom we dat onderzoek moeilijk gefinancierd krijgen: met een nieuw medicijn valt meer geld te verdienen. De Maeseneer: Een minderheidlijkt te denken dat het budget voor gezondheidszorg van hen is. Daar word ik onwel van. Dat is publiek geld, waarvan wij een stukje mogen gebruiken om er op een transparante en kwaliteitsvolle manier iets zinnigs mee te doen. Het is dus niet de bedoeling om zo veel mogelijk onderzoeken en behandelingen uit te voeren die veel geld opleveren. Ik kan me trouwens niet voorstellen dat je daar echt gelukkig van wordt. Uiteindelijk kun je toch maar met één Maserati tegelijk rijden? Het grote probleem is dat het huidige financieringsmodel uitwassen in de hand werkt doordat artsen vooral per prestatie worden betaald. Daar moeten we van af. De Maeseneer: Loondienst. Toch voor artsen die in een ziekenhuis werken. Ik ken heel wat jonge dokters die dat best zouden zien zitten. De Maeseneer: Toch wel. In de ziekenhuizen zijn de middeleeuwen nog altijd bezig: gildes eigenen zich er de middelen van hun leden toe. Alleen heten die gildes nu maatschappen en associaties (die groepen van zelfstandige specialisten verenigen, nvdr.), en zijn de leden specialisten in plaats van wevers of timmerlieden. Om in zo'n maatschap echt mee te tellen, moet je minstens 300.000 euro per jaar binnenbrengen. Dan verdien je netto dus ongeveer 11.000 euro per maand. Voor een jonge arts is dat natuurlijk heel veel. Onlangs nog vertelde een cardiologe van halverwege de dertig me dat de maatschap haar proeftijd had verlengd omdat ze niet genoeg geld binnenbracht, te weinig technische prestaties leverde en te veel tijd aan haar patiënten besteedde. Dat slaat toch nergens op? Ik hoor ook dat jonge dokters zich verplicht voelen om onwetenschappelijke prestaties te doen omdat die de maatschap geld opleveren. Anders worden ze uit de club gezet. Daarom ben ik ervan overtuigd dat veel jonge artsen loondienst zouden zien zitten. Op voorwaarde dat ze een degelijk statuut en een goed loon zouden krijgen, natuurlijk. De Maeseneer: Een arts wordt met gemeenschapsgeld betaald, en dus vind ik dat hij hoogstens evenveel mag verdienen als de premier, die in onze samenleving toch de ultieme verantwoordelijke is. Ik zou de grens dus op een maandloon van 9500 euro netto willen leggen. Belangrijk is ook dat de loonspanning veel kleiner wordt, want er is geen enkele reden waarom de ene specialist acht keer meer zou moeten verdienen dan de andere. De Maeseneer:Onzin. Mijn leven lang ben ik ambtenaar en bediende geweest, en heb ik voor een vast loon gewerkt. Nooit heb ik op mijn horloge zitten kijken tot het 17 uur was. Dan begon het werk pas. En dat geldt voor veel artsen. De Maeseneer: Nochtans is dat een heel goed model om iedereen degelijke zorg te bieden. In een wijkgezondheidscentrum is een interdisciplinair team verantwoordelijk voor de preventie en behandeling van alle patiënten die er zijn ingeschreven. Doordat het centrum van het ziekenfonds een forfaitair bedrag per patiënt krijgt, hoeft niemand er te betalen voor een consultatie. Zo bereiken we ook kwetsbare groepen die in de gewone prestatiegeneeskunde uit de boot vallen. In de hele wereld, van Afrika tot in Latijns-Amerika en Azië, vinden ze dat een prachtig model. Alleen de Belgische minister van Volksgezondheid, Maggie De Block (Open VLD), ziet er niets in: nog altijd weigert ze om nieuwe wijkgezondheidscentra te erkennen. De Maeseneer: Dat is gewoon een strategie om de dynamiek in de sector plat te leggen. De minister wil niet dat er nog meer wijkgezondheidscentra bijkomen. De Maeseneer: Tegen mij wel. Onder vier ogen toch. 'Ik ben daar niet voor, Jan', zegt ze dan. Natuurlijk niet, want wijkgezondheidscentra passen niet in haar neoliberale overtuiging. Toen ze haar kabinet samenstelde, wist ik al hoe laat het was. Het liep daar plots vol Itinera-jongens die ons eens zouden laten zien hoe de vrije markt alle problemen in de gezondheidszorg kan oplossen. Quod non, natuurlijk. Nergens ter wereld heeft de vrije markt kwaliteitsvolle, toegankelijke zorg tot stand gebracht. Net zoals het Semashko-model uit de Sovjet-Unie, waarbij alles top-down wordt beslist, niet werkt. De Maeseneer: Omdat we zo veel succes hebben, natuurlijk! Elk jaar groeit het budget van de wijkgezondheidscentra met 10 procent aan omdat er almaar meer centra en meer patiënten bijkomen. Om de een of andere reden wil de minister dat maar niet begrijpen. Moeilijk is het nochtans niet. Ik heb het zelfs aan mijn kleindochter van zes kunnen uitleggen. Ik toonde haar een grafiek met twee curves: een voor de uitgaven en een voor het aantal patiënten. 'Opa!' riep ze. 'Die lijntjes zullen elkaar nooit tegenkomen, want ze gaan samen altijd maar meer naar boven.' De Maeseneer: (met uitgestreken gezicht) We hebben vooral een verblinde minister. Haar ideologie verhindert haar om de realiteit onder ogen te zien. De Maeseneer: Omdat ze arts is, heeft ze van bij het begin heel veel krediet gekregen. Ook van ons huisartsen. Maar dat heeft ze ondertussen verspeeld.Ontzettend jammer is dat. In al mijn jaren als huisarts heb ik eigenlijk maar één goede federale minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken meegemaakt: Frank Vandenbroucke (SP.A). Hij heeft ervoor gezorgd dat de terugbetaling van medische zorg beter werd geregeld, en dankzij de invoering van de maximumfactuur zijn mensen nu beschermd tegen catastrofaal hoge medische kosten. De Maeseneer: Het is dan ook door haar neoliberale overtuiging dat minister De Block zo halsstarrig blijft vasthouden aan de keuzevrijheid van artsen en patiënten. Op termijn wordt dat onbetaalbaar. Iedereen zou een vaste huisarts moeten hebben. Dat zou om te beginnen het medisch shoppen aan banden leggen: als een patiënt geen slaapmiddel krijgt van zijn huisdokter, dan kan hij niet zomaar naar een andere praktijk stappen om het daar nog eens te vragen. Met zo'n vaste huisarts zouden mensen ook minder voor het minste of geringste naar een specialist gaan. De Maeseneer: Wel als het goed wordt aangepakt. Het Globaal Medisch Dossier (GMD), dat we hebben uitgewerkt op het kabinet van Philippe Busquin, is vandaag heel goed ingeburgerd: 71 procent van de Vlamingen heeft er één. Dat wil zeggen dat ze ingeschreven zijn bij een huisarts die al hun medische gegevens centraal beheert. Ik heb dus mijn twijfels over die zogenaamde angst van de patiënten om zich aan een huisarts te binden. Het zijn eerder onze beleidsmakers die bang zijn. Het ontbreekt hen aan politieke moed om het GMD bindend te maken. De Maeseneer: Niets. Haar verhaal is over en uit. In de dossiers die ze in gang heeft gestoken, zoals de erkenning van de zorgberoepen en de hervorming van de ziekenhuisnetwerken, wordt nauwelijks nog vooruitgang geboekt. De Maeseneer: Ziet u mij al functioneren in een politieke partij? (lacht) Als academicus ben ik altijd tegen de stroom blijven ingaan. Daarbij heb ik de politieke besluitvorming wellicht af en toe kunnen beïnvloeden. Ik ben dus heel blij dat ik voor een academische carrière heb gekozen. Daardoor heb ik altijd een veel grotere vrijheid gehad dan in de politiek mogelijk zou zijn geweest. Vraag maar aan Frank Vandenbroucke. Hij heeft me verteld dat hij ondertussen tot dezelfde conclusie is gekomen. De Maeseneer: Tegenwoordig is het bon ton om te beweren dat wie niet succesvol is dat vooral aan zichzelf te wijten heeft. Dat is in Vlaanderen toch het discours van N-VA'ers als Bart De Wever en Liesbeth Homans. Omdat zij ver zijn geraakt door flink te zijn, moeten anderen het ook maar zo doen. Ook in onze auditoria zie ik meer en meer studenten die er zo over denken, en dat verontrust me. Zeker omdat zij de zorgverleners van morgen zijn. Dat individuele schuldmodel van de N-VA staat haaks op de belangrijkste waarden van de zorgverlening: elke mens respecteren, helpen en kansen geven. De Maeseneer: Het motto van onze Universiteit is 'Durf denken', en dat passen we ook in onze opleiding toe: wie in Gent geneeskunde komt studeren, weet dat er veel aandacht gaat naar de maatschappelijke kant van de zaak. Al onze studenten werken een week in een achterstandswijk, doen stage in een woonzorgcentrum bij mensen met dementie, en volgen twee jaar lang een gezin met een pasgeboren baby. Natuurlijk is dat traject niet voor elke student even evident. Daarom worden ze tegenwoordig van bij het begin van de opleiding in kleine groepjes ingedeeld die telkens begeleid worden door een van onze artsen-stafleden. Zo kunnen we hen van nabij opvolgen, samen over hun leerproces reflecteren én aan preventie doen. De Maeseneer: Geneeskunde is nog altijd een zware studie. Onze studenten moeten hard werken en worden onderweg met zichzelf geconfronteerd. Wat voor dokter willen ze zijn? Durven ze desnoods tegen hun patiënten in te gaan? Sommigen hebben het daar heel moeilijk mee. Dat leidt soms tot psychische problemen, en we worden zelfs met zelfdodingen geconfronteerd. Die begeleiding in kleine groepjes is dus geen overbodige luxe. Als we verwachten dat onze studenten straks goed voor hun patiënten zullen zorgen, moeten wij nu goed voor hen zorgen. Ook dat hebben we ondertussen ingezien.