Volgens de vreemdelingenwet is de rechtsbescherming van de vreemdelingen in verband met hun verblijfsrecht in handen van de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, maar ligt de controle op de administratieve vrijheidsberoving, de vrijheidsberoving om een vreemdeling te beletten op illegale wijze het land binnen te komen of om hem te kunnen uitwijzen, bij de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling. Die raadkamer en KI mogen zich wel enkel uitspreken over de wettigheid van de vrijheidsberoving, niet over de opportuniteit ervan. "De praktijk leert dat die wettigheidscontrole zelden leidt tot de effectieve invrijheidsstelling van de vreemdeling", zegt procureur-generaal Henkes. "Zo blijft de vreemdeling tijdens de procedure vaak opgesloten. Daarenboven is het mogelijk dat de Dienst Vreemdelingenzaken in de loop van de procedure een nieuwe titel van vrijheidsberoving neemt, zodat het beroep tegen de aanvankelijke titel geen voorwerp meer heeft, of dat de vreemdeling al gerepatrieerd is als zijn dossier voor het onderzoeksgerecht of het Hof van Cassatie komt." Om dat te verhelpen, formuleert de procureur-generaal twee voorstellen: de cassatieprocedure in die gevallen sneller laten verlopen, en de bevoegdheid van de onderzoeksgerechten uitbreiden, zodat zij ook de opportuniteit van de vrijheidsberovende maatregel kunnen beoordelen. Een andere oplossing is om het wettigheidstoezicht op de maatregel van administratieve vrijheidsberoving toe te vertrouwen aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, maar daarvoor is volgens de hoge magistraat waarschijnlijk wel een grondwetswijziging nodig. (Belga)