Een uur langer tijd om een examen in te vullen, een zitplaats naast de uitgang van het auditorium, toelating om de vragen in potlood te beantwoorden, geen bestraffing voor spelfouten of het gebruik van een rekenmachine tijdens het wiskunde-examen: het zijn maar een paar voorbeelden van de privileges die universiteitsstudenten met stoornissen of beperkingen kunnen krijgen.
...

Een uur langer tijd om een examen in te vullen, een zitplaats naast de uitgang van het auditorium, toelating om de vragen in potlood te beantwoorden, geen bestraffing voor spelfouten of het gebruik van een rekenmachine tijdens het wiskunde-examen: het zijn maar een paar voorbeelden van de privileges die universiteitsstudenten met stoornissen of beperkingen kunnen krijgen. Vorig academiejaar zijn aan de KU Leuven 2559 jongeren erkend als 'student met een functiebeperking'. Bijna driekwart van hen heeft een ontwikkelingsstoornis, waaronder vooral dyslexie of dyscalculie (39 procent), AD(H)D (20 procent) of een autismespectrumstoornis (8 procent). Er zijn ook studenten met een chronische ziekte (10 procent) of psychiatrische problemen (6 procent). 'Hun aantal neemt elk jaar met gemiddeld 10 procent toe', zegt Ann Dewicke, coördinator van de dienst Studeren en Functiebeperking van de Leuvense universiteit. 'Vorig academiejaar was er zelfs een stijging van 14 procent. Dat ligt vooral aan de aangroei van ontwikkelingsstoornissen, zoals ADHD en autisme, en van psychiatrische problemen.' Ook bij de andere universiteiten, waar de statistieken er in grote lijnen hetzelfde uitzien, gaan die cijfers in stijgende lijn. 'Dat komt natuurlijk doordat almaar meer jongeren aan de universiteit studeren', zegt Debbi De Caluwé, studentenpsychologe aan de Vrije Universiteit Brussel. 'Het aantal diagnoses neemt ook toe doordat lagere en middelbare scholen steeds meer aandacht hebben voor leer- en andere stoornissen.' Om als student met een functiebeperking te worden erkend, moet je voldoen aan de voorwaarden van de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) en moet je de nodige attesten kunnen voorleggen. Een speciale dienst bekijkt dan welke ondersteuning je precies nodig hebt. 'Zijn de voorgestelde maatregelen doenbaar, dan ga ik er altijd op in - net als de meeste collega's', zegt politicoloog Carl Devos, die in Gent aan grote groepen eerstejaars lesgeeft. 'Op dat vlak is er heel veel welwillendheid. Wie wil er nu op Facebook worden afgeschilderd als de rotzak door wie een student met een beperking niet kan afstuderen?' Veruit de meeste studenten hebben alleen in examentijd speciale faciliteiten nodig. Extra tijd vooral, maar ook de mogelijkheid om een schriftelijk examen mondeling af te leggen of het examenrooster aan te passen. Studenten met dyslexie vragen om een laptop met speciale software, terwijl jongeren met dyscalculie een rekenmachine willen meebrengen. Voorts zijn er die zich in een grote aula onmogelijk kunnen concentreren, vaak naar het toilet moeten, of aan de rand van de zaal moeten kunnen zitten om hun angsten te bezweren. 'Aanvankelijk was ik daar nogal sceptisch over', geeft Devos toe. 'Maar in de praktijk vragen de meeste studenten niets onredelijks en valt het extra werk voor ons goed mee. Op de zevenhonderd studenten aan wie ik in het eerste jaar lesgeef, zijn er meestal zo'n twintig die meer tijd krijgen voor een examen. Hen zet ik allemaal samen in een aparte zaal. Voor degenen die een schriftelijk examen mondeling moeten kunnen afleggen, trek ik een namiddag uit. Dat moet ik toch doen voor studenten die wegens ziekte afwezig zijn geweest. Het enige wat ik echt niet doe, is een tweede schriftelijk examen opstellen. Dat zou me te veel tijd kosten.' Dat sommigen hulpmiddelen nodig hebben om te slagen voor een examen, lijkt niemand te deren. Maar bij heel goede studenten ligt dat al minder voor de hand. Waarom zou een lesgever extra moeite doen voor iemand die op eigen kracht toch al minstens twaalf op twintig behaalt? 'Omdat iedereen volgens zijn eigen waarde moet kunnen presteren', zegt Debbi De Caluwé. 'Wie zonder maatregelen kan slagen maar eigenlijk in staat is om een zestien te behalen, heeft recht op aanpassingen.' Daarnaast zijn er studenten die ook om de lessen te kunnen volgen iets extra's nodig hebben. De technologie, die professoren steeds meer inzetten, komt daaraan tegenwoordig al voor een groot stuk tegemoet: in haast alle lessen mag je een laptop gebruiken, er zijn powerpointpresentaties die je thuis kunt consulteren, en sommige colleges worden integraal opgenomen. Heel handig voor jongeren die bijvoorbeeld een visuele handicap hebben. Daar staat wel tegenover dat er steeds meer studenten in de almaar grotere aula's zitten, wat dan weer een uitdaging is voor wie hoogsensitief is of een autismespectrumstoornis heeft. 'Een student met autisme vraagt ons weleens om zijn docenten van zijn beperking op de hoogte te brengen', vertelt De Caluwé. 'Niet alleen omdat hij vreest dat hij soms wat vreemd overkomt, maar ook omdat lesgevers er dan bijvoorbeeld op kunnen letten dat ze duidelijke instructies geven.' Vooral studenten met een fysieke beperking vragen speciale maatregelen om de colleges te kunnen bijwonen. Zo gaf Carl Devos vorig academiejaar les aan een jongen die in een rolstoel zat en altijd een begeleidster bij zich had. 'Na de eerste les kwam hij zich verontschuldigen voor de vreemde geluiden die hij maakte. Een soort kreetjes waren het', vertelt hij. 'Zodra ik wist dat hij daar niets aan kon doen, raakte ik er snel aan gewend.' Maar er zijn grenzen. Dat besefte Devos een paar jaar geleden, toen hij lesgaf aan een studente die in een paar uur tijd verschillende keren kon flauwvallen. 'We mochten dan zeker de hulpdiensten niet bellen, zo had ze ons uitgelegd, omdat ze na een tijdje vanzelf weer bijkwam. Maar op een keer bleef ze zo lang buiten bewustzijn dat ik het toch gedaan heb - ik ben tenslotte geen arts, ik kan niet inschatten hoe gevaarlijk zo'n situatie is. Daarna heb ik haar duidelijk gemaakt dat ze mijn lessen niet kon blijven volgen. Omdat ik die verantwoordelijkheid niet wilde dragen, en omdat ik op die manier niet goed kon lesgeven aan mijn zevenhonderd andere studenten. Dat begreep ze wel. De rest van het jaar heeft ze mijn vak thuis ingestudeerd.' Ook in minder extreme gevallen blijken de gevraagde maatregelen soms onhaalbaar. Zo krijgt Devos af en toe het verzoek om een student het examen in potlood te laten invullen, om de antwoorden tot op het laatste moment te kunnen aanpassen. 'Dat is onmogelijk', zegt hij. 'De scanner waarmee de meerkeuzevragen worden verbeterd, kan geen potlood herkennen.' De maatregelen moeten ook fair zijn tegenover de andere studenten. 'Geregeld krijg ik de vraag of iemand zijn schriftelijk examen achteraf mondeling mag komen toelichten', aldus Devos. 'Dat sta ik niet toe. Meestal lukt het niet om zo'n gesprek meteen op het examen te laten aansluiten, en dus kan de student in kwestie zijn syllabus ondertussen nog eens doornemen.' Ook de cijferfouten van studenten met dyscalculie onbestraft laten ligt soms moeilijk, alleen al omdat Devos zijn studenten weleens vraagt hoeveel parlementsleden een wet moeten goedkeuren om van een bijzondere meerderheid te kunnen spreken. Nog problematischer is het als iemand met dyscalculie zijn rekenmachine wil gebruiken bij een wiskunde-examen. 'Ik geef altijd oefeningen met eenvoudige getallen', zegt economieprofessor Caroline Buts (VUB). 'Het is tenslotte de techniek die telt. Toch vragen studenten met dyscalculie vaak om een rekenmachine te mogen gebruiken. Dat sta ik toe, maar ik heb er een dubbel gevoel bij.' Opvallend is dat al die vragen naar speciale maatregelen er ook voor zorgen dat docenten hun vak voor álle studenten aanpassen. 'Soms inspireren ze ons inderdaad om onze manier van lesgeven of beoordelen voor iedereen te verbeteren', zegt Caroline Buts. 'Zo houden we hier alleen nog rekening met taalfouten als dat in de leerresultaten van het vak staat. Verbeter ik een examen micro-economie, dan trek ik bij niemand punten af voor een dt-fout. Moeten mijn studenten een essay schrijven, dan speelt hun taalgebruik natuurlijk wél mee.' Net als veel van haar collega's heeft Buts meer aandacht gekregen voor de samenstelling en opmaak van haar syllabus. 'Ondertussen weet ik dat mensen met dyslexie een schreefloos lettertype, zoals Arial, veel vlotter kunnen lezen. Dus gebruik ik dat nu systematisch.' Andere professoren zorgen ervoor dat hun onlinehandboeken gemakkelijk kunnen worden vergroot of bannen alle achtergrondlawaai uit de aula. 'Steeds vaker merk ik dat docenten hun werkwijze zo aanpassen dat haast niemand nog speciale maatregelen nodig heeft', zegt Debbi De Caluwé. Al die inspanningen blijken te werken: door de band genomen hebben jongeren met een functiebeperking vandaag dezelfde slaagkansen als andere studenten. Toch hebben sommige docenten daar vragen bij: is het wel een goed idee om jonge mensen tijdens hun studie privileges te geven die ze nooit van een werkgever zullen krijgen? Draaien ze hun daarmee geen rad voor ogen? 'Dat denk ik niet', zegt Chantal Van Audenhove, vicerector Diversiteits- en Studentenbeleid van de KU Leuven. 'Op dat vlak beweegt er ook op de arbeidsmarkt heel wat - in sommige sectoren, toch. De meeste werkgevers hebben er bijvoorbeeld geen enkel probleem mee als een personeelslid met dyslexie voorleessoftware gebruikt. Uiteindelijk zullen alle sectoren wel móéten inzetten op inclusie.' Dat gezegd zijnde, proberen psychologen en andere begeleiders studenten zo veel mogelijk aan te sporen om het gaandeweg zonder hulpmiddelen te proberen. 'Velen maken in het begin van hun studie nog gebruik van de speciale faciliteiten die ze ook op de middelbare school hebben gekregen', zegt Debbi De Caluwé. 'Maar na verloop van tijd vermindert dat vaak, doordat ze aan zelfvertrouwen winnen en zichzelf nieuwe strategieën aanleren. Daarbij proberen wij hen zo veel mogelijk te begeleiden. Zo raden we hen aan om het bij proefexamens eens zonder speciale maatregelen te proberen.' Sommigen hebben op den duur geen bijzonder statuut meer nodig omdat ze amper nog last hebben van hun stoornis of beperking. Dat is vaak het geval bij jongeren die, bijvoorbeeld door het overlijden van een naaste, een trauma hebben opgelopen. Een stoornis als ADHD ontgroei je dan weer vaak vanzelf zodra je je adolescentie goed en wel achter je hebt. Ja, er zijn ook studenten met een functiebeperking die wellicht nooit een gewone job zullen kunnen doen. 'Maar is dat erg?' vraagt Carl Devos. 'Een opleiding kan toch ook gewoon dienen voor je persoonlijke vorming en ontwikkeling? Vorig jaar vroeg ik aan die jongen die tijdens mijn les altijd kreetjes slaakte waarom hij aan de universiteit studeerde. "Ik wil leren en mens zijn onder mensen", antwoordde hij. Een betere reden kun je toch niet bedenken?'