Na de aankondiging van de onderwijsvakbonden om volgende week twee dagen na elkaar te staken, komt het kabinet-Jambon met meer gedetailleerde cijfers over het pensioenverlies van leerkrachten. De cijfers van de bonden zouden misleidend zijn, klinkt het, omdat ze zich op gemiddelden zouden baseren. Opvallend blijft wel dat ook het kabinet toegeeft dat jonge leerkrachten op termijn tot zo’n 500 euro pensioen zullen verliezen.
De onderwijsbonden kondigden maandag aan dat ze volgende week dinsdag en woensdag staken. Het is van 2001 geleden dat leerkrachten twee dagen op rij het werk neerleggen. Een kwart eeuw later beleeft het onderwijs een stakingsgolf die vergelijkbaar is met die tegen het beleid van de liberale onderwijsminister Marleen Vanderpoorten.
Volgens de vakbonden zou het onderwijspersoneel door de pensioenhervorming gemiddeld 200 tot 300 euro netto per maand verliezen. Bij directies zou dat oplopen tot 1000 euro.
Volgens het kabinet van minister van Pensioenen Jan Jambon (N-VA) houden die cijfers echter geen rekening met de geleidelijke invoering van de hervorming. De Arizona-regering plant de berekeningswijze van het onderwijspensioen gelijk te trekken met die in de privésector. Momenteel wordt het pensioen berekend op basis van de laatste tien jaar van de loopbaan. Geleidelijk zal de regering dat optrekken naar een volledige loopbaan van 45 jaar. Het gaat om de zogenaamde referentiewedde.
Elk kalenderjaar wordt in de berekening van het onderwijspensioen één extra jaar van de loopbaan opgenomen. Daardoor, benadrukt het kabinet, zal de volledige impact van de hervorming pas over 35 jaar merkbaar zijn.
Concreet betekent dit dat leerkrachten geboren in 1965 tussen 0 en 1 procent pensioenverlies zullen optekenen. Bij leerkrachten geboren in 1970 gaat het om 1,5 tot maximaal 4 procent verlies. Jongere leerkrachten voelen de hervorming het hardst: wie geboren is in 1980 verliest 6 tot 12 procent. De jongste leerkrachten (geboortejaar 1990) gaan er 12 tot 21 procent op achteruit.
In absolute cijfers blijft het nettopensioen voor de geboortejaren 1965 en 1970 ook na de hervorming relatief hoog, met 2800 tot 3600 euro netto per maand voor bachelors en masters. Het nettopensioenverlies blijft voor hen beperkt tot 20 tot 145 euro per maand bij vervroegd pensioen op 63 jaar, en tot 20 tot 60 euro bij pensioen op de wettelijke leeftijd.
Voor onderwijzers geboren in 1980 en 1990 blijft het nettopensioen voor bachelors 2600 tot 2350 euro bij vervroegd pensioen op 63 jaar en 2700 tot 2560 euro bij pensioen op de wettelijke leeftijd. Het nettopensioenverlies bedraagt voor hen 290 tot 520 euro bij vervroegd pensioen op 63 jaar en 180 tot 350 euro op de wettelijke leeftijd.
Voor masters geboren in 1980 en 1990 blijft het nettopensioen 3200 tot 2850 euro bij vervroegd pensioen op 63 jaar en 3400 tot 3200 euro bij pensioen op de wettelijke leeftijd. Het nettopensioenverlies bedraagt voor hen 440 tot 750 euro bij vervroegd pensioen op 63 jaar en 240 tot 480 euro op de wettelijke leeftijd.
Leerkrachten kunnen vandaag bovendien al vervroegd met pensioen na een loopbaan van 40 jaar, in de privésector en voor gewone ambtenaren gaat dat pas na 42 jaar. Dat komt omdat één loopbaanjaar van een leerkracht telt voor 1,05 gewerkt jaar. In pensioenjargon gaat het om een verhogingscoëfficiënt. Ook die uitzondering zal Arizona geleidelijk afbouwen: vanaf 2027 gaat er elk jaar 0,005 af. Helemaal verdwijnt de gunstmaatregel niet, de coëfficiënt zal stranden op 1,025 in 2031. Dat betekent dat leerkrachten in de toekomst nog steeds één jaar eerder op vervroegd pensioen kunnen.