Iedereen kan zich vergissen. Vijf jaar geleden werd dierenwelzijn een regionale bevoegdheid, waardoor Vlaanderen, Wallonië en (jawel) Brussel eigen regels konden uitvaardigen. Ik kreeg het er allesbehalve warm van, alsof Vlaamse dieren andere noden zouden hebben dan die over de taalgrens. Het weghalen van dieren uit het moeizame federale niveau bleek echter een verademing: er ontstond onvoorzien een race to the top, waarbij elk gewest wilde excelleren en het net iets beter wilde doen dan de andere. De samenleving dwingt die politieke vooruitgang ook meer en meer af.

De maatschappelijke gevoeligheid voor dierenwelzijn is de laatste jaren sterk toegenomen, denk maar aan de afnemende vleesconsumptie of het feit dat GAIA in enkele jaren tijd haar ledenaantal heeft verdubbeld. Dierenrechtenorganisaties kunnen gemakkelijker dan ooit undercoverbeelden maken en het brede publiek aanspreken. Maar het hoeft ook niet allemaal professioneel te zijn: op sociale media verschijnen tegenwoordig filmpjes van verwaarloosde dieren in winkels, gemaakt door mensen met een smartphone. Zowel gruwelbeelden van slachthuizen en laboratoria als filmpjes van vertrappelde paaskuikentjes halen het parlementaire debat, de politiek volgt de maatschappelijke tendens. Vraag het aan om het even wie die dierenwelzijn van ver op van dichtbij opvolgt: dieren zijn politiek belangrijker geworden dan vijf jaar geleden.

Politiek heeft meer aandacht voor dieren dan vijf jaar geleden, maar we zijn er nog niet.

Is daarmee ons land verworden tot een dierlijk paradijs? Zeker niet. Nu de eerste legislatuur met drie parlementen en drie ministers bevoegd voor dierenwelzijn zijn einde nadert, dringt zich een meer diepgaande evaluatie op. Op welke successen mogen politici best trots zijn? En welke dossiers slepen ze mee naar een volgende beleidsperiode?

Een eerste vaststelling sluit aan bij de inleiding: dierenwelzijn is een volwaardig politiek thema geworden. En dat was ooit anders. Op 25 januari 2012 werd de Vlaamse minister-president ondervraagd door een parlementslid over de inteelt bij honden, waardoor pijnlijke erfelijke aandoeningen optreden bij deze dieren. De eerste woorden waren nog niet uitgesproken of een aantal parlementsleden begonnen te blaffen in de zaal. Beeld je maar eens in dat een vraag werd gesteld over verwaarlozing van kinderen en volksvertegenwoordigers babygehuil zouden imiteren.

Uiteraard zou zelfs de grootste grapjas dat niet riskeren, maar dierenwelzijn was nu eenmaal geen serieus thema. Daarbovenop was de minister-president toen eigenlijk bevoegd voor landbouw, het fokken van honden werd dan maar onder zijn auspiciën geplaatst. Vandaag heeft dierenwelzijn een volwaardig politiek debat in het parlement, een parlementaire commissie met wekelijks een eigen agenda en een bevoegde minister die los van landbouw beslissingen kan nemen. Met dieren wordt niet meer gelachen in de politiek, althans niet voor de camera's.

Met dieren wordt niet meer gelachen in de politiek, althans niet voor de camera's.

Met praten alleen is niemand gebaat. Worden ook beslissingen genomen die de dieren ten goede komen? De meest opvallende kwestie van afgelopen vijf jaar is zonder twijfel het verbod op onverdoofd slachten. Dat was een kluwen van formaat omdat het electoraal én juridisch delicaat was. Niet alleen bestond felle weerstand tegen een verbod, de bezorgdheid was groot dat het een inbreuk zou zijn op godsdienstvrijheid en daardoor zelfs ongrondwettelijk zou zijn. In 2017 namen alle Vlaamse volksvertegenwoordigers gezamenlijk toch de horde en stemden voor de verdovingsplicht tijdens de slacht.

Volgens een eigen rondvraag bij slachthuizen hebben ze intussen allemaal hun slachtlijnen aangepast, waardoor honderdduizenden dieren deze gruweldood wordt bespaard. Ook in Wallonië viel het verdict om verdoving zonder uitzondering te verplichten. Brussel blijft nog achter, maar het debat woedt er heviger dan ooit. Het toont effectief aan dat de gewesten elkaar kunnen aanzetten tot een beter beleid. Zeker als het gaat over de dossiers met een grote symboolwaarde en die strikt genomen met een pennentrek kunnen gewijzigd worden. Dat laatste mag je erg letterlijk nemen, vaak gaat het over het schrappen van een enkele zin in de wet.

Er zijn wel nog enkele symbooldossiers met grote impact op dieren, zoals de onverdoofde biggencastratie, die de volgende vijf jaar een oplossing verdienen.

Andere voorbeelden zijn de stopzetting van pelsdierhouderijen en het verbod op voederen onder dwang om foie gras te maken. Decennialang waren die dossiers onbespreekbaar - tot mijn eigen verbazing was ik de eerste volksvertegenwoordiger ooit in België die een decreet indiende om dwangvoederen onmogelijk te maken. Nu gelden die commerciële belangen niet meer als excuus voor dierenleed. Er zijn wel nog enkele symbooldossiers met grote impact op dieren, zoals de onverdoofde biggencastratie, die de volgende vijf jaar een oplossing verdienen.

Een laatste voorbeeld van vooruitgang voor dieren in België is hun mogelijke plek in de grondwet. Enkele jaren geleden werd dit nog voor onmogelijk gehouden, nu is er alvast een voorstel in de Senaat. De lobbydruk is groot om het voorstel van tafel te vegen, dus hopelijk houden politici hun rug recht. De voorgestelde grondwetswijziging houdt niet in dat dieren net zoals mensen individuele rechten zouden krijgen, verre van. Dierenwelzijn zou wel worden erkend als een fundamenteel streven door de overheid. Het parlement zou bijvoorbeeld geen wet kunnen invoeren waarbij dierenwelzijn erop achteruitgaat. En door dieren in de grondwet op te nemen, zou godsdienstvrijheid niet meer zomaar kunnen ingeroepen worden als vrijgeleide voor dierenleed. Niet onbelangrijk, aangezien het Grondwettelijk Hof nog moet oordelen of het verbod op onverdoofd slachten wel conform de grondwet is...

Er zijn dus belangrijke stappen vooruit gezet voor het welzijn van dieren. Maar de weg is nog lang, heel lang. Het leven van het gemiddelde dier in ons land is nog steeds bijzonder pijnlijk en bijzonder kort. Het grootschalige dierenleed dat structureel aanwezig is in onze samenleving, is onveranderd gebleven. De meeste dieren dienen voor voedsel. En die worden geboren, van hun moeder gescheiden, opeengepakt en snel vetgemest, getransporteerd onder ruwe omstandigheden (in het beste geval over een korte afstand) om uiteindelijk geslacht te worden. Het massaal houden van kippen in kooien voor hun eieren wordt een aflopend verhaal in Wallonië, in Vlaanderen wordt dergelijk idee nog beschouwd als een regelrechte aanval op de boer. In Vlaanderen alleen al worden elk jaar honderden miljoenen vleeskippen geslacht, na een erbarmelijk leven.

Het leven van het gemiddelde dier in ons land is nog steeds bijzonder pijnlijk en bijzonder kort. Het grootschalige dierenleed dat structureel aanwezig is in onze samenleving, is onveranderd gebleven.

Dieren zijn en blijven een grondstof voor een economische sector die politiek goed wordt afgeschermd. Strengere dierenwelzijnswetten zijn niet wenselijk, want die kosten geld, via extra ruimte, tijd en zorg. Ook andere probleemsectoren, zoals de malafide handel van puppy's uit Oost-Europa, zijn nagenoeg intact gebleven. Nu de belangrijke symbooldossiers geraken weggewerkt, wordt het tijd voor een meer structurele aanpak van dierenleed. En onvermijdelijk betekent dat: minder productie en dus minder dieren. Anders blijft dierenwelzijn een hol begrip.

Niet alleen aan de vleesproductiezijde wordt voorlopig niet getornd, ook de consumptie moet op peil blijven. Meer en meer Vlaams vlees dient voor export, omdat we meer vlees produceren dan we kunnen eten en de vleesconsumptie hier daalt. Dat is een doorn in oog van het Vlaamse Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (kortweg VLAM), die - met de expliciete zegen van de politiek - er alles aan doet om de binnenlandse vleesconsumptie op te krikken. Het absolute dieptepunt daarbij waren de brochures die op school werden uitgedeeld, waarbij personages als Sam Ham en Madelief Rosbief het belang van vlees eten onderstreepten bij kinderen.

Dat de brochuretitel 'Vlees, van in de wei tot op je bord' bewust kinderen misleidt - meer dan vijfennegentig procent van de dieren zien geen enkele wei in hun leven - is volgens VLAM een detail. Een correcte boodschap over vlees is vooralsnog onbespreekbaar. Een lichtpunt is wel dat Vlaams minister voor Economie Philippe Muyters op mijn voorstel inging om te onderzoeken welke rol Vlaanderen (internationaal) kan spelen in de productie van vleesalternatieven, inclusief het 'kweekvlees' waarvoor je geen dieren hoeft te slachten. Het potentieel is er nochtans en de voedingsindustrie is vragende partij. De vraag is of de volgende regering - of ze nu links of rechts is - het aandurft om de dominante positie van vlees in ons voedingssysteem in vraag te stellen.

Tot slot gaapt er een kloof tussen het toegenomen belang van dieren in de politiek en de indruk die leeft bij vrijwilligers die dag in dag uit met dieren werken. Er zijn talloze organisaties die zich bekommeren om het lot van dieren. De voorbije jaren heb ik regelmatig gesproken met mensen die opvang organiseren. En de rode draad in hun verhaal is steeds dezelfde: een grote teleurstelling en zelfs wantrouwen ten aanzien van de overheid. Naast professionele asielen zijn er vrijwilligers die zelf privékapitaal steken in de zorg voor opgevangen dieren. Maar er doen ook gedocumenteerde gevallen de ronde van verwaarloosde asieldieren en zelfs persoonlijke verrijking met giften. Mogelijks zijn deze verhalen overdreven of te kort door de bocht, ze worden in elk geval niet onderzocht en bevestigen het wantrouwen bij mensen met een ontoombare inzet voor dieren.

We mogen nog zoveel wetten uitvaardigen als we willen, ze blijven theorie tot ze in de praktijk worden afgedwongen door een sterke handhaving.

Dat is bijzonder jammer, want net zij zouden partners bij uitstek moeten zijn van het beleid. Ze zijn de eerste die worden gebeld als een mishandeld dier wordt aangetroffen door een dierenwelzijnsinspecteur en acute opvang nodig is.

De nood om het vertrouwen te herstellen tussen overheid en vrijwilligers legt een breder pijnpunt bloot: we mogen nog zoveel wetten uitvaardigen als we willen, ze blijven theorie tot ze in de praktijk worden afgedwongen door een sterke handhaving. Daar is vooralsnog geen sprake van. Varkenshouders bijvoorbeeld krijgen gemiddeld één keer om de tien jaar controle over de vloer. De voorbije jaren werd het inspectieteam voor dierenwelzijn fors uitgebreid en werden ook de straffen voor mishandeling uitgebreid. Maar de hoeveelheid te controleren dieren blijft immens groot voor een twintigtal inspecteurs.

Neemt het gerecht dierenwelzijn wel au sérieux?

Bestaande controlemechanismen zijn ook niet afdoende. Terwijl dierenwelzijn dus al vijf jaar een Vlaamse bevoegdheid is, wordt bij gruwelijke onthullingen in slachthuizen nog steeds met de vinger gewezen naar het federale voedselagentschap, die nota bene in opdracht van de Vlaamse overheid blijft controleren. Een bevoegdheid krijgen om dan terug te geven en te beschuldigen van laksheid? De undercoverbeelden in het slachthuis van Tielt schokten zelfs de grootste vleeseters, maar de verslagen van de inspecties voordien beschreven al gelijkaardige taferelen. Waarom werd toen niet dwingend opgetreden? De kans dat illegale transporteurs van te jonge en zieke pups uit Oost-Europa onderschept worden, is nihil. Waarom kan controle in Duitsland en niet in België? Een illegale kweker was twee jaar lang actief vooraleer werd opgetreden, terwijl hij zelfs een gerechtelijk verbod had gekregen om nog dieren te houden wegens ernstige mishandelingen in het verleden. Hoe kan dit straffeloos gebeuren? Een man die tijdens een ruzie met zijn vrouw hun hondje door het raam gooide, werd slechts veroordeeld tot een geldboete. De man keerde immers terug met een ander hondje en volgens de rechtbank was het niet bewezen dat het uit het raam gekieperde dier was overleden. Neemt het gerecht dierenwelzijn wel au sérieux?

Binnen drie maanden vinden verkiezingen plaats. Dierenwelzijn zal vermoedelijk niet het hoofdthema zijn in de campagne - hoewel een schandaal daar onverwachts verandering in kan brengen. Maar de plek die dieren innemen in de politieke geesten en in de verkiezingsprogramma's, zal prominenter zijn dan ooit. Een genuanceerd-kritische terugblik kan helpen om het lot van dieren nog te verbeteren de komende vijf jaar. Toekomstige parlementsleden bezorgd om dierenwelzijn zullen allesbehalve werkloos zijn.