Verschillende actoren en commentatoren (Paul Magnette, Kris Peeters, Pieter Timmermans, Marc Van de Looverbosch, Marc De Vos) hebben recentelijk opgeroepen om een noodregering te vormen die de dringende problemen waarvoor ons land zich geplaatst ziet, moet aanpakken.

Vooral de ontsporende begroting komt dan in het vizier. Men laat daarbij uitschijnen dat het opstellen van begrotingen voor 2020 en 2021 en de uitvoering ervan technische kwesties zijn die wars van het politieke krakeel kunnen worden aangepakt, desnoods zelfs door een tijdelijke regering van technocraten en zonder 'echte' politici, zoals onlangs in Oostenrijk.

Niets is minder waar. Elke keuze die gemaakt wordt inzake de openbare financiën van een land, is een politieke keuze en kan dus moeilijk worden afgezonderd van het politieke debat.

Neem de manieren waarop de verschillende politieke partijen en families tegen het begrotingstekort aankijken.

Schematisch voorgesteld kan volgens de N-VA en het Vlaams Belang het probleem op termijn worden opgelost door de geldkraan van Vlaanderen naar Wallonië en Brussel dicht te draaien.

Aan de linkerzijde gelooft men dat de belastingvijzen bij de rijken en de multinationals moeten aangedraaid worden. De groenen volgen dit verhaal en voegen er een focus op het verhogen van milieubelastingen aan toe.

Bij de liberalen vindt men dan weer dat de belastingdruk al hoog genoeg is en dat het heil moet gezocht worden in het efficiënter maken van het overheidsapparaat en het creëren van jobs die meer belastingontvangsten opleveren en minder uitgaven in de werkloosheid.

Bij de christendemocraten is het van alles wat. Geen enkele politieke familie ziet, om evidente redenen van zelfbehoud, heil in het snoeien in de werkelijk grote uitgavenposten, met name in de pensioenen en de gezondheidszorg.

Men moet dit zien als een herverdelingsprobleem. De politieke families houden angstvallig de belangen van hun achterban in het oog en proberen de rekening zoveel mogelijk door te schuiven naar bevolkingsgroepen waar ze zelf electoraal niet te veel moeten uit putten.

Op zich is daar niets verkeerds mee, het is het spel van de democratie met wisselende winnaars en verliezers. Problematisch wordt het wel als één groep betalers, de toekomstige generaties, in het politieke spel niet kan mee spelen.

De afgelopen halve eeuw hebben we zonder verpinken de rekening naar onze kinderen en kleinkinderen doorgeschoven, met als resultaat een overheidsschuld die al decennia boven de 100 procent van het nationaal inkomen uitkomt. Daar komt nog bovenop dat we hetzelfde aan het doen zijn met de uitdagingen van dit moment, met name de gevolgen van de klimaatveranderingen en de vergrijzing. Het onvoldoende aanpakken van deze problemen in ons land leidt er immers toe dat de toekomstige generaties met de negatieve gevolgen zullen zitten.

Politici die in eigen vel snijden zonder afgestraft te worden? De geschiedenis toont dat het kan.

De link met de openbare financiën is duidelijk: we weten onderhand wel dat en hoe we die problemen moeten aanpakken, ook dat het geld gaat kosten, maar we geraken er niet uit wie zal betalen en daarom schoppen we het blikje maar een eind voor ons uit. Zo gaat het ook in de lopende regeringsonderhandelingen.

De vraag is of we uit deze hachelijke situatie komen met een noodregering. Nee dus, omdat ook een noodregering niet ontkomt aan de net beschreven valkuilen. De boutade is gekend: politici weten wel wat er moet gebeuren, maar ze weten niet hoe ze daarna nog herkozen geraken.

In ons systeem van coalitieregeringen moeten politici bijna bereid zijn om tot collectieve politieke zelfmoord over te gaan. Of er nu een paars-groene of een paars-gele coalitie uit de bus komt, indien men niet verder wil blijven aanmodderen met de begrotingsproblemen, zullen beslissingen moeten genomen worden die nefast kunnen zijn voor vele politieke carrières in die coalities.

Er zijn politici nodig die het algemeen belang boven het carrièrebelang stellen, politici die beseffen dat de oplossingen niet liggen in enkel het beschermen van de eigen achterban, het alleen maar doorschuiven van de rekening naar andere groepen in de samenleving of naar de toekomstige generaties. Politici die ook snijden in het vel van de eigen achterban en daarmee dus in hun eigen vel. Het risico dat ze daarmee hun eigen politieke graf delven moeten ze dan maar nemen.

De politieke geschiedenis toont dat het kan. In eigen land hebben de christendemocraten en socialisten ons land in de jaren 90 onder leiding van Jean-Luc Dehaene de eurozone binnengebracht via een streng besparingsplan dat pijn deed in vele zakken. Die partijen hebben het electoraal overleefd.

Over de grenzen zien we het recente voorbeeld van Antonio Costa in Portugal die de begroting op orde kreeg en daarvoor electoraal beloond werd in 2019.

We zien evenwel ook voorbeelden van budgettaire saneringen waar het politiek-electoraal niet goed afliep: de SPD van Gerhard Schröder in Duitsland na de bezuinigingen van de Hartz-hervormingen in 2005, de PSOE van José Zapatero na de bezuinigingen genoodzaakt door de eurocrisis in Spanje in 2011, het Syriza van Alexis Tsipras na het onder dwang van de EU opgelegde besparingsprogramma in Griekenland in 2019.

Breder academisch onderzoek levert geen uitsluitsel. Sterk bewijs voor de stelling dat besparende regeringen altijd, of meestal electoraal, gestraft worden is er niet.

Wat schijnt te helpen om electoraal verlies te vermijden, is het volhouden van de budgettaire inspanning over de gehele legislatuur en het niet te concentreren in de laatste jaren ervan. Misschien kan dit inzicht de onderhandelende partijen helpen om de sprong te wagen en te gaan voor een betekenisvolle sanering van de openbare financiën? Een noodregering hebben ze daarbij niet nodig.

Verschillende actoren en commentatoren (Paul Magnette, Kris Peeters, Pieter Timmermans, Marc Van de Looverbosch, Marc De Vos) hebben recentelijk opgeroepen om een noodregering te vormen die de dringende problemen waarvoor ons land zich geplaatst ziet, moet aanpakken. Vooral de ontsporende begroting komt dan in het vizier. Men laat daarbij uitschijnen dat het opstellen van begrotingen voor 2020 en 2021 en de uitvoering ervan technische kwesties zijn die wars van het politieke krakeel kunnen worden aangepakt, desnoods zelfs door een tijdelijke regering van technocraten en zonder 'echte' politici, zoals onlangs in Oostenrijk.Niets is minder waar. Elke keuze die gemaakt wordt inzake de openbare financiën van een land, is een politieke keuze en kan dus moeilijk worden afgezonderd van het politieke debat. Neem de manieren waarop de verschillende politieke partijen en families tegen het begrotingstekort aankijken. Schematisch voorgesteld kan volgens de N-VA en het Vlaams Belang het probleem op termijn worden opgelost door de geldkraan van Vlaanderen naar Wallonië en Brussel dicht te draaien. Aan de linkerzijde gelooft men dat de belastingvijzen bij de rijken en de multinationals moeten aangedraaid worden. De groenen volgen dit verhaal en voegen er een focus op het verhogen van milieubelastingen aan toe. Bij de liberalen vindt men dan weer dat de belastingdruk al hoog genoeg is en dat het heil moet gezocht worden in het efficiënter maken van het overheidsapparaat en het creëren van jobs die meer belastingontvangsten opleveren en minder uitgaven in de werkloosheid. Bij de christendemocraten is het van alles wat. Geen enkele politieke familie ziet, om evidente redenen van zelfbehoud, heil in het snoeien in de werkelijk grote uitgavenposten, met name in de pensioenen en de gezondheidszorg.Men moet dit zien als een herverdelingsprobleem. De politieke families houden angstvallig de belangen van hun achterban in het oog en proberen de rekening zoveel mogelijk door te schuiven naar bevolkingsgroepen waar ze zelf electoraal niet te veel moeten uit putten. Op zich is daar niets verkeerds mee, het is het spel van de democratie met wisselende winnaars en verliezers. Problematisch wordt het wel als één groep betalers, de toekomstige generaties, in het politieke spel niet kan mee spelen. De afgelopen halve eeuw hebben we zonder verpinken de rekening naar onze kinderen en kleinkinderen doorgeschoven, met als resultaat een overheidsschuld die al decennia boven de 100 procent van het nationaal inkomen uitkomt. Daar komt nog bovenop dat we hetzelfde aan het doen zijn met de uitdagingen van dit moment, met name de gevolgen van de klimaatveranderingen en de vergrijzing. Het onvoldoende aanpakken van deze problemen in ons land leidt er immers toe dat de toekomstige generaties met de negatieve gevolgen zullen zitten. De link met de openbare financiën is duidelijk: we weten onderhand wel dat en hoe we die problemen moeten aanpakken, ook dat het geld gaat kosten, maar we geraken er niet uit wie zal betalen en daarom schoppen we het blikje maar een eind voor ons uit. Zo gaat het ook in de lopende regeringsonderhandelingen. De vraag is of we uit deze hachelijke situatie komen met een noodregering. Nee dus, omdat ook een noodregering niet ontkomt aan de net beschreven valkuilen. De boutade is gekend: politici weten wel wat er moet gebeuren, maar ze weten niet hoe ze daarna nog herkozen geraken. In ons systeem van coalitieregeringen moeten politici bijna bereid zijn om tot collectieve politieke zelfmoord over te gaan. Of er nu een paars-groene of een paars-gele coalitie uit de bus komt, indien men niet verder wil blijven aanmodderen met de begrotingsproblemen, zullen beslissingen moeten genomen worden die nefast kunnen zijn voor vele politieke carrières in die coalities. Er zijn politici nodig die het algemeen belang boven het carrièrebelang stellen, politici die beseffen dat de oplossingen niet liggen in enkel het beschermen van de eigen achterban, het alleen maar doorschuiven van de rekening naar andere groepen in de samenleving of naar de toekomstige generaties. Politici die ook snijden in het vel van de eigen achterban en daarmee dus in hun eigen vel. Het risico dat ze daarmee hun eigen politieke graf delven moeten ze dan maar nemen.De politieke geschiedenis toont dat het kan. In eigen land hebben de christendemocraten en socialisten ons land in de jaren 90 onder leiding van Jean-Luc Dehaene de eurozone binnengebracht via een streng besparingsplan dat pijn deed in vele zakken. Die partijen hebben het electoraal overleefd. Over de grenzen zien we het recente voorbeeld van Antonio Costa in Portugal die de begroting op orde kreeg en daarvoor electoraal beloond werd in 2019.We zien evenwel ook voorbeelden van budgettaire saneringen waar het politiek-electoraal niet goed afliep: de SPD van Gerhard Schröder in Duitsland na de bezuinigingen van de Hartz-hervormingen in 2005, de PSOE van José Zapatero na de bezuinigingen genoodzaakt door de eurocrisis in Spanje in 2011, het Syriza van Alexis Tsipras na het onder dwang van de EU opgelegde besparingsprogramma in Griekenland in 2019.Breder academisch onderzoek levert geen uitsluitsel. Sterk bewijs voor de stelling dat besparende regeringen altijd, of meestal electoraal, gestraft worden is er niet. Wat schijnt te helpen om electoraal verlies te vermijden, is het volhouden van de budgettaire inspanning over de gehele legislatuur en het niet te concentreren in de laatste jaren ervan. Misschien kan dit inzicht de onderhandelende partijen helpen om de sprong te wagen en te gaan voor een betekenisvolle sanering van de openbare financiën? Een noodregering hebben ze daarbij niet nodig.