Afgelopen week werden we opnieuw geconfronteerd met beklijvende getuigenissen uit de pleegzorgsector. De ene keer trekken pleegzorgers aan de alarmbel, de andere keer zijn het de biologische ouders die ongelukkig vertellen over hoe ze hun kind kwijt speelden. Maar ook verhalen van pleegkinderen die zich de speelbal voelen van een ogenschijnlijk mank systeem komen ons geregeld ter ore. Sinds jaar en dag buigen overheden zich over de vraag hoe kinderen die voor korte of lange tijd niet bij hun ouders kunnen wonen best worden opgevangen in een 'moderne' samenleving.

Hoewel onderzoek niet eenduidig positief is en er nog veel moeilijkheden zijn, wordt sinds de jaren '90 steeds meer en uitdrukkelijker gekozen voor pleegzorg wanneer kinderen niet langer thuis kunnen blijven. Het belang van het kind wordt steevast naar voor geschoven om de keuze voor pleegzorg kracht bij te zetten, dat lezen we ook in het Vlaamse Decreet pleegzorg (2014): het belang van het pleegkind of pleeggast staat centraal. Daar weten we natuurlijk alles en niets mee.

Pleegzorg: 'het belang van het kind' is geen wondermiddel waarop we ons als samenleving zonder meer kunnen beroepen

Een uitgangspunt als 'het belang van het kind' vraagt om duiding. En net daar wringt het schoentje. 'Het belang van het kind' is geen wondermiddel waarop we ons als samenleving zonder meer kunnen beroepen. Er is namelijk niet iets als hét belang van hét kind. Noem het gerust een kluwen aan belangen. En wat met de rechten van de ouders en pleegzorgers? Recent onderzoek leert ons dat alle betrokken partijen vaak ontevreden zijn met en er veel onduidelijkheid is omtrent genomen beslissingen in pleegzorgsituaties. Ouders begrijpen niet waarom hun kind niet terug thuis mag komen wonen. Pleegzorgers begrijpen niet waarom hun pleegkinderen nog op bezoek moeten bij hun ouders. Grootouders begrijpen niet waarom zij ongeschikt worden bevonden en een vreemd pleeggezin hun kleinkinderen wel mag opvoeden. Pleegkinderen begrijpen niet waarom 'boven hun hoofd' wordt beslist dat ze elders moeten gaan wonen. En ga zo maar door. Dit onbegrip is precies waar de verschillende getuigenissen telkens opnieuw aandacht voor vragen. De redenen waarom beslissingen gemaakt worden lijken vaak afwezig, onduidelijk of onverstaanbaar voor de betrokkenen.

Het registreren van de argumenten op basis waarvan wordt overgegaan tot pleegzorg of beslist wordt om huidige regelingen aan te passen is daarom cruciaal. Onderzoek wijst uit dat zowel pleegzorgers, pleegkinderen en hun ouders zich niet of onvoldoende gehoord voelen en daardoor beslissingen vaak niet kunnen plaatsen. In die zin is de keuze in het pleegzorgdecreet (2014) om jeugdrechters niet langer te vragen een pleegzorgplaatsing te beargumenteren een spijtige zaak. Niet alleen voor de pleegkinderen van vandaag maar ook voor de volwassenen van morgen. Vele pleegkinderen gaan namelijk op latere leeftijd op zoek naar het hoe en het waarom van hun uithuisplaatsing. Die zoektocht naar hun levensgeschiedenis kent heel wat hindernissen, maar wanneer we systematisch geen antwoorden voorzien en de beslissingen van vandaag niet toelichtingen lijkt de geschiedenis zich te kunnen herhalen.

Herinner u de vele verontschuldigingen voor historisch misbruik van regeringsleiders die de afgelopen jaren de revue passeerden. Vaak vergezeld van een belofte om het vandaag beter te doen. Ook het Vlaams Parlement excuseerde zich (2014) bij de slachtoffers van historisch geweld en misbruik in Vlaamse jeugd- en onderwijsinstellingen. Een hoogdag voor de kinder- en mensenrechten volgens sommigen. Als we echter weten dat het gebrek aan duidelijke informatie moeilijk om dragen is en de identiteitsontwikkeling belemmert van zorgverlaters, moeten we het dan niet anders doen?

We kunnen niet anders dan vaststellen dat er vooral is ingezet om de rechten van pleegzorgers te versterken. Voor de biologische ouders is dit een harde noot om te kraken.

Toch is het Vlaamse pleegzorglandschap de jongste jaren stevig hertekend en heeft de Vlaamse overheid geïnvesteerd in een pleegzorgbeleid. Dat resulteerde bijvoorbeeld in het creëren van het statuut voor pleegzorgers, het mogelijk maken van een verlenging van de plaatsingstermijn tot 18 jaar en in de nieuwe kinderbijslagregeling zal de financiële hulp naar het pleeggezin gaan. We kunnen niet anders dan vaststellen dat er vooral is ingezet om de rechten van pleegzorgers te versterken. Voor de biologische ouders is dit een harde noot om te kraken.

Pleegzorgers nemen dan wel op dagelijkse basis de opvoedingstaken over van de ouders, zij zijn en blijven de ouders. Ze behouden het ouderlijk gezag in de volle juridische betekenis. Zelfs ouders die ontzet zijn uit het ouderlijk gezag behouden nog altijd enkele rechten zoals bijvoorbeeld de toestemming geven voor adoptie. Hoewel momenteel ook stemmen opgaan om gewone adoptie binnen pleegzorg mogelijk te maken. Toegegeven, de wetgeving pleit ook om ouders meer te betrekken bij de pleegzorgplaatsing van hun kind; ouders hebben bijvoorbeeld recht op informatie over hun kind en worden gestimuleerd om competenter te worden. En maar goed ook want alle onderzoek wijst uit dat de wens tot contact met broers, zussen en andere familieleden belangrijk is en blijft voor pleegkinderen.

Het versterken van de rechten van de ene partij betekent als snel een inperking van rechten voor een andere partij. Meer nog, 'het belang van het kind' dekt heel wat ladingen.

En dat allemaal in het belang van het kind. Het is duidelijk dat de beste uitkomst voor het kind niet vanzelfsprekend is. Het versterken van de rechten van de ene partij betekent al snel een inperking van rechten voor een andere partij. Meer nog, 'het belang van het kind' dekt heel wat ladingen. In de context van pleegzorg is de klemtoon de laatste decennia duidelijk verschoven. Waar voorheen het behouden van het gezin voorop stond, willen we vandaag bovenal de veiligheid en zorgcontinuïteit van de kinderen garanderen. De focus in de professionele hulpverlening komt zodoende enkel op het kind te liggen. In sommige landen, zoals Nederland, is deze tendens zo ver gevorderd dat men het samengaan van beide perspectieven verlaten heeft. Dit betekent dat een kinderrechtenbril vooral werkt om aandacht te vragen voor kinderen maar tegelijkertijd dreigen de ouders vergeten te worden.

Zo een beleid geeft aanleiding tot perverse effecten omdat de problemen van de ouders losgekoppeld worden van die van de kinderen. De achtergrond of context waardoor gezinnen al dan niet verplicht worden om beroep te doen op pleegzorg wordt op deze manier vaak uit het oog verloren. We weten namelijk al langer uit onderzoek naar de uithuisplaatsing van kinderen dat er vaker wordt ingegrepen ten aanzien van gezinnen in armoede.

Dit betekent zoveel dat gezinnen in armoede meer vatbaar of kwetsbaarder zijn voor (vergaande) jeugzorginterventies in vergelijking met middenklasgezinnen. En toch blijven we het beeld ophangen van arme ouders die slechte opvoedingskeuzes maken. Waarbij de ouders de schuld krijgen van wat fout of moeilijk loopt in het gezin en dat heeft gevolgen voor ons bredere sociaal beleid. Pleegzorg wordt zo te gemakkelijk gereduceerd tot een methodiek voor een wel heel specifieke groep ouders die veronderstelt worden nood te hebben aan een heropvoedingsbeleid.

Vandaar dit pleidooi om sociale problemen niet zomaar te reduceren tot opvoedingsproblemen. Waarbij de oplossing voor problemen gezocht wordt in de (her)opvoeding of vervangopvoeding van kinderen en niet in het structureel herorganiseren van de samenleving. Dit is echter altijd al een lastig element geweest in de jeugdhulp en dat is in de context van pleegzorg niet anders. In het algemeen verslag van de armoede uit 1994 wordt daar reeds op gewezen. Meer nog, de overheid heeft zich destijds geëngageerd om de positie van ouders te versterken maar vandaag is het politiek interessanter geworden om in te zetten op kinderen.

We moeten echter alle partijen in pleegzorg serieus nemen en blijvend oog hebben voor de volledige situatie, op zoek naar een evenwicht in de clash tussen verschillende belangen.

Dr. Lieselot De Wilde is verbonden aan de vakgroep Sociaal Werk & Sociale Pedagogiek van de Universiteit Gent.

Afgelopen week werden we opnieuw geconfronteerd met beklijvende getuigenissen uit de pleegzorgsector. De ene keer trekken pleegzorgers aan de alarmbel, de andere keer zijn het de biologische ouders die ongelukkig vertellen over hoe ze hun kind kwijt speelden. Maar ook verhalen van pleegkinderen die zich de speelbal voelen van een ogenschijnlijk mank systeem komen ons geregeld ter ore. Sinds jaar en dag buigen overheden zich over de vraag hoe kinderen die voor korte of lange tijd niet bij hun ouders kunnen wonen best worden opgevangen in een 'moderne' samenleving. Hoewel onderzoek niet eenduidig positief is en er nog veel moeilijkheden zijn, wordt sinds de jaren '90 steeds meer en uitdrukkelijker gekozen voor pleegzorg wanneer kinderen niet langer thuis kunnen blijven. Het belang van het kind wordt steevast naar voor geschoven om de keuze voor pleegzorg kracht bij te zetten, dat lezen we ook in het Vlaamse Decreet pleegzorg (2014): het belang van het pleegkind of pleeggast staat centraal. Daar weten we natuurlijk alles en niets mee. Een uitgangspunt als 'het belang van het kind' vraagt om duiding. En net daar wringt het schoentje. 'Het belang van het kind' is geen wondermiddel waarop we ons als samenleving zonder meer kunnen beroepen. Er is namelijk niet iets als hét belang van hét kind. Noem het gerust een kluwen aan belangen. En wat met de rechten van de ouders en pleegzorgers? Recent onderzoek leert ons dat alle betrokken partijen vaak ontevreden zijn met en er veel onduidelijkheid is omtrent genomen beslissingen in pleegzorgsituaties. Ouders begrijpen niet waarom hun kind niet terug thuis mag komen wonen. Pleegzorgers begrijpen niet waarom hun pleegkinderen nog op bezoek moeten bij hun ouders. Grootouders begrijpen niet waarom zij ongeschikt worden bevonden en een vreemd pleeggezin hun kleinkinderen wel mag opvoeden. Pleegkinderen begrijpen niet waarom 'boven hun hoofd' wordt beslist dat ze elders moeten gaan wonen. En ga zo maar door. Dit onbegrip is precies waar de verschillende getuigenissen telkens opnieuw aandacht voor vragen. De redenen waarom beslissingen gemaakt worden lijken vaak afwezig, onduidelijk of onverstaanbaar voor de betrokkenen. Het registreren van de argumenten op basis waarvan wordt overgegaan tot pleegzorg of beslist wordt om huidige regelingen aan te passen is daarom cruciaal. Onderzoek wijst uit dat zowel pleegzorgers, pleegkinderen en hun ouders zich niet of onvoldoende gehoord voelen en daardoor beslissingen vaak niet kunnen plaatsen. In die zin is de keuze in het pleegzorgdecreet (2014) om jeugdrechters niet langer te vragen een pleegzorgplaatsing te beargumenteren een spijtige zaak. Niet alleen voor de pleegkinderen van vandaag maar ook voor de volwassenen van morgen. Vele pleegkinderen gaan namelijk op latere leeftijd op zoek naar het hoe en het waarom van hun uithuisplaatsing. Die zoektocht naar hun levensgeschiedenis kent heel wat hindernissen, maar wanneer we systematisch geen antwoorden voorzien en de beslissingen van vandaag niet toelichtingen lijkt de geschiedenis zich te kunnen herhalen. Herinner u de vele verontschuldigingen voor historisch misbruik van regeringsleiders die de afgelopen jaren de revue passeerden. Vaak vergezeld van een belofte om het vandaag beter te doen. Ook het Vlaams Parlement excuseerde zich (2014) bij de slachtoffers van historisch geweld en misbruik in Vlaamse jeugd- en onderwijsinstellingen. Een hoogdag voor de kinder- en mensenrechten volgens sommigen. Als we echter weten dat het gebrek aan duidelijke informatie moeilijk om dragen is en de identiteitsontwikkeling belemmert van zorgverlaters, moeten we het dan niet anders doen? Toch is het Vlaamse pleegzorglandschap de jongste jaren stevig hertekend en heeft de Vlaamse overheid geïnvesteerd in een pleegzorgbeleid. Dat resulteerde bijvoorbeeld in het creëren van het statuut voor pleegzorgers, het mogelijk maken van een verlenging van de plaatsingstermijn tot 18 jaar en in de nieuwe kinderbijslagregeling zal de financiële hulp naar het pleeggezin gaan. We kunnen niet anders dan vaststellen dat er vooral is ingezet om de rechten van pleegzorgers te versterken. Voor de biologische ouders is dit een harde noot om te kraken. Pleegzorgers nemen dan wel op dagelijkse basis de opvoedingstaken over van de ouders, zij zijn en blijven de ouders. Ze behouden het ouderlijk gezag in de volle juridische betekenis. Zelfs ouders die ontzet zijn uit het ouderlijk gezag behouden nog altijd enkele rechten zoals bijvoorbeeld de toestemming geven voor adoptie. Hoewel momenteel ook stemmen opgaan om gewone adoptie binnen pleegzorg mogelijk te maken. Toegegeven, de wetgeving pleit ook om ouders meer te betrekken bij de pleegzorgplaatsing van hun kind; ouders hebben bijvoorbeeld recht op informatie over hun kind en worden gestimuleerd om competenter te worden. En maar goed ook want alle onderzoek wijst uit dat de wens tot contact met broers, zussen en andere familieleden belangrijk is en blijft voor pleegkinderen. En dat allemaal in het belang van het kind. Het is duidelijk dat de beste uitkomst voor het kind niet vanzelfsprekend is. Het versterken van de rechten van de ene partij betekent al snel een inperking van rechten voor een andere partij. Meer nog, 'het belang van het kind' dekt heel wat ladingen. In de context van pleegzorg is de klemtoon de laatste decennia duidelijk verschoven. Waar voorheen het behouden van het gezin voorop stond, willen we vandaag bovenal de veiligheid en zorgcontinuïteit van de kinderen garanderen. De focus in de professionele hulpverlening komt zodoende enkel op het kind te liggen. In sommige landen, zoals Nederland, is deze tendens zo ver gevorderd dat men het samengaan van beide perspectieven verlaten heeft. Dit betekent dat een kinderrechtenbril vooral werkt om aandacht te vragen voor kinderen maar tegelijkertijd dreigen de ouders vergeten te worden. Zo een beleid geeft aanleiding tot perverse effecten omdat de problemen van de ouders losgekoppeld worden van die van de kinderen. De achtergrond of context waardoor gezinnen al dan niet verplicht worden om beroep te doen op pleegzorg wordt op deze manier vaak uit het oog verloren. We weten namelijk al langer uit onderzoek naar de uithuisplaatsing van kinderen dat er vaker wordt ingegrepen ten aanzien van gezinnen in armoede. Dit betekent zoveel dat gezinnen in armoede meer vatbaar of kwetsbaarder zijn voor (vergaande) jeugzorginterventies in vergelijking met middenklasgezinnen. En toch blijven we het beeld ophangen van arme ouders die slechte opvoedingskeuzes maken. Waarbij de ouders de schuld krijgen van wat fout of moeilijk loopt in het gezin en dat heeft gevolgen voor ons bredere sociaal beleid. Pleegzorg wordt zo te gemakkelijk gereduceerd tot een methodiek voor een wel heel specifieke groep ouders die veronderstelt worden nood te hebben aan een heropvoedingsbeleid. Vandaar dit pleidooi om sociale problemen niet zomaar te reduceren tot opvoedingsproblemen. Waarbij de oplossing voor problemen gezocht wordt in de (her)opvoeding of vervangopvoeding van kinderen en niet in het structureel herorganiseren van de samenleving. Dit is echter altijd al een lastig element geweest in de jeugdhulp en dat is in de context van pleegzorg niet anders. In het algemeen verslag van de armoede uit 1994 wordt daar reeds op gewezen. Meer nog, de overheid heeft zich destijds geëngageerd om de positie van ouders te versterken maar vandaag is het politiek interessanter geworden om in te zetten op kinderen. We moeten echter alle partijen in pleegzorg serieus nemen en blijvend oog hebben voor de volledige situatie, op zoek naar een evenwicht in de clash tussen verschillende belangen.Dr. Lieselot De Wilde is verbonden aan de vakgroep Sociaal Werk & Sociale Pedagogiek van de Universiteit Gent.