Op een kille novemberavond in 2012 dringen drie pubers van Albanese afkomst binnen in het Brusselse appartement van een 79-jarige vrouw. De oudste, E.J., had enkele dagen eerder tijdens het klussen in de naburige flat gezien dat er juwelen lagen in haar badkamer. De vrouw probeert zich te verdedigen, krijgt een klap en valt op haar hoofd. Enkele dagen later wordt ze dood teruggevonden.
...

Op een kille novemberavond in 2012 dringen drie pubers van Albanese afkomst binnen in het Brusselse appartement van een 79-jarige vrouw. De oudste, E.J., had enkele dagen eerder tijdens het klussen in de naburige flat gezien dat er juwelen lagen in haar badkamer. De vrouw probeert zich te verdedigen, krijgt een klap en valt op haar hoofd. Enkele dagen later wordt ze dood teruggevonden. De jongste twee, allebei 15 jaar, verschijnen voor de jeugdrechter. Drie jaar later zullen ze vrijkomen. De derde, net 18 geworden, moet in 2016 voor het hof van assisen verschijnen. Tien dagen later acht de volksjury hem schuldig aan roofmoord. Een celstraf van 21 jaar is zijn deel. Peter Vermeersch, Oost-Europakenner aan de KU Leuven, wist eerst niet goed wat hij van de ambtelijke brief moest denken waarin de Procureur des Konings hem opriep als lid van een volksjury en 'hem opdroeg zijn plicht van gezworene persoonlijk te vervullen'. 'Het leek wel een brief uit de negentiende eeuw. Er spookte van alles door mijn hoofd: vervelend, zoveel tijdverlies. Maar ook: geweldig, dit wordt razend interessant. Ik ben nogal nieuwsgierig van aard, en in die periode woedde een hevige discussie over het nut van assisen en het afschaffen van die procedure. Het leek mij leerrijk om dat van binnenuit te mogen meemaken.' Bent u iemand die naar crimiseries kijkt of misdaadromans leest? Peter Vermeersch: Niet echt. Ik had voor dit proces nauwelijks interesse voor de wereld van misdaad en justitie. Op weg naar mijn kantoor ben ik ontelbare keren achteloos voorbij de Leuvense hulpgevangenis gewandeld. Na het proces had ik zo mogelijk nog minder interesse voor misdaadfictie. Waarom? Vermeersch: Een strafzaak lijfelijk meemaken is totaal iets anders dan een misdaadverhaal op televisie, zelfs al is het de verfilming van een echt gebeurd verhaal. Dan zit je op een vrijdagavond onder je dekentje televisie te kijken naar zo'n aflevering, en ook al is de fictie gruwelijk en griezelig, op het eind is er altijd de troost dat de zaak is opgelost. Het eindbeeld is de dader die geboeid wordt weggeleid. Daar stopt het, alsof je verder niets meer hoeft te weten. Je kunt met een gerust gemoed gaan slapen. Het is een ordening van de werkelijkheid. Maar voor u begint het daar pas echt, schrijft u. Vermeersch: Hoe gedetailleerd de verslagen van de gerechtelijke experts en hoe ingeleefd de verhalen van de getuigen ook mogen zijn, er blijven altijd lacunes en vage plekken in wat er echt is gebeurd. Na afloop van het proces moet je als jurylid alleen naar huis. Het gevoel van voltooiing wordt niet bereikt. Ook de boef verlaat het gerechtshof, maar zijn leven stopt evenmin. Opsluiten is niet hetzelfde als afsluiten. Toen u opgeroepen werd, zocht u - in tegenstelling tot vele anderen - geen uitvluchten. U had geen doktersbriefje. U beschouwde het als uw burgerplicht. Vermeersch: Ik probeer altijd een goede burger te zijn, en ik nam die opdracht heel ernstig. Ik was eerst ook niet van plan om er een boek over te schrijven. Mijn boek over de Balkan (Ex - Over een land dat zoek is, 2014), met eveneens veel geweld en trauma's, was net klaar en ik had me voorgenomen om voor het volgende boek een lichter onderwerp te kiezen. Beschouwt u Aantekeningen bij een moord dan als een 'lichter' boek? Vermeersch: (lacht) Natuurlijk niet. Maar het gevoel van een niet voltooid proces heeft mij wel aan het schrijven gezet. Volgens uw echtgenote leek het wel alsof u tijdens het proces op reis was. U boekte zelfs een hotelkamer in de buurt van het Brusselse Justitiepaleis. Vermeersch: Je wordt tijdens zo'n proces enorm op jezelf teruggeworpen. Dat was ook zo bij de andere juryleden, leerde ik later. Het is alsof je een trip maakt naar een wereld die losstaat van de rest van de realiteit. Dat wordt versterkt door de aard van de gerechtsgebouwen, door de rare taal die er wordt gesproken en de vreemde rituelen. Het is erg 'gescript' en theatraal. Misschien moet dat zo zijn om de aandacht niet af te leiden van de procedures, maar het zorgt wel voor een gevoel van vervreemding. Het valt vaak op hoe neerbuigend advocaten en magistraten spreken over getuigen, daders en zelfs slachtoffers of nabestaanden. Vermeersch: Het is alsof er rivieren stromen tussen de verschillende partijen. Vanaf de ene oever roepen advocaten allerlei dingen naar de overkant. Een normale of directe menselijke communicatie is in de rechtszaal blijkbaar heel lastig. Twee jaar na het einde van het proces spreekt u nog altijd af met uw collega-juryleden. Vermeersch: Ze kwamen zelfs naar de boekvoorstelling. Zo'n proces schept een band. Twaalf mensen die elkaar van haar nog pluim kennen, vinden elkaar op een dag in een kamer vol vergane glorie in een megalomaan gerechtshof, waar ze over de praktische gang van zaken worden bijgepraat door Gust, de zaalwachter. Er was een restauratrice bij, een verpleegster, een verkoper van autobanden, een slager enzovoort. Je leert elkaar kennen, voert gewone gesprekken over gewone onderwerpen, maar - heel frappant - ook gesprekken waaruit een grote betrokkenheid van de juryleden bleek. Ik zag dat mensen begonnen na te denken over zaken die van ver of dichtbij met het proces te maken hadden. Zoals? Vermeersch: Over de werking van de politie, onderwijs in de stad, welzijn, maatschappelijke ondersteuning voor kansarme gezinnen enzovoort. Je voelde een grote honger naar kennis. Het heeft mij geleerd dat als je mensen aanspreekt op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid, ze zich van hun taak kwijten. Dan gaan ze niet onnozel doen en de boel boycotten. Zeer hoopvol. U zegt daarmee ook: we mogen een volksjury niet onderschatten, 'gewone' mensen zijn best in staat om tot een onderbouwd oordeel te komen. Vermeersch: Ik ben een groot voorstander van het betrekken van burgers bij het beleid en dus ook bij justitie. Zo bouw je vertrouwensbruggen tussen beleidsmakers en 'beleidsgebruikers'. Hoe dat precies moet gebeuren, laat ik liever over aan experts. Toch is er veel kritiek op de manier waarop assisenprocessen worden gevoerd, en op het principe van de volksjury. Vermeersch: Ik begrijp een deel daarvan. Het is inderdaad duur en traag. Ik stel in mijn boek ook de vraag hoe relevant sommige moraliteitsgetuigen zijn. Als het ex-liefje van E.J. komt vertellen dat de beschuldigde een goeie jongen is, vraag ik me af wat dat toevoegt. En natuurlijk moeten juridisch ongeschoolde burgers ineens deelnemen aan een vrij ingewikkeld rechtsgebeuren. Vond u het een zware opdracht? Vermeersch: Veel zwaarder dan vermoed. Je tuurt in levens die behoorlijk dramatisch en faliekant zijn gelopen. Je ziet de tranen in de ogen van de broer van het slachtoffer, de angst bij de beschuldigde, het ongeloof bij zijn moeder. Tijdens die indringende getuigenissen kun je het proces niet even on hold zetten voor een troostend gesprek. Ik vond die psychologische kant van het proces heel boeiend. Eigenlijk speelt de jury de rol van toeschouwer. Ze vertegenwoordigt de samenleving, en kijkt over de schouders van de toga's mee naar het onderzoek. Maar het is ook confronterend. Als een patholoog met woorden, beelden én in het bijzijn van de beschuldigde en de nabestaanden komt uitleggen hoe de vrouw is gestorven, is dat erger dan de ergste gruwelbeelden in een tv-serie. Hoe moeilijk was het voor u persoonlijk om tot een oordeel te komen? Vermeersch: Het is strafbaar om te vertellen hoe de beraadslaging verliep, maar het weegt op een mens. Zelfs in een relatief eenvoudige moordzaak met bekentenissen. Stel dat er verdeeldheid is onder experts. Je zult maar een onschuldige laten opsluiten. Ik vind het vreemd dat zo weinig rechters over dat aspect van hun beroep spreken, want dat moet voor hen ook niet makkelijk zijn. Sommige juryleden vertelden me maanden later dat ze nog altijd enge dromen hadden over het proces. Werd u daar als jurylid op voorbereid, of daarbij begeleid? Vermeersch: (droogjes) We kregen een telefoonnummer waarnaar je kunt bellen mocht je psychische problemen krijgen. Het is een soort slachtofferhulp, maar ik heb het gevoel dat justitie dit aspect niet erg belangrijk vindt.E.J. kreeg uiteindelijk 21 jaar. Vermeersch: Het Openbaar Ministerie had 30 jaar opsluiting geëist. Ik vind dat de strafmaat in België gemiddeld erg hoog ligt, hoger bijvoorbeeld dan in Nederland. We leven in een tijd dat beleidsmakers en politici graag spreken over repressie en langere straffen. Dat discours heeft de bovenhand, terwijl ik vind dat we ook moeten nadenken over andere manieren dan mensen opsluiten en de sleutel weggooien.Zijn celstraffen een soort wraak van de samenleving op wat er is gebeurd? Vermeersch: Straffen is een vorm van georganiseerde vergelding. Je geeft iets uit handen aan justitie en zegt: los het maar op. Sommige nabestaanden van een moordzaak zeggen na afloop: 'Oef, de dader is veroordeeld en wordt opgesloten. Dat geeft voldoening en pas nu kan ik gaan rouwen.' Vermeersch: Strafpleiter Jef Vermassen zegt dat een assisenproces een louterend effect heeft, maar de mensen met wie ik daarover sprak, zijn het daar niet mee eens. Ook na het vonnis blijft er nog veel over om te verwerken. Wrokgevoelens kunnen blijven woekeren. Het is niet zo dat als het gerechtelijk apparaat namens jou die wrok uitspreekt in de vorm van een celstraf, dat je daar als nabestaande vanaf bent. Het gerecht heeft veel aandacht voor de dader, maar weinig voor de behoeften van de nabestaanden. We moeten dus de pijn van de nabestaanden niet bestrijden met de pijn van een celstraf? Vermeersch: Het is goed dat er na afloop van een proces een oordeel komt. Het zinloze van de moord is gebeurd. Dat had niet mogen gebeuren, maar je kunt de klok niet terugdraaien. Maar je beperken tot het opsluiten van de dader zal het zinloze van het misdrijf niet opheffen. Het debat zou moeten gaan over de grote vragen: over het nut van een celstraf, en wat er na de vrijlating moet gebeuren. Bijna elke moordenaar komt op een dag vrij. Vermeersch: Daarom moet je vanaf dag één denken aan zijn terugkeer in de samenleving. De teksten van de Noorse criminoloog Nils Christie waren een ontdekking voor mij. Hij vergelijkt het uitspreken van een gevangenisstraf met het toedienen van een lepel pijn. Hij spreekt zich er niet over uit of we dat al dan niet moeten doen, maar wel dat we ons moeten realiseren dat het dáárover gaat, dat we ons moeten afvragen of dát is wat we willen. Willen de slachtoffers van een misdrijf dat? Willen de nabestaanden van een moord dat? Misschien moeten we het hun eens vragen. Op zoek naar antwoorden bent u in contact gekomen met 'Moderator', een initiatief van herstelrecht waar daders en slachtoffers samen worden gebracht voor een gesprek onder begeleiding van een bemiddelaar. Vermeersch: Dat waren indrukwekkende gesprekken. Ik zag nabestaanden na afloop bijna opgelucht vertrekken. Ze vertelden mij ook dat ze hun wrokgevoelens een plek hadden kunnen geven en de vervreemding van in de rechtszaal hadden kunnen terugdringen. Hoe komt dat? Vermeersch: Omdat je daar in tegenstelling tot in een assisenzaal wél tot menselijke communicatie komt. Je hoeft de andere niet te vergeven, dat vraagt niemand. Maar zo'n gesprek gaat verder dan de schaamte of de woede.Sommige mensen zullen zeggen dat als je de scheidingslijn tussen dader en slachtoffer oversteekt en met elkaar spreekt, je verraad pleegt op degene die is vermoord. Daar ben ik het niet mee eens. Maar het vraagt zeker veel moed om daarvoorbij te kijken en het gesprek wél aan te gaan. U schrijft in uw boek ook over de carjacking waar u samen met collega-schrijver David Van Reybrouck het slachtoffer van was. Vermeersch: Dat gebeurde een jaar voor het proces. Vijf gemaskerde mannen waren ons ongemerkt gevolgd naar een afgesloten parkeerplaats in Kuregem waar Davids auto stond. Toen hij de kofferbak opende, begonnen die gasten klappen uit te delen. Terwijl ik op de grond lag, namen ze de autosleutel af van David en reden ze weg. Ik heb er tijdens het proces vaak aan teruggedacht. Als je midden in een overval zit, weet je niet hoe het zal aflopen. Het lijkt eindeloos lang te duren. Ik lag op de grond en wist niet wat er met David gebeurd was. Ik dacht: stel dat hij dood is, en ik overleef dit. Dat zou ik niet aankunnen. Ik kreeg zelfs schuldgevoelens. Merkwaardig wat er op zulke momenten allemaal door je hoofd schiet. Zit er een moordenaar in elk van ons? Vermeersch: Ik heb ergens in mijn boek geschreven dat mensen in wezen niet slecht zijn, maar ze kunnen wel spectaculair falen in een verraderlijke wereld. We deugen op een of andere manier, maar tegelijkertijd is het een feit dat mensen in sommige situaties tot de verschrikkelijkste daden in staat zijn. Kijk maar naar wat er gebeurde tijdens de Balkanoorlog. Vermeersch: Voor mijn boek over het uiteenvallen van Joegoslavië sprak ik met heel veel Bosniërs. Daar zei iedereen in het begin van de jaren negentig, net voor het begin van de oorlog: 'Hier kan van alles gebeuren, maar zeker geen oorlog.' Sarajevo was een moderne, vriendelijke stad, de meest vooruitstrevende van de regio. De bewoners keken neer op landen zoals Roemenië: 'Daar is het verschrikkelijk. Wij zijn hier beschaafd.' En kijk hoe snel het daar verkeerde en tot welke gruweldaden mensen in staat bleken. Nu zijn wij de mensen die denken dat de Bosniërs onbeschaafd zijn, en wij geciviliseerd. Het is een les in bescheidenheid. Ook wij weten niet waartoe we in staat zijn. Sommige lezers zullen zeggen: Peter Vermeersch is een softie, een naïeve academicus die in zijn ivoren toren woont. Vermeersch: Het verwijt van naïviteit is vaak de weigering om het eigen gelijk ter discussie te stellen. Het is een te makkelijk excuus om niet verder na te denken. De Poolse dichteres Wislawa Szymborska, die in 1996 de Nobelprijs voor de Literatuur won, schrijft in een gedicht: 'De belangrijkste vragen die we kunnen stellen zijn naïeve vragen.'