Wat als we nu eens, bij wijze van comfort food, de bekendste films met Louis de Funès zouden heruitzenden?' Origineel was het idee niet, maar het leverde tv-zender France 2 tijdens de lockdown een succes fou op. La Folie des Grandeurs (1971), La Grande Vadrouille (1966), Le Gendarme de Saint-Tropez (1964), Le Corniaud (1965), Les Aventures de Rabbi Jacob (1973): de voorbije drie maanden wisten ze in totaal meer dan 50 miljoen Fransen aan het scherm te kluisteren. Als één iemand zich de koning van de lockdown mag noemen, is het Louis de Funès wel. En dat terwijl de komiek al sinds 1983 op de Elyzeese velden vertoeft - minstens één etage boven Bourvil en Coluche, al smoelen trekkend en zich driftig druk makend.
...

Wat als we nu eens, bij wijze van comfort food, de bekendste films met Louis de Funès zouden heruitzenden?' Origineel was het idee niet, maar het leverde tv-zender France 2 tijdens de lockdown een succes fou op. La Folie des Grandeurs (1971), La Grande Vadrouille (1966), Le Gendarme de Saint-Tropez (1964), Le Corniaud (1965), Les Aventures de Rabbi Jacob (1973): de voorbije drie maanden wisten ze in totaal meer dan 50 miljoen Fransen aan het scherm te kluisteren. Als één iemand zich de koning van de lockdown mag noemen, is het Louis de Funès wel. En dat terwijl de komiek al sinds 1983 op de Elyzeese velden vertoeft - minstens één etage boven Bourvil en Coluche, al smoelen trekkend en zich driftig druk makend. Het zijn duizelingwekkende cijfers, als je bedenkt dat het om films gaat die de voorbije decennia al bijna even vaak op de Franse tv zijn gepasseerd als F.C. De Kampioenen bij ons. Ze zeggen niet alleen iets over de behoefte aan een bevrijdende glimlach en een portie veilige nostalgie in tijden van crisis. Ze illustreren vooral hoe onverwoestbaar de populariteit van De Funès nog altijd is, als het chronisch grimassende gezicht van La France de papa. De 1,63 meter kleine acteur blijft de incarnatie van de modale Fransman met de baret op, van het balorige burgermannetje, van het hitsige heertje dat zich telkens weer verongelijkt voelt. Het is een status die hij al tijdens zijn leven wist te bereiken. En waar kennelijk geen sleet op zit. De toepasselijk getitelde tentoonstelling À la Folie die La Cinémathèque française vanaf 15 juli aan hem wijdt, komt dan ook precies op tijd. Dat de kolerieke kolderkoning een solo-expositie krijgt in het Parijse filmmekka dat doorgaans groten als Jean-Luc Godard en François Truffaut eert, is bijna een provocatie. Zeker voor snobs van de harde, cinefiele lijn. Om zijn filmische finesse of exquise smaak stond De Funès, die op zijn 68e aan zijn zoveelste hartaanval bezweek, tenslotte nooit bekend. Hij was altijd al de man van de brede fysieke humor, van de grandguignol, van de doldwaze misverstanden en frenetieke fratsen, door het beeld razend verkleed als gendarme, non, nar of rabbijn, in de groene gelatine of spartelend tussen de eenden. Zeker in Frankrijk, waar men het altijd al meer had voor bon mots en trouvailles, was zijn burleske, hyperenergieke stijl uniek. Inspiratie haalde hij bij Buster Keaton, bij Charlie Chaplin en vooral bij zijn favorieten Laurel & Hardy, van wie hij verschillende gags recycleerde. Alleen kopieerde De Funès de grote komieken van voor zijn tijd niet. Hij versnelde de tijd, draaide hem dol, en rekte hem uit als een elastiek, met de nodige gestes en geluiden, als een vleesgeworden Donald Duck, Roadrunner of ander figuurtje uit de tekenfilms waar hij zo van hield. Het is die manische manier van spelen - als een typetje uit een stomme film dat pardoes in een geluidsfilm is beland - die hem tijdloos maakt. Het is ook de reden waarom De Funès de auteur van zijn films mag worden genoemd, ook al stond zijn naam slechts één keer op de titelrol vermeld als regisseur - bij zijn Molière-adaptatie L'Avare (1981). Zeker toen hij op zijn vijftigste doorschoot naar de top was De Funès degene die het tempo, de stijl en de thematiek van zijn films dirigeerde. Dat deed hij vaak op het dictatoriale af, met alle spanningen op en naast de set van dien. Het verklaart waarom hij zelden met écht grote regisseurs of filmsterren werkte, al liet hij zich over de jaren heen flankeren door Bourvil, Jean Gabin, Yves Montand en andere Franse heiligen. Bovendien was hij een groter cinefiel dan veel van zijn uitzinnige farces op het eerste, en desnoods ook op het zoveelste gezicht laten vermoeden. Van Chaplin en Keaton leerde hij hoe hij mensen aan het gieren kon brengen zonder zelf te glimlachen. W.C. Fields toonde hem hoe hij schaamteloos schofterig maar toch geliefd kon zijn. The Marx Brothers brachten hem de zin voor gedisciplineerde anarchie bij, terwijl ook 'serieuzere' regisseurs zoals de Duitse expressionisten F.W. Murnau ( Nosferatu) en Fritz Lang ( Metropolis) zijn hart nog sneller lieten slaan dan het al deed. Toch was het was vooral de release in 1947 van H.C. Potters furieuze cultkomedie Hellzapoppin' die een artistieke schok teweegbracht. Bij hem, maar ook bij zijn vrienden van Les Branquignols, de theatertroep waar hij na de oorlog de slapstickstiel leerde. Het is de film die hem bij uitstek toonde hoe hij actie moest koppelen aan emotie, en die hem zijn alom bekende arsenaal aan groteske bekken zou opleveren. Voeg daar nog Harold Lloyd en Max Linder als inspiratiebronnen aan toe, en je krijgt een brede, behoorlijk diverse waaier aan popculturele referenties. Toegegeven: die maken van De Funès, die in zijn Château de Clermont langs de Loire een uitgebreide collectie 16 millimeterfilms had, nog altijd geen vormvernieuwer als Godard of Truffaut. Ze maken wél duidelijk dat hij als Frankrijks favoriete filmclown zijn metier kende, en dus wel degelijk op zijn plaats is in de Cinémathèque, daar waar de doopvont staat van de Europese auteurscinema. 17.272.987. Zoveel Fransen gingen in 1966 in de bioscoop kijken naar La Grande Vadrouille, die gaullistische fantasie waarin een verenigd Frankrijk tegen de Duitse invaller strijdt. Daarmee vestigden De Funès en regisseur Gérard Oury, met wie hij verschillende van zijn grootste successen boekte, een record dat pas dertig jaar later door Titanic en daarna in 2010 door Bienvenue chez les Chtis zou worden verbroken. En ook Le Corniaud (11,7 miljoen), Le Gendarme de Saint-Tropez (8 miljoen), Les Aventures de Rabbi Jacob (7,3 miljoen), Les Grandes Vacances (7 miljoen) en andere titels deden de kassa's knallen, tot in de Benelux, Italië en het voormalige Oostblok toe. Van 1964 tot aan zijn dood in 1983 zou De Funès de populaire Franse cinema domineren. Doorbreken op je vijftigste, het is weinigen gegeven. Het lijkt moeilijk te geloven voor een man die binnen de francofone wereld nog altijd wordt gekoesterd als een embleem, en in Saint-Raphaël zelfs een eigen museum heeft, maar de zoon van een Spaanse diamantslijper begon zijn volwassen leven als jobhopper. Industrieel tekenaar, fotolaborant, boekhouder, bontbewerker, barman: hij deed het allemaal met tegenzin en voortdurend grappen makend, tot onvrede van zijn werkgevers. In 1939 wist hij op het nippertje aan zijn legerdienst en het front te ontsnappen, wellicht dankzij een fout in zijn medisch rapport, zijn kleine gestalte en een doldwaas misverstand. Tijdens de Tweede Wereldoorlog belandde De Funès in een Parijse nachtclub, in de buurt van Place Pigalle, waar hij de kost verdiende als pianist. Overdag volgde hij acteerlessen, aangezien hij daar tijdens zijn jeugd in de jaren twintig en dertig nooit de kans toe had gekregen. Hoewel zijn Spaanse vader van adellijke afkomst was, had het gezin het bepaald niet breed. Pa speelde zijn fortuin kwijt, vluchtte naar Venezuela en liet moeder Leonor achter met de drie kinderen. Naar verluidt was zijn moeder even bazig en theatraal als veel van zijn typetjes. Ze zou een sleutelrol blijven spelen in zijn leven. Of zoals hij zelf ooit opbiechtte: 'In feite speel ik altijd mijn moeder.' In 1945, terwijl hij zich op de planken toelegt op vaudevillekomedies, bezorgt zijn vriend en Daniel Gélin hem een eerste, onbeduidend filmrolletje. Het zal duren tot 1956 vooraleer De Funès zich voor het eerst echt laat opmerken op het witte doek, naast giganten Jean Gabin en Bourvil nog wel, in de cultfilm La Traversée de Paris van Claude Autant-Lara. Daarin vertolkt hij een typetje dat typisch voor hem zou worden: de cynische, kleingeestige kruidenier Jambier die zich inlaat met de zwarte markt. De jaren daarop blijven zijn reputatie én de lengte van zijn rollen gestaag groeien. Tot hij in 1964 - dan al vijftig en plots ook in Technicolor - twee kaskrakers scoort als leading man, met Le Gendarme de Saint-Tropez en Fantômas. Daarin speelt hij respectievelijk de goocheme gendarme Ludovic Cruchot en de blunderende commissaris Juve, wat zijn meest iconische rollen zullen worden, met dank ook aan de succesvolle sequels. Het fenomeen De Funès is geboren en veel hits zouden volgen, maar er hangt een prijskaartje aan zijn moeizaam vergaarde faam en fortuin. Terwijl regisseur Gerard Oury hem de beste rollen van zijn leven aanbiedt, begint hij steeds meer mensen op de zenuwen te werken. En niet alleen de critici die op dat moment meegesleurd worden door de bruisende nouvelle vague, en hun neus ophalen voor zijn flauwe fratsen. Gabin vindt zijn grappen en grollen maar vermoeiend. Fernandel negeert hem volledig, en Jean Marais is jaloers wanneer commissaris Juve zijn Fantômas qua populariteit inhaalt. Bovendien begint lollige Louis, die tussendoor in tal van toneelstukken blijft aantreden, vanaf de jaren zeventig almaar meer te sukkelen met zijn gezondheid. Zowel psychisch als fysiek. Op de set wordt hij dwingender en veeleisender, zoals enkele notitieboekjes onthullen die u in Cinémathèque kunt inkijken, alsof hij bang is om de controle en de status te verliezen waar hij zo lang naar gesnakt heeft. Buiten de set wordt hij stukken stiller en introverter, en trekt hij zich het liefst terug in zijn geliefde rozentuin van zijn zeventiende-eeuwse kasteel Clermont, afbetaald met de winst van La Grande Vadrouille. In 1975 krijgt hij zijn eerste beroerte, wat hem dwingt om het tegen zijn driftige natuur in kalmer aan te doen. Op 27 januari 1983, zoveel hartaanvallen later, valt definitief het doek. De kelder van kruidenier Jambier uit La Traversée de Paris, de grootstedelijke roadmovie die hem voor het eerst in de spotlights duwde. De blauwgrijze Citroën deux-chevaux die total loss gereden wordt in Le Corniaud, de buddy comedy waarin hij samen met Bourvil de wegen van Parijs via Rome en Napels tot Carcassonne onveilig maakt. Het wassen beeld van de grijzende gendarme Cruchot, ontleend aan de collectie van Musée Grevin. Het chassidische kostuum en de pijpenkrulletjes van Rabbi Jacob. Het zijn maar enkele pronkstukken van de tentoonstelling in La Cinématèque française die u onderdompelen in het vergeelde universum van Louis de Funès. Maar de expo, copieus opgetrokken uit brieven, dagboeken, affiches, prullaria en tal van video- en geluidsfragmenten, belicht ook minder bekende kanten van Frankrijks bekendste driftkikker. Ze tonen hem als jazzfanaat, als gepassioneerd pianist en vriend van platenmogol Eddie Barclay, als begenadigd danser en fysiek acrobaat. Maar ook als bioboer avant la lettre, die net als culinair criticus Charles Duchemin (zijn personage in de haute-cuisinesatire L'Aile ou la Cuisse uit 1976) ook in het echt ten strijde trok tegen fastfood en pesticiden. In zijn 150 films wordt opvallend vaak gastronomisch gekookt en gezond gegeten - hoewel hij sinds de oorlogsjaren, waarin zijn gezin op rantsoen stond, aan boulimie leed. Weinig bekend is ook dat de Funès een groot bewonderaar was van de schilderkunst van El Greco en Diego Velasquez. Hij wekte hun tableaus tot leven in La Folie des Grandeurs (1971), zijn korsettenkomedie over intriges aan het zeventiende-eeuwse Spaanse hof. Het is een rijkelijk gedocumenteerde tentoonstelling die je met andere ogen doet kijken naar Louis de Funès, voorbij de folies en de fratsen, en die hem reveleert als een explosief vat vol contrasten. Hij was zo Frans als pastis, maar hij was wel van Spaanse afkomst. Hij was de best betaalde Franse filmster van de sixties en seventies, maar hij was klein, kaal en had een haakneus. Hij was hyperpopulair en geliefd bij kinderen, maar nooit vulgair of infantiel. Hij maakte komedies die klassen, seksen, generaties en politieke overtuigingen ontstegen, maar die verbinding tussen links en rechts, hoog en laag, jong en oud bereikte hij bij voorkeur door het verongelijkte smeerlapje te incarneren. Het is een fascinerende vaststelling, zeker nu humor almaar vaker wordt afgetoetst aan raciale, culturele en gendergevoeligheden en desnoods in quarantaine wordt gestopt wanneer ze te dicht bij de limieten komt. Vraag het maar aan die van Fawlty Towers of Little Britain. Zou Les Aventures de Rabbi Jacob, mocht die vandaag in de bioscoop opduiken, nog wel als koosjere kolder worden gezien, ook al is de film duidelijk een aanklacht tegen vooroordelen en antisemitisme? Zou gendarme Cruchot nog ongestoord volle zalen trekken van Parijs tot Saint-Tropez, een blanke vent van middelbare leeftijd met puriteinse, autoritaire trekjes en een ongezonde obsessie voor jong, bloot vrouwvolk? Of zou je er een bordje met duiding bij krijgen? Politiek correct kun je de personages waarmee De Funès furore maakte in de monoculturele en patriarchale tijd van Charles de Gaulle en Georges Pompidou in elk geval niet noemen, toch niet naar hedendaagse normen. Ze zijn opvliegend, bekrompen, egoïstisch, racistisch, seksistisch, chauvinistisch en hovaardig, ze liegen en bedriegen, ze marchanderen en fulmineren, maar net daarom zijn ze universeel en herkenbaar. De Funès richt de spot ook evengoed op zichzelf en demonstreert hoe futiel en ridicuul onze maniertjes zijn. Toen, maar ook nu nog, zoals de spectaculaire kijkcijfers van zijn films tijdens de recente lockdown bewijzen. Anders gezegd: Louis de Funès, c'est nous. Maar dan erger, drukker, grotesker en gelukkig ook grappiger.