De gemiddelde leeftijd waarop een Vlaming naar een woonzorgcentrum verhuist, is in vijf jaar tijd met zes maanden gestegen. Nu is een nieuwe bewoner gemiddeld 83 jaar. Ouderen wachten dus steeds langer om in een rusthuis in te trekken. Dat blijkt uit het profiel van de gemiddelde rusthuisbewoner dat het socialistische ziekenfonds heeft opgesteld.
...

De gemiddelde leeftijd waarop een Vlaming naar een woonzorgcentrum verhuist, is in vijf jaar tijd met zes maanden gestegen. Nu is een nieuwe bewoner gemiddeld 83 jaar. Ouderen wachten dus steeds langer om in een rusthuis in te trekken. Dat blijkt uit het profiel van de gemiddelde rusthuisbewoner dat het socialistische ziekenfonds heeft opgesteld. 'Die stijging lijkt erop te wijzen dat oudere mensen vandaag minder graag naar een woonzorgcentrum gaan dan vroeger en het dus langer uitstellen', zegt Paul Callewaert, algemeen secretaris van het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten. 'Maar mogelijk hebben ook ouderen met een migratieachtergrond impact op de cijfers: die groep wordt steeds groter en gaat veel minder vaak naar een woonzorgcentrum.' Veel mensen zetten de stap naar een rusthuis pas als het echt niet anders meer kan. Meer dan 44 procent komt er bijvoorbeeld na een ziekenhuisopname terecht. In veel gevallen is het dan de sociale dienst van het ziekenhuis die oordeelt dat (alleen) thuis wonen niet meer verantwoord is. Vandaar ook dat de meeste ouderen al erg zorgbehoevend zijn als ze in het woonzorgcentrum arriveren. Het aantal bewoners met een zwaar zorgprofiel steeg in vijf jaar tijd met bijna 9 procentpunt tot 80 procent. Toch woont een Vlaming volgens het socialistische ziekenfonds gemiddeld nog 2,8 jaar in een woonzorgcentrum. Dat is zo'n jaar langer dan doorgaans wordt aangenomen. Achter dat gemiddelde gaan wel grote verschillen schuil. De helft van de bewoners verblijft er minder dan twee jaar. 46 procent van de mannen en bijna 30 procent van de vrouwen zelfs minder dan een jaar. Maar het gemiddelde wordt opgetrokken door mensen die er vele jaren wonen, sommigen zelfs tien jaar of meer. Meestal zijn dat bewoners die relatief jong waren toen ze er introkken. Vlamingen gaan iets minder vaak naar een woonzorgcentrum dan tien jaar geleden. Vandaag woont 23,5 procent van de vrouwelijke tachtigplussers en 12,4 procent van de mannen er. Dat vrouwen bijna drie vierde van de bewoners uitmaken, komt vooral doordat ze gemiddeld langer leven dan mannen. Als een vrouw zorgbehoevend wordt, is de kans groot dat haar man al is overleden en er dus niemand in huis is om voor haar te zorgen. Dan is verhuizen naar een woonzorgcentrum vaak de enige optie. Opvallend is wel dat er meer kwetsbare ouderen in een woonzorgcentrum terechtkomen dan welstellende leeftijdgenoten. In Vlaanderen heeft meer dan 44 procent van de bewoners recht op een verhoogde tegemoetkoming omdat ze van een laag inkomen moeten leven. Dat zij vaker naar een woonzorgcentrum verhuizen, heeft in veel gevallen met hun woonsituatie te maken. Als je een huis huurt, kun je moeilijk een traplift laten installeren of de badkamer aanpassen. In een kleine flat is er dan weer te weinig ruimte voor een rollator of rolstoel. Ook dan zit er vaak niets anders op dan naar een woonzorgcentrum te verhuizen. Bovendien hebben mensen die het niet breed hebben vaak een slechtere gezondheid. Hun netwerk is in veel gevallen kleiner en dikwijls is er niemand die voor hen kan zorgen als ze ouder worden. 'Omdat zo veel rusthuisbewoners het met een klein inkomen moeten doen, is het nóg belangrijker dat de rusthuisfactuur betaalbaar wordt gehouden', zegt Callewaert. Tijdens hun verblijf in een woonzorgcentrum worden bewoners gemiddeld 22 dagen in het ziekenhuis opgenomen. Toch overlijdt 80 procent uiteindelijk in het woonzorgcentrum. Tijdens de coronacrisis ontstond nog ophef over het feit dat geriaters woonzorgcentra afraadden om kwetsbare bewoners die niet meer beter konden worden naar het ziekenhuis te brengen. 'Buiten coronatijd is het daarentegen positief dat bewoners aan het eind van hun leven minder vaak naar het ziekenhuis worden gebracht', zegt Callewaert. 'Dat wijst erop dat de woonzorgcentra meer aandacht hebben voor palliatieve zorg, maar ook dat ouderen minder onderzoeken en behandelingen ondergaan die soms weinig of geen zin meer hebben.' De vraag is of Vlamingen in de toekomst almaar ouder en zorgbehoevender zullen zijn als ze naar een woonzorgcentrum verhuizen. Het niet bepaald aantrekkelijke beeld dat tijdens de coronacrisis van de sector werd opgehangen, belooft in elk geval weinig goeds. 'Het zou inderdaad kunnen dat mensen daardoor nog minder geneigd zijn om naar een woonzorgcentrum te verhuizen en daar dus nog langer mee zullen wachten', denkt Callewaert. 'Aan de andere kant zijn er steeds meer singles in onze samenleving. Zonder partner die voor hen kan zorgen, bestaat de kans dat ze vroeger naar een woonzorgcentrum moeten.' 'Het beleid mag er dan op zijn gericht om mensen zo lang mogelijk thuis te laten wonen, voor velen is dat op een bepaald moment toch niet meer haalbaar. Woonzorgcentra zullen altijd nodig blijven en dus kunnen we er maar beter voor zorgen dat mensen het daar goed hebben. Dat wil zeggen dat ze zich er thuis moeten voelen, maar ook dat de sector meer personeel en middelen moet krijgen. Als steeds meer bewoners een zwaar zorgprofiel hebben, lijkt het me maar logisch dat de financiering daaraan wordt aangepast.'