Waarom is de zeventigste editie van dit festival uw laatste?
...

Waarom is de zeventigste editie van dit festival uw laatste? Bernard Foccroulle: Vóór ik het festival leidde, was ik van 1992 tot 2007 directeur van De Munt in Brussel. Meer dan dertig jaar focuste ik op de productie van opera's, aan muziek spelen kwam ik amper toe. Daarom besloot ik in 2015 dat de zeventigste editie mijn laatste zou worden. Operaregisseur Pierre Audi, die als directeur van Holland Festival en De Nationale Opera in Amsterdam zijn sporen heeft verdiend, zal het festival nu leiden. Wat doet dertig jaar in de opera met een mens? Foccroulle: Ik besefte dat opera de wereld mee vorm geeft. In de negentiende eeuw was de opera een vehikel voor het nationalisme. Denk aan Daniel Aubers De Stomme van Portici die in 1830 de Belgische Revolutie ontketende. Nu draagt de opera de idee uit van culturele samenwerking. Zowel muzikaal, visueel als in de verhalen die verteld worden, toont de opera zich multicultureel. Vorige week stelde choreograaf Alain Platel in Libération dat de rassenvermenging de wereld zal redden. Dat is een radicale uitspraak. Maar ik ben het met hem eens. Het festivalproject Orfeo & Majnun straalt ook die visie uit. Foccroulle: (enthousiast) De hele festivaleditie. Bekijk de foto's van de Orfeo & Majnun-stoet die op 24 juni door onze stad trok: dat was zó ontroerend. Ik liep tussen mensen die roots hebben in alle uithoeken van de wereld. Het is een idee van regisseur Airan Berg. Zijn uitgangspunt is om West en Oost te verzoenen. De Belg Dick van der Harst, de Palestijn Moneim Adwan en de Brit Howard Moody componeerden de muziek. En in het libretto combineert Berg de westerse mythe over Orpheus en Eurydice met de oosterse mythe over Majnun en Layla. Omdat Berg West en Oost ook in het publiek wil verenigen, start de opera op elke speellocatie met een stoet, vol muzikanten en marionetten. Zo bereiken we een nieuw publiek. Daar ligt een belangrijke taak: we moeten projecten creëren die alle stadsbewoners aanspreken. Het is tijd om een niet-Europees patrimonium aan te boren. Op de planken maar evengoed in, bijvoorbeeld, de educatieve werking. 'Met K3 komen we er niet', schreef Gaea Schoeters onlangs in een brief aan Vlaams minister van Cultuur Sven Gatz. Pleit u voor opera in de kleuterklas? Fouccroulle: Absoluut! Kleuters zijn een spontaan, nieuwsgierig publiek. Momenteel geeft de ploeg van Die Zauberflöte, te zien tijdens het festival, try-outs. De kleuters in het publiek genieten. Die toegankelijkheid is een van onze troeven. Naar welke creatie op het festival kijkt u het meest uit? Fouccroulle: Misschien wel naar Seven Stones van Ondrej Adamek. Hij had niets met opera maar bezocht sinds 2011 ons festival, volgde workshops en maakt nu een geweldige a-capellacompositie met verrassende instrumenten - waaronder glazen en planken - voor vier solisten en twaalf koorzangers. En intussen maak ik weer muziek. Ik componeer ook voor Zauberland, een creatie van Katie Mitchell bij Théâtre des Bouffes du Nord in Parijs. Het is een coproductie met De Munt, dus ook in Brussel laat ik nog van me horen. (lacht)