Meer dan 50 operatitels heeft hij op zijn naam staan, in 35 operahuizen van Wenen tot New York. Achtentwintig jaar nadat hij de overstap van de theater- naar de operawereld maakte, trekt Guy Joosten (55) de deur van België achter zich dicht, met een productie voor Opera Vlaanderen. De opera Cardillac van Paul Hindemith uit 1926 wordt zijn laatste werk op Belgische bodem. Voor nieuw werk van Joosten zult u naar Seoel of Tokio moeten.
...

Meer dan 50 operatitels heeft hij op zijn naam staan, in 35 operahuizen van Wenen tot New York. Achtentwintig jaar nadat hij de overstap van de theater- naar de operawereld maakte, trekt Guy Joosten (55) de deur van België achter zich dicht, met een productie voor Opera Vlaanderen. De opera Cardillac van Paul Hindemith uit 1926 wordt zijn laatste werk op Belgische bodem. Voor nieuw werk van Joosten zult u naar Seoel of Tokio moeten. Cardillac is bij ons nauwelijks bekend, de laatste opvoering in België is al meer dan veertig jaar geleden. Maar na de première in 1926 was het heel populair in Duitsland, tot de nazi's het als 'ontaarde muziek' classificeerden. Het stuk is gebaseerd op een novelle van de romantische auteur E.T.A. Hoffmann, Das Fräulein von Scuderi, die weleens de 'eerste Duitse krimi' wordt genoemd. Het verhaal speelt zich af in Parijs onder Lodewijk XIV en gaat over een goudsmid, Cardillac, die iedereen vermoordt die een van zijn prachtige juwelen koopt. Een curieus onderwerp met curieuze muziek. Geen onaardige keuze, bij wijze van laatste buiging. Waarom houdt u het in België voor bekeken? Guy Joosten: Na dertig titels en ontelbare reprises geleid en vele directies overleefd te hebben, is het een goed moment om er een punt achter te zetten. Het Vlaamse publiek heeft mij vele keren leren kennen en ook kunnen herkauwen. Aan de ene kant wil ik het wat rustiger aan doen, en tegelijk zit mijn buitenlandse carrière op een nieuw spoor door mijn producties in Azië. Daardoor moet ik telkens langer weg van huis, wat ook privé een offer is. Ik moet keuzes maken. Dus rond ik mijn verhaal in België af, maar mijn grote internationale verhaal gaat gewoon door. Tussen ons: het is toch eigenaardig dat mijn internationale carrière in België nauwelijks gevolgd werd? Maar goed, daar wil ik me niet meer aan ergeren. Dan ga ik liever naar Zuid-Korea of Japan. Wat hebben die landen te bieden dat u bij ons niet vindt? Joosten: Daar ervaar ik omgangsvormen die wij hier niet kennen. De verzuring van de maatschappij, het gebrek aan wederzijds respect: dat voel je daar niet. Alles wat men daar doet, is gericht op de andere en op het te bereiken doel. Geen diva's, niemand is o zo belangrijk of 'goed bezig'. Niemand wil de wereld veranderen, maar iedereen wil wel goed werk afleveren. Dat werkethos, die discipline, die efficiëntie: daar kunnen we hier alleen maar van dromen. Bovendien hou ik van lesgeven, en elke nieuwe productie in het Oosten ís een leerproces. Probeer Japanse zangers in Die Entführung aus dem Serail van W.A. Mozart maar eens Duits te laten spreken. Hoe bent u bij Cardillac van Paul Hindemith terechtgekomen? Joosten: Toen Aviel Cahn in 2009 intendant werd bij Opera Vlaanderen en mij vroeg om hier enkele opera's te regisseren, dacht ik: ik moet hier na Mozart, Giuseppe Verdi en Gioachino Rossini eens iets anders doen. Mijn voorstel was: vanaf nu alleen nog twintigste eeuw en later, en telkens met een nieuw team vormgevers. Dat vond hij een goed idee, en hij stelde me Cardillac van Hindemith voor. Hij had het meteen ook over de Antwerpse diamantwereld, de Joodse buurt enzovoort. Nu, bij mijn weten komt er in dat stuk geen Jood voor, en gaat het ook niet over diamanten maar over goud. Maar tot daaraan toe, een Jood kon hij krijgen. Maar Cahn maakte ook een fout: hij stelde me tegelijk ook Wozzeck van Alban Berg voor, uit 1921. Elke regisseur springt meteen op Wozzeck, en dat is voor mij niet anders. En zo werd Cardillac op de lange baan geschoven. Maar nu Cahns mandaat ten einde loopt (hij vertrekt deze zomer naar Le Grand Théâtre de Genève en wordt opgevolgd door Jan Vandenhouwe, nvdr), moest het er wel van komen. Intussen vind ik het een fantastisch stuk. Dat is met de jaren gegroeid. Ik ben in de tussentijd veel met Richard Strauss bezig geweest. Van die muziek dacht ik dikwijls: wat een nest mieren in mijn broek, maar tijdens het werkproces ontdekte ik de diepgang ervan. Wel, dat geldt nog meer voor Hindemith. Hij wil zoveel tegelijk kwijt in zijn muziek, hij maakt het zo complex. Dat ontdek je nooit allemaal van achter je werktafel. Die bijwijlen heel filmische muziek vraagt om een scenische aanpak, al was het maar om te selecteren waar je de nadruk op legt. Om de enorme potentie van het stuk te benadrukken combineert Hindemith instrumentengroepen, zoals slagwerk en koperblazers, die vóór hem hoogstens eens toevallig samenkwamen. Dat is heel sterk, maar het dwingt je ook tot keuzes. Hij gebruikt ook geen grote melodieën of lyrische zanglijnen. Om al die redenen is Cardillac in zekere zin een non-opera. Daarom is het ook een werk dat je als toeschouwer moet gaan bekijken, want op cd werkt het veel minder. Waarover gaat hij volgens u, in 2019? Joosten: Het is een meta-opera over een kunstenaar die zo verknocht is aan zijn werk dat hij er geen afstand van kan doen. Dat refereert aan onze operacultuur, waar opera wordt geconserveerd of zelfs gecelebreerd. Maar voor mij heeft opera alleen een dagwaarde. Verdi heeft Rigoletto niet gecomponeerd met het idee dat men het in de eenentwintigste eeuw nog zou opvoeren. Maar Cardillac gaat ook over de relatie tussen liefde en dood. Al bij het begin van de opera spreekt een politieofficier, een echte volksmenner, over de 'brennende Kammer'. Wij weten nu dat die chambre ardente onder Lodewijk XIV een soort inquisitie was, maar uit de scène blijkt niet dat het volk dat begrijpt, de mensen joelen gewoon na wat hij zegt. Dat was uiteraard de tijdgeest van Hindemith (die de nazi's zag opkomen en er het slachtoffer van werd, nvdr). En het is ook de tijdgeest van vandaag, ja. Onmiddellijk daarna zie je een liefdespaar: een vrouw die haar aanbidder belooft de deur van haar kamer letterlijk en figuurlijk te zullen openen als hij haar iets bezorgt waarvan zij weet dat het levensgevaarlijk is. Daarna zijn we in de slaapkamer en vindt de moord plaats. Liefde en dood liggen dus erg dicht bij elkaar. Om dat duidelijk te maken heb ik van de 'brennende Kammer' ook het liefdesnest gemaakt en dat liefdesnest is ook het atelier van Cardillac. Zijn verhouding tot vrouwen is namelijk erg beladen: hij heeft er geen probleem mee zijn dochter weg te schenken aan een officier, maar hij wil nooit een van zijn goudsmeedwerken afstaan. Want 'de vrouw is vluchtig', terwijl 'alleen wat ik geschapen heb, mij trouw blijft'. Het goud is dus ook de sublimatie van een seksueel complex. Dat soort waan is typisch voor de expressionistische periode, toen kunst de krochten van de ziel probeerde te doorgronden. Die drie-eenheid van plaats - 'brennende Kammer', bed, atelier -- is het centrale gegeven van onze enscenering. Dus niet het Antwerpse diamantmilieu? Joosten: Zoals gezegd, ik heb van de goudhandelaar een Jood gemaakt. Maar verwacht geen couleur locale. Geen zeventiende-eeuws Parijs, en ook geen Antwerpen. (zwijgt even) Weet u, dit stuk is echt overdonderend. Ik ben 's avonds doodop, want de beelden en de muziek laten mij niet los. En 's ochtends zit ik weer vol energie. Het is enorm intensief werk. Bij Mozart kun je al eens achteroverleunen en de componist zijn werk laten doen. Hier is dat onmogelijk, je moet altijd bij de les zijn. Hindemith komt mij niet te hulp.