Een recent onderzoek aan de Universiteit van Amsterdam naar de ontwikkeling van affectieve banden tussen de gezinsleden van nieuw-samengestelde gezinnen bracht interessante resultaten aan het licht. Dit onderzoek werd snel aangegrepen als onomstotelijk bewijs dat stiefmoeders het algemeen genomen moeilijker hebben dan stiefvaders. Toch moet deze gevolgtrekking sterk genuanceerd worden en is het toonaangevend voor de discriminatie waar vaders vandaag nog al te vaak mee te maken krijgen.

Ook stiefvaders hebben het niet gemakkelijk.

Het Nederlands sociologisch onderzoek van Kirsten Van Houdt peilde naar de ervaringen van volwassenen geboren in de jaren '70 en '80 die opgevoed werden in nieuw-samengestelde gezinnen. Deze resultaten gaven aan dat maar liefst 44% van de respondenten eerder hun stiefvader als echte vader percipieerden, tegenover 17% die hun stiefmoeder als echte moeder zagen. De accenten die gelegd werden bij het bespreken van deze resultaten in de media zijn echter bijzonder opvallend. Al gauw bleek vooral de rol van de stiefmoeder en biologische moeder voer voor discussie. Als het al ging over de rol van de biologische vader en de stiefvader, kwam men snel tot de conclusie dat vaders blijkbaar gemakkelijk te vervangen zijn.

Bij deze voorstelling moeten enkele kanttekeningen gemaakt worden. Om van start te gaan met de belangrijkste nuancering: de samenleving in de jaren '80 is op vele vlakken niet meer te vergelijken met de hedendaagse samenleving. Niet alleen komen traditionele rolpatronen meer en meer op de helling te staan, tegenwoordig is verblijfsco-ouderschap (waar kinderen een gelijke tijd bij elke ouder verblijven na scheiding) een gangbaar alternatief geworden voor het klassiek weekendverblijf bij vader.

De kans is dus groot dat de resultaten er vandaag anders zouden uitzien, omdat na een scheiding de biologische vader meer en meer een evenwaardige rol toebedeeld krijgt. Hoe dit verschil eruit zou zien is ook nog maar de vraag. Misschien zien kinderen hun stiefmoeder nu ook meer als echte moeder, maar de mogelijkheid bestaat ook dat kinderen hun stiefvader net minder als echte vader zien.

Mijns inziens lijkt de laatste optie het meest waarschijnlijk. De onderzoeker gaf evenwel aan dat het significant verschil kleiner werd, maar weliswaar bleef bestaan als geen rekening werd gehouden met bij wie het kind verbleef. Dit kan evenwel betekenen dat de klassieke rolpatronen toch nog steeds gangbaar zijn in onze maatschappij. In een nieuw-samengesteld gezin zal een stiefvader zich meer op de achtergrond houden en leuke dingen met het kind doen, terwijl de biologische vader de zorg- en huishoudtaken nog steeds regelmatig voor een groot stuk zal overlaten aan de stiefmoeder.

Hierdoor kunnen conflicten ontstaan als de stiefmoeder zich niet erkend voelt als moederfiguur, wat op zijn beurt weer zal leiden tot frustratie bij het kind. Het kind voelt immers een sterke loyaliteit naar een aanwezige zorgouder, wat tot op heden nog vaak de moeder is. Daarnaast kan het zijn dat het kind een vaderfiguur mist als de zorgtaken te veel op de schouders van de stiefmoeder komen te liggen, waardoor het een soort leegte kan gaan opvullen bij de stiefvader.

Wat zou er nu gebeuren als die klassieke rolpatronen zouden verdwijnen? Hoewel de moeder misschien gemakkelijker een band met het kind kan ontwikkelen op basis van de zwangerschap, kan de vader een dergelijke band zeker evenaren als hij daarvoor voldoende tijd en kansen zou krijgen. Wat dan als biologische vaders meer vaderschapsverlof zouden krijgen, gemakkelijker deeltijds zouden kunnen gaan werken en men op de werkvloer niet langer zou neerkijken op vaders die zorgtaken opnemen?

Het zou best kunnen dat de loyaliteitsgevoelens van het kind naar de biologische vader tot gevolg zouden hebben dat de positie van de stiefvader meer zou lijken op de positie van de stiefmoeder vandaag. En daar is misschien wel niets mis mee. Een kind dat al twee aanwezige zorgfiguren heeft als ouders, heeft er niet noodzakelijk vier nodig. Maar het feit dat het kind dat niet nodig heeft, wil ook niet zeggen dat er geen affectieve band kan ontstaan met een stiefouder. Integendeel, als de opvoedkundige rollen duidelijk bij de biologische ouders blijven, kan dat net een belangrijke bron van wederzijdse frustratie bij stiefmoeder en kind wegnemen.

Evelyn Merckx is doctoraatsonderzoeker bij het Human Rights Centre van de Universiteit Gent. Ze doet onderzoek naar het belang van kinderen in scheidingszaken.

Een recent onderzoek aan de Universiteit van Amsterdam naar de ontwikkeling van affectieve banden tussen de gezinsleden van nieuw-samengestelde gezinnen bracht interessante resultaten aan het licht. Dit onderzoek werd snel aangegrepen als onomstotelijk bewijs dat stiefmoeders het algemeen genomen moeilijker hebben dan stiefvaders. Toch moet deze gevolgtrekking sterk genuanceerd worden en is het toonaangevend voor de discriminatie waar vaders vandaag nog al te vaak mee te maken krijgen.Het Nederlands sociologisch onderzoek van Kirsten Van Houdt peilde naar de ervaringen van volwassenen geboren in de jaren '70 en '80 die opgevoed werden in nieuw-samengestelde gezinnen. Deze resultaten gaven aan dat maar liefst 44% van de respondenten eerder hun stiefvader als echte vader percipieerden, tegenover 17% die hun stiefmoeder als echte moeder zagen. De accenten die gelegd werden bij het bespreken van deze resultaten in de media zijn echter bijzonder opvallend. Al gauw bleek vooral de rol van de stiefmoeder en biologische moeder voer voor discussie. Als het al ging over de rol van de biologische vader en de stiefvader, kwam men snel tot de conclusie dat vaders blijkbaar gemakkelijk te vervangen zijn. Bij deze voorstelling moeten enkele kanttekeningen gemaakt worden. Om van start te gaan met de belangrijkste nuancering: de samenleving in de jaren '80 is op vele vlakken niet meer te vergelijken met de hedendaagse samenleving. Niet alleen komen traditionele rolpatronen meer en meer op de helling te staan, tegenwoordig is verblijfsco-ouderschap (waar kinderen een gelijke tijd bij elke ouder verblijven na scheiding) een gangbaar alternatief geworden voor het klassiek weekendverblijf bij vader. De kans is dus groot dat de resultaten er vandaag anders zouden uitzien, omdat na een scheiding de biologische vader meer en meer een evenwaardige rol toebedeeld krijgt. Hoe dit verschil eruit zou zien is ook nog maar de vraag. Misschien zien kinderen hun stiefmoeder nu ook meer als echte moeder, maar de mogelijkheid bestaat ook dat kinderen hun stiefvader net minder als echte vader zien.Mijns inziens lijkt de laatste optie het meest waarschijnlijk. De onderzoeker gaf evenwel aan dat het significant verschil kleiner werd, maar weliswaar bleef bestaan als geen rekening werd gehouden met bij wie het kind verbleef. Dit kan evenwel betekenen dat de klassieke rolpatronen toch nog steeds gangbaar zijn in onze maatschappij. In een nieuw-samengesteld gezin zal een stiefvader zich meer op de achtergrond houden en leuke dingen met het kind doen, terwijl de biologische vader de zorg- en huishoudtaken nog steeds regelmatig voor een groot stuk zal overlaten aan de stiefmoeder. Hierdoor kunnen conflicten ontstaan als de stiefmoeder zich niet erkend voelt als moederfiguur, wat op zijn beurt weer zal leiden tot frustratie bij het kind. Het kind voelt immers een sterke loyaliteit naar een aanwezige zorgouder, wat tot op heden nog vaak de moeder is. Daarnaast kan het zijn dat het kind een vaderfiguur mist als de zorgtaken te veel op de schouders van de stiefmoeder komen te liggen, waardoor het een soort leegte kan gaan opvullen bij de stiefvader.Wat zou er nu gebeuren als die klassieke rolpatronen zouden verdwijnen? Hoewel de moeder misschien gemakkelijker een band met het kind kan ontwikkelen op basis van de zwangerschap, kan de vader een dergelijke band zeker evenaren als hij daarvoor voldoende tijd en kansen zou krijgen. Wat dan als biologische vaders meer vaderschapsverlof zouden krijgen, gemakkelijker deeltijds zouden kunnen gaan werken en men op de werkvloer niet langer zou neerkijken op vaders die zorgtaken opnemen? Het zou best kunnen dat de loyaliteitsgevoelens van het kind naar de biologische vader tot gevolg zouden hebben dat de positie van de stiefvader meer zou lijken op de positie van de stiefmoeder vandaag. En daar is misschien wel niets mis mee. Een kind dat al twee aanwezige zorgfiguren heeft als ouders, heeft er niet noodzakelijk vier nodig. Maar het feit dat het kind dat niet nodig heeft, wil ook niet zeggen dat er geen affectieve band kan ontstaan met een stiefouder. Integendeel, als de opvoedkundige rollen duidelijk bij de biologische ouders blijven, kan dat net een belangrijke bron van wederzijdse frustratie bij stiefmoeder en kind wegnemen.Evelyn Merckx is doctoraatsonderzoeker bij het Human Rights Centre van de Universiteit Gent. Ze doet onderzoek naar het belang van kinderen in scheidingszaken.