Begin september weigerde de inspectie van het islamitisch godsdienstonderwijs om A.W. opnieuw voor te dragen als leerkracht islamitische godsdienst. De lesgever en hulpimam staat immers al langer op de lijst van de staatsveiligheid omdat hij wordt beschouwd als een salafist en verspreider van extremistisch gedachtengoed.

Uit dit optreden van de inspectie islamonderwijs, die valt onder de bevoegdheid van de moslimexecutieve, klinkt een duidelijke boodschap: voor salafisme is er geen plaats in het onderwijs, dat leerlingen wil vormen tot kritische burgers en dat hiertoe onder meer de rechten van de mens en van het kind dient te respecteren. Dit geldt ook voor de levensbeschouwelijke vakken. Hoewel deze, anders dan de reguliere vakken, niet door de overheid maar door de erkende levensbeschouwelijke instanties worden ingericht en gecontroleerd, betekent dit niet dat men als godsdienstleerkracht zomaar kan en mag zeggen wat men wil op school.

Onderwijs in religie hoort niet thuis op de officiële school.

Het controleren van de lesinhouden is echter geen sinecure. Wat doet de inspectie bijvoorbeeld met islamleerkrachten die het creationisme prediken en de evolutietheorie als fout en onwetenschappelijk omschrijven? Wat te doen wanneer leerkrachten verkondigen dat men als goede moslima verplicht is om een hoofddoek te dragen en dat er bij het zondigen tegen dit 'gebod' zware straffen in de hel te wachten staan? Hoe dient men te reageren wanneer leerkrachten hun leerlingen uiterst conservatieve denkbeelden aanleren en homoseksualiteit verafschuwen, zoals recent nog aan het licht kwam in Nederland?

Op dit moment kan de overheid weinig doen aan dit soort opvattingen en uitspraken, tenzij aan de alarmbel trekken, hopend dat de betreffende religieuze inspectie optreedt. Omwille van de vrijheid van godsdienst en de daarmee gepaard gaande scheiding tussen kerk en staat is het immers niet toegelaten dat de overheid zich inlaat met religieuze aangelegenheden, waaronder ook de inhoud van het godsdienstonderwijs, de aanstelling en opleiding van godsdienstleerkrachten en de inspectie van het godsdienstonderwijs vallen. Maar is dit wel wenselijk? Welke goede argumenten zijn er voorhanden om religie deze bijzondere status in het onderwijs toe te kennen? En op welke manier zou het anders kunnen?

Zolang men de godsdienstvakken op een confessionele manier invult is het, in het licht van de godsdienstvrijheid, bijna vanzelfsprekend dat godsdienstvakken door de religieuze instanties worden ingericht en gecontroleerd. Maar godsdienstonderwijs hoeft natuurlijk niet op een confessionele manier te worden georganiseerd, en zeker niet in het officiële - levensbeschouwelijk neutrale - net. Zo werd de afgelopen decennia het confessioneel godsdienstonderwijs in staatsscholen in onder meer Zweden, Engeland, Noorwegen en Zwitserland, vervangen door niet-confessioneel onderwijs dat georganiseerd en geïnspecteerd wordt door de overheid. De vrijheid van godsdienst werd hiermee niet geschonden. Ook hier in Vlaanderen circuleert het voorstel om een verplicht vak levensbeschouwing, ethiek en filosofie (LEF) in te richten, maar voorlopig is dit voorstel bij gebrek aan politieke moed nog niet geïmplementeerd.

Een andere optie zou kunnen zijn om, zoals in Frankrijk, zowel onderwijs in als over religie niet (langer) als apart vak te organiseren op school, maar om kennis over levensbeschouwingen te integreren in 'seculiere' vakken zoals taal en geschiedenis. Deze piste wordt ook bewandeld in Nederland, waar er voor het lager onderwijs in 1985 eindtermen 'geestelijke stromingen' werden ontwikkeld door de overheid en waar momenteel wordt gewerkt aan eindtermen 'levensbeschouwelijke geletterdheid' voor het secundair onderwijs. Met wat politieke en juridische goodwill zou ook dat scenario haalbaar zijn bij ons, zonder aan de godsdienst- en onderwijsvrijheid te fnuiken.

Ondanks de verschillende mogelijkheden om voor alle leerlingen door de overheid ingericht en gecontroleerd onderwijs over religie te organiseren, dat niet gefundeerd is op theologie en openbaring, maar op academische disciplines zoals sociologie, psychologie, geschiedenis en antropologie, blijft in Vlaanderen voorlopig alles bij het oude. Men blijft halsstarrig vasthouden aan confessioneel godsdienstonderwijs, dat een bijzonder juridisch statuut heeft en vooral in het officieel onderwijs een historisch gegroeide anomalie is.

Wie de scheiding tussen kerk en staat ernstig wil nemen, zou toch eens grondig mogen nadenken over deze status van de levensbeschouwelijke vakken, die in Artikel 24 van onze grondwet zit verankerd. Enkele maanden geleden werd de mogelijkheid om dit artikel voor herziening open te stellen van de baan geveegd door de Senaat, die met 23 stemmen voor en 23 stemmen tegen, zeer verdeeld bleek over de kwestie.

Wat betreft organisatie en inspectie van het godsdienstonderwijs zullen we bijgevolg de komende jaren moeten blijven roeien met de riemen die we hebben.