De werkloosheidsgraad in ons land ligt vandaag nog steeds hoger dan vóór het uitbreken van de financiële crisis in 2008: 7,3 procent tegen 7 procent. Deze ontnuchterende vaststelling verdronk vorige week in de goednieuwsshows over het verslag van de Nationale Bank dat de economische en financiële ontwikkelingen in 2017 beschrijft. Veel meer aandacht ging naar de 66.000 banen die er vorig jaar bijkwamen. Die extra jobs groeiden niet in de eerste plaats aan bij de overheid en het onderwijs, zoals in het verleden, maar in de conjunctuurgevoelige bedrijfstakken, de privésector zeg maar: plus 39.000 jobs. En anders dan in de voorgaande jaren gingen er in 2017 netto geen banen verloren in de industrie en in de bouwnijverheid. Maar ondertussen is onze werkloosheidsgraad nog steeds 'onaanvaardbaar hoog', schrijft de Nationale Bank.

Werkgevers stellen buitensporig hoge eisen qua kwalificatieniveau volgens de Nationale Bank.

Met 7,3 procent ligt die wel lager dan in Frankrijk (9,1 procent), maar hoger dan in Nederland (4,8 procent) en Duitsland (3,7 procent). Daarbij zijn er in ons land grote regionale verschillen: in Brussel bedroeg de werkloosheidsgraad 15,7 procent, in Wallonië 10 procent en in Vlaanderen 4,6 procent. De Vlaamse provincie met de hoogste werkloosheidsgraad (Antwerpen: 6,4 procent) komt er nog altijd beter uit dan de Waalse provincies met de laagste werkloosheidsgraad (Namen en Luxemburg: 7,1 procent).

Nu zijn er in alle landen wel zulke regionale verschillen, maar in onze buurlanden lopen ze niet zo hoog op als bij ons. In België bedraagt het verschil tussen de provincies met de laagste en de hoogste werkloosheidsgraad meer dan 8 procentpunt, op het Franse vasteland is dat 6, in Nederland 4,5 en in Duitsland zelfs geen 3 procentpunt.

Opvallend daarbij zijn de grote verschillen tussen aangrenzende provincies. In Limburg bijvoorbeeld is de werkloosheidsgraad 4,2 procent, in Luik 10,3 procent. In West-Vlaanderen 3,2 procent, in Oost-Vlaanderen 3,5 procent, maar in Henegouwen 12 procent. En nog een opmerkelijke vaststelling: die verschillen zijn in de voorbij decennia vrijwel constant gebleven.

De Nationale Bank wijst al jaren op de veel te geringe mobiliteit van de werkzoekenden: er zijn te weinig werklozen uit bijvoorbeeld Luik die in Limburg aan de slag gaan. De taalbarrière is een belangrijke reden, maar de afstand tussen de woon- en werkplaats is vooral voor laag gekwalificeerden een zware financiële last en verklaart mee waarom Waalse en Brusselse arbeidskrachten zo weinig in Vlaanderen aan de slag gaan.

Daarnaast sluiten de vaardigheden van de werkzoekenden onvoldoende aan bij wat de arbeidsmarkt vraagt. In 2016 bestond 11 procent van de werkgelegenheid uit laaggekwalificeerde functies, terwijl het aandeel laaggeschoolde werkzoekenden 36 procent was. Omgekeerd waren de hooggekwalificeerde banen goed voor 46 procent van de werkgelegenheid, terwijl maar 23 procent van de werkzoekenden hooggeschoold was. 'Die verschillen weerspiegelen wellicht ook de buitensporig hoge eisen die werkgevers qua kwalificatieniveau stellen, in vergelijking met hun reële behoeften', aldus de Nationale Bank, een duidelijke vingerwijzing naar de werkgevers.

Ondanks de goede conjunctuur die ons veel banen opleverde, blijft onze werkloosheid in vergelijking met onze buurlanden een serieus probleem

En er schort ook wat aan de opleiding. Bijna 9 procent van de jongeren tussen 18 en 24 jaar verlaat de schoolbanken zonder getuigschrift. Te weinig studenten kiezen voor wetenschappelijke, technologische en wiskundige studierichtingen, die later het meest kans bieden op een job. Ook hier zijn er belangrijke verschillen tussen de gewesten en gemeenschappen. Vlaanderen telt met 6,8 procent minder vroegtijdige schoolverlaters dan Wallonië (10,3 procent) en Brussel (14,8 procent). Vlaanderen scoort ook ruimschoots beter dan de Franse Gemeenschap op tests die het studieniveau internationaal vergelijken.

Daarbij komt nog dat de kans dat een werkloze opnieuw aan de slag raakt kleiner is in België dan elders. 'Typisch voor het Belgische stelsel van werkloosheidsverzekering is dat het niet beperkt is in de tijd, tenzij de werkloze een sanctie opgelegd krijgt', zo schreef de Nationale Bank vorig jaar in haar verslag. Zo stelde ze impliciet de vraag of de werkloosheidsuitkering niet moet worden beperkt in de tijd. Dat is een heet hangijzer waar de regering-Michel ver weg van is gebleven.

Ondanks de goede conjunctuur die ons veel banen opleverde, blijft onze werkloosheid in vergelijking met onze buurlanden een serieus probleem. De federale en regionale regeringen, noch de werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers, zijn er in geslaagd het afgelopen decennium daar iets aan te doen.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.