In hun opiniestuk "De neutraliteit van de overheid wordt vandaag ernstig bedreigd" formuleren een aantal middenveldorganisaties zwaarwegende bedenkingen bij de manier waarop de neutraliteit vandaag wordt ingevuld. Een sterke invulling, waarbij het ambtenaren verboden is om levensbeschouwelijk herkenbaar te zijn, zou stereotypen en vooroordelen jegens moslima's bekrachtigen en op die manier bijdragen aan een klimaat van wantrouwen, angst en haat. Om die reden hopen ze dat overheden de recente veroordeling van de MIVB zullen aangrijpen om een inclusief neutraliteitsbeleid te voeren.

Op het eerste gezicht lijkt een dergelijk beleid inderdaad een goede manier om tegemoet te komen aan de rechten van sommige minderheidsgroepen. De goede bedoelingen waardoor deze middenveldorganisaties worden gedreven, staan dan ook niet ter discussie. Maar helaas zijn goede bedoelingen niet hetzelfde als goede argumenten. De zwakte van hun pleidooi spruit voort uit hun eenzijdige focus op de hoofddoek en hun bereidheid om de neutraliteit te instrumentaliseren. Wie wat langer stilstaat bij hun argumenten en ze consequent doordenkt, beseft dat een dergelijk beleid de maatschappelijke polarisatie alleen maar zal voeden en het maatschappelijke draagvlak voor de diversiteit zal ondermijnen. Wie de neutraliteit van de overheid instrumentaliseert voor de erkenning van gesluierde moslima's, hypothekeert dus eigenlijk de liberale rechtsstaat zelf.

Neutraliteit van de overheid? Liberale rechtsstaat wordt vandaag ernstig bedreigd.

Verschillende internationale verdragen garanderen dat burgers in een liberale rechtsstaat hun diepste overtuigingen tot uitdrukking kunnen brengen. Wie gelooft dat Allah bestaat en de woorden van de profeet Mohammed navolging verdienen en dus dat het tot voorbeeld strekt om een hoofddoek te dragen, heeft de vrijheid om dat te doen. Hetzelfde geldt uiteraard voor al diegenen die er een andere mening op na houden. Zo zijn er ook mensen die menen dat Allah een verzinsel is en dat de profeet Mohammed een ordinaire krijgsheer was en dat de seksuele moraal die de hoofddoek symboliseert een aanfluiting is van de waardigheid van zowel vrouwen als mannen. Ook die burgers hebben het recht om hun diepste overtuiging tot uitdrukking te brengen. Sommigen zijn zelfs bereid daarvoor een hoge prijs te betalen. Toen Stéphane Charbonnier, hoofdredacteur van Charlie Hebdo, door moslimextremisten werd bedreigd omwille van het publiceren van Mohammedcartoons, liet hij het volgende optekenen: "Je préfère mourir debout que vivre à genoux".

Gelet op deze volstrekt tegenstrijdige opvattingen en de hardnekkigheid waarmee ze worden verdedigd, stelt zich natuurlijk de vraag hoe het mogelijk is dat deze mensen binnen hetzelfde politieke verband kunnen samenleven. De geschiedenis leert alvast dat dit niet evident is. Zelfs de kleinste ideologische verschillen kunnen al een bron zijn van conflict. In de Arabische wereld staan soennieten en sjiieten elkaar naar het leven. In Europa waren het katholieken en protestanten die elkaar uitmoorden.

Het ontstaan van de liberale rechtsstaat en haar pacifistische ideaal moet tegen die achtergrond begrepen worden. De liberale rechtsstaat probeert het samenleven mogelijk te maken door verschillende maatschappelijke sferen af te bakenen waarbinnen de reikwijdte van de vrijheid varieert. Wie een boerka wenst te dragen of wie liever in zijn blootje loopt, heeft daartoe de vrijheid binnen de beslotenheid van de privésfeer. In de publieke sfeer: de straten en pleinen die we met elkaar delen, wordt de vrijheid van de ene beperkt door de vrijheid van de andere. Daar gelden normen en regels die via democratische besluitvorming werden afgesproken. Het dragen van een boerka of naaktlopen worden er niet getolereerd. Dat neemt niet weg dat zolang men anderen niet schaadt of men geen dwang uitoefent, men volop gebruik kan maken van de grondwettelijk verankerde vrijheden. Er geldt bijvoorbeeld geen verbod op het dragen van hoofddoeken of het publiceren van Mohammedcartoons. Van burgers wordt verwacht dat ze elkaars opvattingen tolereren.

Om die grote mate van vrijheid te beschermen en het samenleven mogelijk te maken, wordt in een liberale rechtsstaat de macht van de overheid aan banden gelegd. Uit het verleden hebben we immers geleerd dat de overheidsmacht ook misbruikt kan worden om een bepaalde visie op het goede leven op te leggen. Precies daarom mag een ambtenaar geen hoofddoek dragen maar ook geen T-shirt met een Mohammedcartoon. Helaas willen de middenveldorganisaties de les van de geschiedenis moedwillig in de wind slaan. Zij willen de neutraliteit van de overheid instrumentaliseren om "respect en tolerantie voor grondwettelijke vrijheden en minderheidsgroepen bij te brengen maar ook af te dwingen van haar eigen burgers".

Begrijpen ze dan niet dat andere minderheidsgroepen met datzelfde argument het recht zullen inroepen om ook voor hun visie respect af te dwingen? Blijkbaar stelt dit geen enkel probleem want volgens de middenveldorganisaties is het enkel de kwaliteit van de dienstverlening die telt. Zij zien dus geen graten in een ambtenaar die een T-shirt draagt met daarop "Sinds 1302. Schild en Vrienden"? Of een regenboog-T-shirt, Of een T-shirt met een Mohammedcartoon? Denken ze werkelijk dat ze daarmee het samenleven een dienst bewijzen? Of geldt hun logica enkel voor die minderheidsgroepen waar ze sympathie voor hebben en blijven ze zelf niet gespeend van vooroordelen?

Begrijpen ze dan niet dat dergelijke tekens de vrijheid van burgers die van de overheid afhankelijk zijn in hun vrijheid kunnen beperken of dat ze twijfel kunnen doen rijzen over de objectiviteit van de dienstverlening? We bewijzen de man die jarenlang werd misbruikt door een priester toch geen dienst als hij hulp moet zoeken bij een politieagent die een houten kruis rond zij nek draagt? Wanneer de tramchauffeur van de MIVB, herkenbaar als orthodoxe jood, een passagier berispt, doet hij dat dan omdat die zijn voeten laat rusten op de bank of omdat hij een Arafatsjaal draagt?

Indien de overheid haar burgers onpartijdig wil bejegenen, moet zij sollicitanten selecteren op basis van hun bereidheid om tijdens het werk hun levensbeschouwelijke overtuiging niet te uiten. Dat is precies ook wat de MIVB heeft gedaan. Sollicitanten die daartoe niet bereid zijn, hebben niet de nodige kwalificaties om de rol van ambtenaar te spelen. Indien de MIVB beroep aantekent tegen haar veroordeling acht ik de kans groot dat ze in het gelijk wordt gesteld. Misschien is het goed om artikel 8 van het statuut van de Rijksambtenaar in herinnering te brengen: "Wanneer hij bij zijn ambtsuitoefening in contact komt met het publiek vermijdt de rijksambtenaar elk woord, elke houding, elk voorkomen, die van die aard zouden kunnen zijn dat ze het vertrouwen van het publiek in zijn volledige neutraliteit, in zijn bekwaamheid of in zijn waardigheid in het gedrang zouden kunnen brengen."

De middenveldorganisaties denken daar echter anders over: "Mensen zijn één en ondeelbaar met al hun verschillende kenmerken: geslacht, leeftijd, handicap, seksuele geaardheid, genderexpressie... Een vrouw die omwille van haar religieuze overtuiging een hoofddoek draagt, kan en mag je niet dwingen om die af te zetten." Ze vergelijken dus lichamelijke en biologische kenmerken met levensbeschouwelijke kenmerken. Die valse vergelijking loopt uiteraard mank. Voor de eerste soort kenmerken kan je niet kiezen, voor de laatste duidelijk wel.

De logica van de middenveldorganisaties is niet alleen wat dit aspect betreft gebrekkig. Indien mensen volledig (één en ondeelbaar) samenvallen met hun levensbeschouwelijke overtuiging, en je ze niet mag dwingen om hun hoofddoek af te zetten, mag je hen dan wel dwingen om diensten te verlenen die tegen hun levensbeschouwelijke overtuiging ingaan? Mag je ambtenaar die een hoofddoek draagt bijvoorbeeld vragen om een rol te spelen in het voltrekken van een homohuwelijk? Schend je dan niet haar levensbeschouwelijke integriteit? Als je een model van inclusieve neutraliteit consequent doordenkt, kom je vanzelf uit bij de weigerambtenaar.

Ik twijfel niet aan de goede bedoelingen van de middenveldorganisaties maar door hun eenzijdige focus op de hoofddoek en hun bereidheid om de neutraliteit te instrumentaliseren, dragen ze bij aan wat ze willen bestrijden. Ze voeden met hun voorstellen de polarisatie en maken zo het harmonieuze samenleven onmogelijk. Politici die dat willen voorkomen, moeten een model van inclusieve overheidsneutraliteit verwerpen als basis voor de liberale rechtsstaat.

Jurgen Slembrouck is verbonden aan de Vrijzinnige Dienst van de Universiteit Antwerpen.

In hun opiniestuk "De neutraliteit van de overheid wordt vandaag ernstig bedreigd" formuleren een aantal middenveldorganisaties zwaarwegende bedenkingen bij de manier waarop de neutraliteit vandaag wordt ingevuld. Een sterke invulling, waarbij het ambtenaren verboden is om levensbeschouwelijk herkenbaar te zijn, zou stereotypen en vooroordelen jegens moslima's bekrachtigen en op die manier bijdragen aan een klimaat van wantrouwen, angst en haat. Om die reden hopen ze dat overheden de recente veroordeling van de MIVB zullen aangrijpen om een inclusief neutraliteitsbeleid te voeren. Op het eerste gezicht lijkt een dergelijk beleid inderdaad een goede manier om tegemoet te komen aan de rechten van sommige minderheidsgroepen. De goede bedoelingen waardoor deze middenveldorganisaties worden gedreven, staan dan ook niet ter discussie. Maar helaas zijn goede bedoelingen niet hetzelfde als goede argumenten. De zwakte van hun pleidooi spruit voort uit hun eenzijdige focus op de hoofddoek en hun bereidheid om de neutraliteit te instrumentaliseren. Wie wat langer stilstaat bij hun argumenten en ze consequent doordenkt, beseft dat een dergelijk beleid de maatschappelijke polarisatie alleen maar zal voeden en het maatschappelijke draagvlak voor de diversiteit zal ondermijnen. Wie de neutraliteit van de overheid instrumentaliseert voor de erkenning van gesluierde moslima's, hypothekeert dus eigenlijk de liberale rechtsstaat zelf. Verschillende internationale verdragen garanderen dat burgers in een liberale rechtsstaat hun diepste overtuigingen tot uitdrukking kunnen brengen. Wie gelooft dat Allah bestaat en de woorden van de profeet Mohammed navolging verdienen en dus dat het tot voorbeeld strekt om een hoofddoek te dragen, heeft de vrijheid om dat te doen. Hetzelfde geldt uiteraard voor al diegenen die er een andere mening op na houden. Zo zijn er ook mensen die menen dat Allah een verzinsel is en dat de profeet Mohammed een ordinaire krijgsheer was en dat de seksuele moraal die de hoofddoek symboliseert een aanfluiting is van de waardigheid van zowel vrouwen als mannen. Ook die burgers hebben het recht om hun diepste overtuiging tot uitdrukking te brengen. Sommigen zijn zelfs bereid daarvoor een hoge prijs te betalen. Toen Stéphane Charbonnier, hoofdredacteur van Charlie Hebdo, door moslimextremisten werd bedreigd omwille van het publiceren van Mohammedcartoons, liet hij het volgende optekenen: "Je préfère mourir debout que vivre à genoux". Gelet op deze volstrekt tegenstrijdige opvattingen en de hardnekkigheid waarmee ze worden verdedigd, stelt zich natuurlijk de vraag hoe het mogelijk is dat deze mensen binnen hetzelfde politieke verband kunnen samenleven. De geschiedenis leert alvast dat dit niet evident is. Zelfs de kleinste ideologische verschillen kunnen al een bron zijn van conflict. In de Arabische wereld staan soennieten en sjiieten elkaar naar het leven. In Europa waren het katholieken en protestanten die elkaar uitmoorden. Het ontstaan van de liberale rechtsstaat en haar pacifistische ideaal moet tegen die achtergrond begrepen worden. De liberale rechtsstaat probeert het samenleven mogelijk te maken door verschillende maatschappelijke sferen af te bakenen waarbinnen de reikwijdte van de vrijheid varieert. Wie een boerka wenst te dragen of wie liever in zijn blootje loopt, heeft daartoe de vrijheid binnen de beslotenheid van de privésfeer. In de publieke sfeer: de straten en pleinen die we met elkaar delen, wordt de vrijheid van de ene beperkt door de vrijheid van de andere. Daar gelden normen en regels die via democratische besluitvorming werden afgesproken. Het dragen van een boerka of naaktlopen worden er niet getolereerd. Dat neemt niet weg dat zolang men anderen niet schaadt of men geen dwang uitoefent, men volop gebruik kan maken van de grondwettelijk verankerde vrijheden. Er geldt bijvoorbeeld geen verbod op het dragen van hoofddoeken of het publiceren van Mohammedcartoons. Van burgers wordt verwacht dat ze elkaars opvattingen tolereren.Om die grote mate van vrijheid te beschermen en het samenleven mogelijk te maken, wordt in een liberale rechtsstaat de macht van de overheid aan banden gelegd. Uit het verleden hebben we immers geleerd dat de overheidsmacht ook misbruikt kan worden om een bepaalde visie op het goede leven op te leggen. Precies daarom mag een ambtenaar geen hoofddoek dragen maar ook geen T-shirt met een Mohammedcartoon. Helaas willen de middenveldorganisaties de les van de geschiedenis moedwillig in de wind slaan. Zij willen de neutraliteit van de overheid instrumentaliseren om "respect en tolerantie voor grondwettelijke vrijheden en minderheidsgroepen bij te brengen maar ook af te dwingen van haar eigen burgers". Begrijpen ze dan niet dat andere minderheidsgroepen met datzelfde argument het recht zullen inroepen om ook voor hun visie respect af te dwingen? Blijkbaar stelt dit geen enkel probleem want volgens de middenveldorganisaties is het enkel de kwaliteit van de dienstverlening die telt. Zij zien dus geen graten in een ambtenaar die een T-shirt draagt met daarop "Sinds 1302. Schild en Vrienden"? Of een regenboog-T-shirt, Of een T-shirt met een Mohammedcartoon? Denken ze werkelijk dat ze daarmee het samenleven een dienst bewijzen? Of geldt hun logica enkel voor die minderheidsgroepen waar ze sympathie voor hebben en blijven ze zelf niet gespeend van vooroordelen? Begrijpen ze dan niet dat dergelijke tekens de vrijheid van burgers die van de overheid afhankelijk zijn in hun vrijheid kunnen beperken of dat ze twijfel kunnen doen rijzen over de objectiviteit van de dienstverlening? We bewijzen de man die jarenlang werd misbruikt door een priester toch geen dienst als hij hulp moet zoeken bij een politieagent die een houten kruis rond zij nek draagt? Wanneer de tramchauffeur van de MIVB, herkenbaar als orthodoxe jood, een passagier berispt, doet hij dat dan omdat die zijn voeten laat rusten op de bank of omdat hij een Arafatsjaal draagt?Indien de overheid haar burgers onpartijdig wil bejegenen, moet zij sollicitanten selecteren op basis van hun bereidheid om tijdens het werk hun levensbeschouwelijke overtuiging niet te uiten. Dat is precies ook wat de MIVB heeft gedaan. Sollicitanten die daartoe niet bereid zijn, hebben niet de nodige kwalificaties om de rol van ambtenaar te spelen. Indien de MIVB beroep aantekent tegen haar veroordeling acht ik de kans groot dat ze in het gelijk wordt gesteld. Misschien is het goed om artikel 8 van het statuut van de Rijksambtenaar in herinnering te brengen: "Wanneer hij bij zijn ambtsuitoefening in contact komt met het publiek vermijdt de rijksambtenaar elk woord, elke houding, elk voorkomen, die van die aard zouden kunnen zijn dat ze het vertrouwen van het publiek in zijn volledige neutraliteit, in zijn bekwaamheid of in zijn waardigheid in het gedrang zouden kunnen brengen." De middenveldorganisaties denken daar echter anders over: "Mensen zijn één en ondeelbaar met al hun verschillende kenmerken: geslacht, leeftijd, handicap, seksuele geaardheid, genderexpressie... Een vrouw die omwille van haar religieuze overtuiging een hoofddoek draagt, kan en mag je niet dwingen om die af te zetten." Ze vergelijken dus lichamelijke en biologische kenmerken met levensbeschouwelijke kenmerken. Die valse vergelijking loopt uiteraard mank. Voor de eerste soort kenmerken kan je niet kiezen, voor de laatste duidelijk wel. De logica van de middenveldorganisaties is niet alleen wat dit aspect betreft gebrekkig. Indien mensen volledig (één en ondeelbaar) samenvallen met hun levensbeschouwelijke overtuiging, en je ze niet mag dwingen om hun hoofddoek af te zetten, mag je hen dan wel dwingen om diensten te verlenen die tegen hun levensbeschouwelijke overtuiging ingaan? Mag je ambtenaar die een hoofddoek draagt bijvoorbeeld vragen om een rol te spelen in het voltrekken van een homohuwelijk? Schend je dan niet haar levensbeschouwelijke integriteit? Als je een model van inclusieve neutraliteit consequent doordenkt, kom je vanzelf uit bij de weigerambtenaar.Ik twijfel niet aan de goede bedoelingen van de middenveldorganisaties maar door hun eenzijdige focus op de hoofddoek en hun bereidheid om de neutraliteit te instrumentaliseren, dragen ze bij aan wat ze willen bestrijden. Ze voeden met hun voorstellen de polarisatie en maken zo het harmonieuze samenleven onmogelijk. Politici die dat willen voorkomen, moeten een model van inclusieve overheidsneutraliteit verwerpen als basis voor de liberale rechtsstaat. Jurgen Slembrouck is verbonden aan de Vrijzinnige Dienst van de Universiteit Antwerpen.