Elke week vraagt Knack aan ondernemende mensen hoe ze lijf en psyche in balans houden.
...

Veerle Visser-Vandewalle heeft een Fries paard dat Klaske heet, nogal majestueus is en als een spiegel voor haar gemoed dienstdoet. 'Paarden voelen sowieso heel goed aan hoe jij je voelt', zegt ze. 'En bij Klaske merk ik dat nog meer. Als ik nerveus op haar stap, gedraagt ze zich binnen de kortste keren zelf ook nerveus. De laatste tijd is ze doorgaans rustig. Ze zal merken dat ik tegenwoordig goed in mijn vel zit.' Sinds ze te zien was in het VIER-programma Topdokters is Visser-Vandewalle een bekende naam bij het brede publiek. De neurochirurge is al jaren diensthoofd van de afdeling Stereotaxie en Functionele Neurochirurgie aan de Uniklinik in Keulen, en sinds vorig jaar is ze ook ridder in de Orde van Leopold II, 'voor haar uitzonderlijke verdiensten in haar vakgebied'. Op het vlak van diepe hersenstimulatie, kortweg dbs, is ze dan ook internationale top. 'Een operatieve techniek waarmee we elektrische stoornissen diep in de hersenen kunnen beïnvloeden,' zo omschrijft ze de aanpak in haar boek Plato & cola of het geheim van jouw brein, dat in september verscheen, 'en daardoor symptomen bij bepaalde bewegings- en psychiatrische stoornissen kunnen verlichten.' Een soort pacemaker in de hersenen, kort gezegd, die op dit moment vooral wordt ingeplant bij patiënten met de ziekte van Parkinson. U kijkt al meer dan twintig jaar in de hersenen van mensen. Wat hebt u daaruit geleerd? Veerle Visser-Vandewalle: Een grote nederigheid. En veel compassie, in de goede betekenis van het woord, met mijn medemens. Ik zit wel goed in mijn vel, maar ik besef ook dat ik daarbij gewoon geluk heb. Je zult maar pech hebben en met een psychiatrische of neurologische problematiek geboren worden. Ofwel door je genetische aanleg, ofwel door omgevingsfactoren, ofwel - zoals meestal - door een combinatie van de twee. Dan moet je er maar mee weten om te gaan, met dat leven. En vergis je niet: het kan ons allemaal overkomen. 'De mens is slachtoffer van de elektrochemische soep in zijn hoofd', schrijft u. Visser-Vandewalle: Inderdaad. En tegelijk wil ik ook benadrukken dat we nog altijd een vrije keuze hebben, zelfs al lijd je aan ernstige dwanggedachten, om hulp te zoeken. Dat kun je altijd. Ook al is onze samenleving er nog altijd niet genoeg op gericht, en wordt het nog lang niet genoeg gestimuleerd. Veel mensen, en volgens mijn ervaring ook nog vrij veel psychiaters, zeggen nog altijd dat het 'tussen de oren' zit wanneer iemand vertelt dat hij of zij een stoornis heeft. Met de connotatie dat het 'ingebeeld' is. Maar bij de mensen die ik op mijn operatietafel zie, zit het écht tussen de oren. Ze hebben een elektrische stoornis in de hersenen, en die beïnvloedt hun gedrag en hoe ze zich voelen. Ze kunnen er niets meer aan doen, het overkomt hen. U pleit voor meer begrip voor wat zich 'tussen onze oren' afspeelt? Visser-Vandewalle: Dat was mijn grootste motivatie om destijds mee te werken aan Topdokters en nu ook om een boek uit te brengen. Als iemand een probleem in zijn buik heeft, wordt dat probleemloos geaccepteerd. Maar als iemand een probleem in zijn hersenen heeft, lachen we het soms zelfs weg. Hoe komt dat? Visser-Vandewalle: Het komt heel dicht bij onze persoonlijkheid, bij de kern van wie we zijn, als mens. En blijkbaar is dat voor veel mensen ongemakkelijk, confronterend. Hechten we te veel belang aan de rede, het verstand? Visser-Vandewalle: Dat denk ik wel, ja. Het rationele wordt overschat en het emotionele wordt onderschat. We hechten nog altijd te weinig belang aan de emotionele aspecten van wat het betekent om mens te zijn. Ik was onlangs uitgenodigd voor Winteruur, het Canvasprogramma van Wim Helsen. Ze hadden me gevraagd om een tekst mee te brengen en ik heb gekozen voor een gedicht van de Amerikaanse schrijfster Louisa May Alcott, dat hier nu ook wel past: ' A little kingdom I possess, where thoughts and feelings dwell/ And very hard the task I find, of governing it well.' Zo kom je weer op de aloude discussie: zijn we ons brein of hebben we ons brein? Wat denkt u? Visser-Vandewalle: Dat we ons brein hébben. Misschien is het zelfs gewoon een semantische discussie, want wanneer je zegt: 'Ik heb mijn brein', is je brein al met een activiteit bezig. Maar het is in elk geval een veel betere ingesteldheid, vind ik. Als je zegt dat je je brein hébt, kun je veel gemakkelijker met afwijkingen of problemen in dat brein om. Dan ga je sneller hulp zoeken en niet automatisch aan je hele 'zijn' twijfelen. De bekende Britse neuroloog Oliver Sacks heeft zijn patiënten prachtig beschreven, onder meer de schilder die kleurenblind werd. 'Als ik nu kleuren zie,' zei hij daarover, 'ben ik daar dankbaar voor. Vroeger zag ik kleuren als iets vanzelfsprekends.' Welke patiënt heeft u de ogen geopend? Visser-Vandewalle: (denkt na) Het is moeilijk om er iemand uit te pikken, maar bij patiënten met een dwangstoornis heb ik dat gevoel het meest uitgesproken. Ze zijn letterlijk de gevangenen van hun eigen gedachten. Dat lijkt me vreselijk. Ik ben dankbaar voor elke dag dat ik zelf niet de gevangene van mijn eigen gedachten ben, dat mijn gedachten komen en gaan, zonder meer. Maar mochten de omstandigheden veranderen, mocht diep leed mij treffen, dan is het goed mogelijk dat ik zelf ook zou decompenseren in de vorm van dwanggedachten. Wat is uw grootste angst? Visser-Vandewalle: Dat een geliefde iets zou overkomen, mijn zoon, bijvoorbeeld. Daar mag ik niet aan denken. Tijdens mijn opleiding in de neurochirurgie heb ik veel ernstige gevallen gezien. De beelden van jonge mensen met hersentrauma's na een verkeersongeval staan me nog zo voor de geest. Lichamelijk waren ze er nog, maar geestelijk waren hun naasten hen kwijt. Leeft u dan ook voorzichtiger, als u dat met eigen ogen hebt gezien? Visser-Vandewalle: Ja. Ik probeer risico's te vermijden in mijn dagelijks leven en ik verwacht dat ook van mijn omgeving. Hoewel: als ik naar Keulen rijd, rijd ik soms ook te snel. Mijn ouders zeggen dikwijls dat ze ongerust zijn, dat ze bang zijn dat ik op weg naar mijn werk een ongeval zal hebben. Dan moet ik hen geruststellen en beloven dat ik heus wel oplet, en altijd heel geconcentreerd ben achter het stuur. (lacht)Ook in de operatiekamer is concentratie uw hoogste goed. Welke rituelen hebt u voor een operatie? Visser-Vandewalle: Na mijn laatste voorbereidingen neem ik telkens drie minuten voor mezelf. Ik drink nog een laatste koffie en eet een kom yoghurt met fruit, die een operatiezuster iedere keer voor me klaarmaakt. Dat ritueel geeft me rust. Zoals een topsporter voor een wedstrijd. Zodra ik de operatiekamer binnenstap, kom ik in een andere wereld terecht, ook mentaal. Dan telt er maar één ding: de patiënt die voor me ligt. Eigenlijk is dat heel fijn, de wereld buitensluiten en me een paar uur ten volle focussen op het kleine gebied in de hersenen van de man of vrouw voor mij. We weten nog zo weinig over onze hersenen. Wat maakt u geloofwaardiger dan de charlatans die destijds de eerste schedelboringen uitvoerden? Visser-Vandewalle: Dat is een belangrijk punt, inderdaad, en ik ben me er goed van bewust dat we nog altijd weinig weten. Maar ik kan wel zeggen dat we in vergelijking met bijvoorbeeld de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, toen er nog veel meer geëxperimenteerd werd, enorme sprongen voorwaarts gemaakt hebben. Vooral dankzij de bijdragen van al die ethische commissies en codes, en natuurlijk ook dankzij de vooruitgang van het wetenschappelijk onderzoek. Het is al lang geen nattevingerwerk meer. Door mijn optredens in de media nemen mensen die psychisch wanhopig zijn steeds vaker contact met me op. Ze vragen me om hen met een dbs-operatie 'alsjeblieft' uit hun lijden te verlossen. Ik moet hen bijna altijd ontgoochelen. Er zijn maar heel weinig mensen die op dit moment in aanmerking komen voor een diepe hersenoperatie wegens een psychiatrische stoornis. Uw man, die anesthesist is, droomde er vroeger van om astronaut te worden. Voelt u zich soms ook een ontdekkingsreiziger? Visser-Vandewalle: Ja! Met mijn man heb ik er soms discussies over. Ik snap niet wat hem zo aantrekt in het heelal. 'Wat ga jij daar in godsnaam zoeken?' zeg ik dan. 'Het is allemaal hier te doen, in ons hoofd.' Dat is zo fijn aan werken in een universitair ziekenhuis: je bent altijd met nieuw onderzoek bezig, je komt altijd op nieuw terrein. De volgende uitdaging voor dbs bij mensen met het syndroom van Gilles de la Tourette is bijvoorbeeld 'stimulation on demand', waarbij de elektrische stromen pas worden ingeschakeld wanneer de tics opkomen en ze dus niet langer de hele tijd actief hoeven te zijn. Waarom zijn net de hersenen uw roeping geworden? Visser-Vandewalle: Al van toen ik heel jong was, als prille tiener al, begon ik me vragen te stellen over ons brein en onze gedachten. Wat is de realiteit? Is de wereld waarin we leven niet gewoon een plaatje van onze hersenen? Kijken we niet gewoon de hele tijd naar onze eigen breinactiviteit? En hebben we zo in feite niet zeven miljard verschillende werelden op deze planeet? Daar kon ik soms urenlang over nadenken. Als tienermeisje al? Visser-Vandewalle: Inderdaad. Is dat vroeg? Volgens mij zitten veel tieners met die vragen. Ofwel zit ik gewoon zo in elkaar, ben ik zo gewired van bij mijn geboorte. (lacht) Ik wist in elk geval al snel dat ik later 'iets met de hersenen' wilde doen. Eerst dacht ik nog aan dierenarts, maar na mijn middelbare studie Latijn-Grieks ben ik in Gent aan mijn opleiding geneeskunde en daarna neurochirurgie begonnen. U leeft volgens een strikte discipline. Schuilt er een militair in u, zoals uw vader? Visser-Vandewalle: (lacht) 'Je moet je best doen in het leven': dat zit er bij mij echt ingebakken, ja. Ik geef die boodschap nu ook door aan mijn zoon, merk ik. Wat hij doet, maakt me niet uit. Zolang hij zijn best maar doet. Hij is nu negentien en hij studeert in Maastricht. Had hij besloten om bakker te worden: prima, maar dan had hij wel moeten proberen om het beste brood en de lekkerste taartjes te bakken. Al was het maar om zijn moeder te plezieren. (lacht) Een soldaat voel ik me niet, maar het is inderdaad zo dat ik volgens een vaste regelmaat leef. Ik sta elke dag vroeg op, rij in alle vroegte naar Keulen, werk vrij lange dagen en ken over het algemeen weinig uitspattingen. Op mijn huidige werk voel ik me als een vis in het water, het is helemaal niet moeilijk om die discipline vol te houden. Bent u streng voor uzelf? Visser-Vandewalle: Zeker. Ik oordeel snel over mezelf en leg de lat altijd hoog. Dat is onvermijdelijk een gevolg van mijn opvoeding, en waarschijnlijk ook van hoe ik genetisch in elkaar zit. 'In de hersenen gaat het altijd om balans', schrijft u. Hoe bewaakt u de balans in uw eigen leven? Visser-Vandewalle: Om te beginnen probeer ik elke nacht voldoende te slapen. Dat klinkt elementair, maar veel mensen vergeten hoe belangrijk het wel is. En daarnaast ga ik regelmatig lopen of wandelen met de hond, in de bossen hier in de buurt. Ik verplicht mezelf ook vaak om even letterlijk niets te doen. Gewoon zitten en de boel de boel laten. Niet mediteren, simpelweg zitten. Op zulke momenten krijg ik vaak de beste ingevingen, dan pas komt de inspiratie. Zijn er momenten geweest waarin het evenwicht zoek was? Visser-Vandewalle: Tijdens mijn eerste jaar geneeskunde, in Gent. Ik had mezelf zo veel druk opgelegd, had me zo ingeprent dat ik moest 'studeren, studeren, studeren', dat ik te weinig sliep, mezelf te weinig ontspanning gunde en op de duur op het randje van een inzinking stond. Toen was ik echt ongelukkig. Ik dacht aan stoppen, ik kon het niet meer aan. Maar ik raakte toch door mijn examens en het volgende jaar ging alles veel beter, onder andere omdat ik meer tijd voor mezelf nam. Uit die moeilijke maanden heb ik veel geleerd. Ik ben nu extra waakzaam voor die 'onbalans'. 'Je zou de mensen grofweg in twee groepen kunnen indelen op basis van het dopaminegehalte in hun hersenen', schrijft u. 'Want het beïnvloedt niet alleen het bewegen, maar ook de keuzes die gemaakt worden.' Mensen met weinig dopamine zijn volgens u degenen die zekerheid zoeken, terwijl u mensen met veel dopamine als novelty seekers bestempelt. Waar zit u op die schaal? Visser-Vandewalle: Ik heb veel behoefte aan nieuwe uitdagingen. Ik hou niet van de grijze routine, van elke dag hetzelfde: daar zou ik de kriebels van krijgen. U bent al meer dan twintig jaar met dezelfde man samen. In de liefde zoekt u geen nieuwe prikkels? Visser-Vandewalle: (lacht) Zoeken niet, nee. Thuis voelt die zekerheid juist heel prettig aan, allesbehalve saai. In mijn persoonlijk leven zit ik dus eerder aan de zekere kant, wellicht als tegenwicht voor al het nieuwe in mijn werk. Je wordt pas oud als je jezelf geen doelen meer stelt, vindt u. Welke doelen hebt u nog voor ogen? Visser-Vandewalle: Ik zou graag nog meer betekenen voor de samenleving, meehelpen om de bewustwording rond hersenaandoeningen te vergroten en het taboe te doorbreken. Er heerst nog altijd een veel te groot taboe, vooral op psychiatrische stoornissen, maar ook nog op neurologische. Of een combinatie van de twee, dat kan ook, zoals in het geval van het syndroom van Gilles de la Tourette. Dat is doodjammer. Vanuit mijn eigen, kleine filosofie wil ik dat mee verhelpen.