Tijdens mijn preconciliaire katholieke adolescentie kende iedereen op het college natuurlijk de 'te mijden' Duitse film Worüber man nicht spricht. Het was duidelijk dat het ging over seksualiteit en tienerzwangerschappen. De nerveuze reacties van onze ouders en opvoeders bevestigden alleen maar de stelling van de film, alsof het probleem door dit stilzwijgen zou kunnen weggetoverd worden.

Intussen gaan de lessen seksuele opvoeding ook in het katholieke onderwijs merkbaar veel verder dan de inhoud van deze schandaalfilm uit 1958: er wordt open en bloot gepraat over homoseksualiteit, biseksuelen, transgenders, et cetera, en we vinden dat maar goed ook.

Net als bij George Orwell, wordt de horizon van datgene waarover we nog vrijuit mogen spreken steeds enger.

Wat mij vandaag verontrust zijn niet de fantasierijke acrobatische standjes van de Kamasutra, maar het nieuwe stilzwijgen over thema's die blijkbaar nog delicater zijn dan wat auteurs als de Sade en Leopold von Sacher-Masoch zich in hun tijd konden inbeelden. Het gaat wel degelijk om door de nieuwe welwillenden (les bienveillants) opgelegde taboes waarover je zelfs beter niet mag denken om niet verdacht te worden en veroordeeld te staan. En had men ons niet, in het licht van de Grote Emancipatie, geleerd dat een 'meedogenloze kritiek van al het bestaande', dixit Karl Marx, nu eenmaal onontbeerlijk was voor de opbouw van een waarlijk democratische maatschappij? Vrij onderzoek door een vrij volk op vrije bodem, om Goethes Faust en de uitspraken van de grondleggers van de vrijmetselarij in één adem te noemen?

Met de grote principes van het vrije denken en de vrije meningsuiting zal bijna iedereen het wel eens zijn in theorie, maar wanneer je deze principes dan concreet begint toe te passen beginnen er verschillende rode lichtjes te knipperen. Niet om de onwaarheden en leugens die je eventueel zou verkondigen, maar om het feit dat je de kostbare consensus van de pensée unique niet eens serieus in vraag stelt, maar gewoon eventjes onderzoekt. Dat onderzoek plaatst je meteen in het verkeerde, dat wil zeggen moralistisch en politiek incorrecte kamp, waar je aan den lijve ervaart wat het ostracisme voor de oude Grieken moet geweest zijn. En er is niet eens een reëel bestaande Big Brother nodig om daarover te waken, want net zoals in het Derde Rijk de onderdanigste onderdanen geleerd hadden dem Führer entgegen zu denken, wordt je in alle talen en dialecten, direct én indirect duidelijk gemaakt wat je niet kan denken of zeggen op straffe van uitsluiting uit het gemenebest.

Wie iets dieper wil ingaan op de positie van de vrouw in veel islamitische staten is duidelijk een 'islamofoob'.

Het probleem ligt niet zozeer bij de vraagstelling, maar eerder bij de vertaling die daar meteen en bijna automatisch aan gegeven wordt: wie zich afvraagt waarom aantoonbaar achtbare burgers op extreemrechtse lijsten stemmen wordt 'begrepen' als een verdediger van dat verfoeilijke gedachtegoed. Wie zich argeloze vragen stelt bij de enthousiaste verwelkoming van klimaatactivisten door mensen uit het financiële top-establishment wordt 'vertaald' als een - horresco referens - 'klimaatscepticus' en 'klimaatnegationist', mensen die onder geen beding aan bod mogen komen. Wie, zoals de historicus Raul Hilberg, de vraag stelt naar het historisch correcte cijfer van de slachtoffers van de Shoah, brengt de gevestigde consensus in gevaar en staat al met één voet in de Holocaustontkenning. Wie iets dieper wil ingaan op de positie van de vrouw in veel islamitische staten is duidelijk een 'islamofoob'.

En zo wordt de horizon van datgene waarover we nog vrijuit mogen spreken steeds enger, tot we, zoals de meeste burgers in Orwells Nineteen Eighty-four, ten slotte uit arren moede ons brood in schaamte eten en stamelen bij de poort van de democratische samenleving die we zelf elke dag een beetje meer gesloten hebben. Uiteraard met de beste bedoelingen, ça va de soi, zou Georges Brassens zingen.

Ludo Abicht is kernlid van Vlinks