Er zijn mensen die nog steeds de ernst van de klimaatcrisis niet willen zien. Wat tot voor kort 'veilig' aan de andere kant van de wereld gebeurde, stroomt nu onze straten binnen. Sommigen hopen zich op semantische wijze nog te kunnen afschermen van de werkelijke omvang van wat er nu gebeurt, en spreken over een "natuurramp" of een "milieuprobleem", waardoor de crisis wordt geframed als iets dat extern is aan ons, een 'ongeluk', dat in wezen niets met onze manier van leven te maken heeft en dat gewoon een beetje moet gecorrigeerd worden. Sommigen die tot voor kort klimaatontkenners of -minimaliseerders waren, zijn nu 'klimaataanpassers' geworden en vinden dat we niet te veel moeten zeuren over emissievermindering en ineens voluit moeten gaan voor aanvaarding ("to live with it").

Wat deze wegkijkers met elkaar verbindt, is het vrij systematisch niet willen zien van de rechtvaardigheidsdimensie van de klimaatcrisis. Zij die het minst verantwoordelijk zijn voor wat er vandaag gebeurt, dragen er de grootste gevolgen van. Het zijn de armsten en meest kwetsbaren die in de meest vervuilde gebieden wonen, het meest kwetsbaar zijn voor het stijgende water, het minst weerbaar zijn tegen luchtvervuiling, en dat is ook in ons land zo. Geloven dat we geen vragen moeten stellen bij ons model van economische groei en bij de wereldwijde mechanismen van ongelijkheid die er het gevolg van zijn, hopen dat een vlucht vooruit in een hypermodernisering en 'aanvaarding' ons zal afhouden van moeilijke vragen over rechtvaardige welvaart binnen planetaire grenzen, dat is in de feiten meer een soort dystopische overgave dan een hoopvol project.

Naar een nieuw sociaalecologisch contract in tijden van klimaatverandering.

Structurele en georganiseerde onzekerheid

De uitdagingen zijn natuurlijk complex. Het is evenwel zinvol om te blijven kijken. De onzekerheid die we al voelden tijdens de coronacrisis en nog meer zullen voelen door de klimaatcrisis is in een aantal opzichten een structurele en georganiseerde onzekerheid. Het nagestreefde eenzijdige model van economische groei is verspillend, brengt ecosystemen in gevaar en vergroot zo de instabiliteit. Een van de elementen van dat model is een scheidingsdenken. Het menselijk project wordt gezien als los van de rest van de natuur. De natuur is het 'andere'. Het idee dat er planetaire grenzen zouden zijn, wordt in die eenzijdige visie vooral gezien als een 'belemmering'. Er is een groot geloof in controle, tot ver in de toekomst. De fantastische idealen van vrijheid, emancipatie, vooruitgang kregen een vertaling in een ideaal van steeds meer produceren en consumeren. Dat ideaal kon voor een bepaalde tijd in de geschiedenis en voor een deel van de wereldbevolking zorgen voor een heel reële verbetering van de levenskwaliteit, maar naarmate we het willen uitbreiden naar iedereen vergroot het uiteindelijk alleen maar de ongelijkheid, tussen en binnen generaties, en ondermijnt zo de idealen die het nastreefde. Het is evenwel perfect mogelijk een weg te kiezen die een veel minder gulzige welvaart beoogt. Een weg die wel uitbreidbaar is naar iedereen en dus meer uitzicht geeft op een werkelijke vrijheid en vooruitgang.

Het is opvallend dat er in het denken over sociale bescherming tot voor kort nog maar relatief weinig aandacht was voor de klimaatcrisis en de fundamentele aard van het economisch model waarop we de sociale bescherming willen bouwen. In de naoorlogse periode stond het geloof in voortdurende economische groei behoorlijk centraal in het sociaal contract. Groei zorgt voor inkomsten voor de sociale zekerheid. De spanning tussen rijk en arm is te temperen door het uitzicht op een koek die steeds groter wordt, waardoor men de armen rijker kan maken zonder de rijken armer te moeten maken. Wanneer de groei vertraagt, stijgen de sociale spanningen. Bij trage groei zijn er in die constellatie eigenlijk maar twee mogelijkheden: de sociale bescherming afbouwen (om de economische logica overeind te houden) of meer verregaand herverdelen.

Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn er natuurlijk al heel wat dingen veranderd in de structuur van onze economie. Dat heeft ook gevolgen voor de invulling van wat we onder 'risico' verstaan. Als je, bij wijze van voorbeeld, een economie hebt die heel sterk steunt op een robuuste industriële basis, met een perspectief van een forse groei, met een situatie waarin vooral de mannen in de formele arbeid zitten, dan betekenen het streefbeeld van een 'volledige tewerkstelling' en het risico op (tijdelijke) werkloosheid iets heel anders dan in de context waarin we nu zitten. De sociale zekerheid heeft zich in de loop der jaren al aangepast aan heel wat nieuwe risico's en werd ook voor een deel ingeschakeld in een neoliberaal discours, met een nadruk op 'activering'. Maar de economische groeilogica werd niet echt in vraag gesteld en bleef bepalend in het sociaal contract.

De ernst van de klimaatcrisis als rechtvaardigheidscrisis zou ons moeten aanzetten om toch minstens veilige dialoogplekken te maken waar politici, sociale partners en andere middenveldorganisaties en wetenschappers deze fundamentele discussie wel kunnen voeren. Als je een overstroming of een hittegolf ziet als een 'natuurramp' die ons overkomt, dan zijn de gevolgen daarvan een soort eenmalig individueel en 'neutraal' risico waartegen je je al dan niet kunt verzekeren en waarvoor je misschien nog extra steun krijgt van de overheid. Als het een structureel risico is, het gevolg van collectieve keuzes of het negeren van de ecologische en sociale impact van een weg die zogenaamd 'normaal' is, dan zit je in een andere situatie. Als je de ongelijkheid die ontstaat door eenzijdige keuzes uit beeld houdt, verzaak je eigenlijk aan je maatschappelijke opdracht van bescherming en hol je het sociaal contract tussen burgers en overheid uit.

Economie van de zorg

Het schip van de sociale bescherming in woelige en onzekere tijden een andere richting uit sturen zal niet eenvoudig zijn, maar het moet. Een nieuw toekomstgericht sociaalecologisch contract zou moeten zorgen voor een voldoende stabiele basis - een economie van de zorg, zorg voor mens en planeet - om de transitie die ons wacht op een goede manier door te komen. En dat wil zeggen dat we werk maken van een economie binnen de planetaire grenzen, die 'regeneratief en distributief' is, zoals Kate Raworth dat zegt in haar model van de donuteconomie. Een eenzijdige economische groei is verantwoordelijk voor de klimaatcrisis. Die zorgt ervoor dat meer mensen voor 'nieuwe' sociale risico's als hittestress bescherming nodig zullen hebben. Maar als we de middelen voor die bescherming willen halen uit hetzelfde model dat die risico's veroorzaakt, proberen we een huis te bouwen op een moeras dat we zelf organiseren.

Gelukkig groeit binnen de academische en syndicale wereld de aandacht voor deze fundamentele kwesties. Hopelijk kunnen de recente klimaatrampen dit debat versnellen. In welke richting zouden we moeten denken? Drie sporen kunnen al een aanwijzing geven.

Ten eerste zullen we grondiger moeten nadenken over de aanpak van de ongelijkheid, binnen en tussen generaties. Verdelen wat er is, in plaats van herverdelen van wat nog zou moeten komen. Daarbij moet het genoeg voor iedereen primeren op de luxe voor enkelen. De sociale garantie op een levenswaardig inkomen voor iedereen, onder meer door sterke publieke dienstverlening (en we weten ondertussen nog beter wat 'essentiële' diensten zijn), moet daarin een rol spelen.

Ten tweede moeten we ambitieuze ecologische keuzes, zoals de vermindering van de luchtvervuiling, gaan zien (en berekenen) als sociale investeringen. De kost van de niet-transitie, onder meer op het vlak van gezondheid, is veel groter dan die van de transitie. De gezondheidswinst, en dan vooral bij de meest kwetsbaren, zorgt voor minder uitgaven en minder ongelijkheid. In die logica is sociale bescherming zeer 'haalbaar en betaalbaar'.

Ten derde is het goed te onderzoeken hoe we risico's die verbonden zijn met de klimaatverandering beter kunnen opnemen in ons model van sociale bescherming. Extreme hitte bv. zal zorgen voor veel extra doden, en die zijn vooral geconcentreerd bij kwetsbare en oudere bevolkingsgroepen. En net als bij de coronacrisis geldt hier dat de kwaliteit van een samenleving erin bestaat dat we de meest kwetsbaren beschermen, en niet dat we het recht van de sterkste organiseren.

Toekomstgericht

In het nadenken over een nieuw sociaalecologisch contract zouden we voldoende aandacht moeten hebben voor fundamentele antwoorden op de logica die ons in deze situatie heeft gebracht. Enkele elementen die ook voor het debat over sociale bescherming nuttig kunnen zijn.

Ten eerste zullen we moeten leren plannen in onzekere tijden. Onze systemen van planning zullen veel meer dan tot nu toe 'reflexief' of zelfbevragend moeten zijn en dus gemakkelijker kunnen inspelen op schokken en zogenaamd onverwachte situaties, zoals het in elkaar stuiken van ecosystemen. Kiezen voor veerkracht en diversiteit (in plaats van centralisatie in 'oude' oplossingen), onder meer in het energiesysteem, is aangewezen.

Ten tweede is het belangrijk dat we als onderliggende mensvisie uitgaan van onze verbondenheid met de rest van de natuur. Het idee dat de mens zich "volledig zou moeten terugtrekken uit de natuur" is in wezen een versnelling van het scheidingsdenken dat ons in deze problemen heeft gebracht. We kunnen ons moeilijk uit onszelf terugtrekken. Net het besef dat we een deel zijn van de natuur maakt het gemakkelijker om te komen tot een vorm van planetaire nederigheid die cruciaal is voor een economie van de zorg.

Ten derde zullen we - ook in onze discussies over sociale bescherming in ons land - systematisch internationaal en intergenerationeel moeten denken. Sociale bescherming garanderen aan sommigen terwijl je de structurele onzekerheid van anderen aan de andere kant van de wereld of in de generatie van onze kinderen vergroot, is geen echte rechtvaardigheid.

Misschien kan deze discussie het onderwerp worden van een toekomstcommissie in het parlement. Het zou goed en erg nuttig zijn als het parlement de tijd neemt om in een veilige context een open dialoog op gang te brengen over een sociale bescherming die echt toekomstgericht is, en dat samen met sociale partners en andere middenveldorganisaties en wetenschappers.

Er zijn mensen die nog steeds de ernst van de klimaatcrisis niet willen zien. Wat tot voor kort 'veilig' aan de andere kant van de wereld gebeurde, stroomt nu onze straten binnen. Sommigen hopen zich op semantische wijze nog te kunnen afschermen van de werkelijke omvang van wat er nu gebeurt, en spreken over een "natuurramp" of een "milieuprobleem", waardoor de crisis wordt geframed als iets dat extern is aan ons, een 'ongeluk', dat in wezen niets met onze manier van leven te maken heeft en dat gewoon een beetje moet gecorrigeerd worden. Sommigen die tot voor kort klimaatontkenners of -minimaliseerders waren, zijn nu 'klimaataanpassers' geworden en vinden dat we niet te veel moeten zeuren over emissievermindering en ineens voluit moeten gaan voor aanvaarding ("to live with it"). Wat deze wegkijkers met elkaar verbindt, is het vrij systematisch niet willen zien van de rechtvaardigheidsdimensie van de klimaatcrisis. Zij die het minst verantwoordelijk zijn voor wat er vandaag gebeurt, dragen er de grootste gevolgen van. Het zijn de armsten en meest kwetsbaren die in de meest vervuilde gebieden wonen, het meest kwetsbaar zijn voor het stijgende water, het minst weerbaar zijn tegen luchtvervuiling, en dat is ook in ons land zo. Geloven dat we geen vragen moeten stellen bij ons model van economische groei en bij de wereldwijde mechanismen van ongelijkheid die er het gevolg van zijn, hopen dat een vlucht vooruit in een hypermodernisering en 'aanvaarding' ons zal afhouden van moeilijke vragen over rechtvaardige welvaart binnen planetaire grenzen, dat is in de feiten meer een soort dystopische overgave dan een hoopvol project.De uitdagingen zijn natuurlijk complex. Het is evenwel zinvol om te blijven kijken. De onzekerheid die we al voelden tijdens de coronacrisis en nog meer zullen voelen door de klimaatcrisis is in een aantal opzichten een structurele en georganiseerde onzekerheid. Het nagestreefde eenzijdige model van economische groei is verspillend, brengt ecosystemen in gevaar en vergroot zo de instabiliteit. Een van de elementen van dat model is een scheidingsdenken. Het menselijk project wordt gezien als los van de rest van de natuur. De natuur is het 'andere'. Het idee dat er planetaire grenzen zouden zijn, wordt in die eenzijdige visie vooral gezien als een 'belemmering'. Er is een groot geloof in controle, tot ver in de toekomst. De fantastische idealen van vrijheid, emancipatie, vooruitgang kregen een vertaling in een ideaal van steeds meer produceren en consumeren. Dat ideaal kon voor een bepaalde tijd in de geschiedenis en voor een deel van de wereldbevolking zorgen voor een heel reële verbetering van de levenskwaliteit, maar naarmate we het willen uitbreiden naar iedereen vergroot het uiteindelijk alleen maar de ongelijkheid, tussen en binnen generaties, en ondermijnt zo de idealen die het nastreefde. Het is evenwel perfect mogelijk een weg te kiezen die een veel minder gulzige welvaart beoogt. Een weg die wel uitbreidbaar is naar iedereen en dus meer uitzicht geeft op een werkelijke vrijheid en vooruitgang.Het is opvallend dat er in het denken over sociale bescherming tot voor kort nog maar relatief weinig aandacht was voor de klimaatcrisis en de fundamentele aard van het economisch model waarop we de sociale bescherming willen bouwen. In de naoorlogse periode stond het geloof in voortdurende economische groei behoorlijk centraal in het sociaal contract. Groei zorgt voor inkomsten voor de sociale zekerheid. De spanning tussen rijk en arm is te temperen door het uitzicht op een koek die steeds groter wordt, waardoor men de armen rijker kan maken zonder de rijken armer te moeten maken. Wanneer de groei vertraagt, stijgen de sociale spanningen. Bij trage groei zijn er in die constellatie eigenlijk maar twee mogelijkheden: de sociale bescherming afbouwen (om de economische logica overeind te houden) of meer verregaand herverdelen. Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn er natuurlijk al heel wat dingen veranderd in de structuur van onze economie. Dat heeft ook gevolgen voor de invulling van wat we onder 'risico' verstaan. Als je, bij wijze van voorbeeld, een economie hebt die heel sterk steunt op een robuuste industriële basis, met een perspectief van een forse groei, met een situatie waarin vooral de mannen in de formele arbeid zitten, dan betekenen het streefbeeld van een 'volledige tewerkstelling' en het risico op (tijdelijke) werkloosheid iets heel anders dan in de context waarin we nu zitten. De sociale zekerheid heeft zich in de loop der jaren al aangepast aan heel wat nieuwe risico's en werd ook voor een deel ingeschakeld in een neoliberaal discours, met een nadruk op 'activering'. Maar de economische groeilogica werd niet echt in vraag gesteld en bleef bepalend in het sociaal contract.De ernst van de klimaatcrisis als rechtvaardigheidscrisis zou ons moeten aanzetten om toch minstens veilige dialoogplekken te maken waar politici, sociale partners en andere middenveldorganisaties en wetenschappers deze fundamentele discussie wel kunnen voeren. Als je een overstroming of een hittegolf ziet als een 'natuurramp' die ons overkomt, dan zijn de gevolgen daarvan een soort eenmalig individueel en 'neutraal' risico waartegen je je al dan niet kunt verzekeren en waarvoor je misschien nog extra steun krijgt van de overheid. Als het een structureel risico is, het gevolg van collectieve keuzes of het negeren van de ecologische en sociale impact van een weg die zogenaamd 'normaal' is, dan zit je in een andere situatie. Als je de ongelijkheid die ontstaat door eenzijdige keuzes uit beeld houdt, verzaak je eigenlijk aan je maatschappelijke opdracht van bescherming en hol je het sociaal contract tussen burgers en overheid uit.Het schip van de sociale bescherming in woelige en onzekere tijden een andere richting uit sturen zal niet eenvoudig zijn, maar het moet. Een nieuw toekomstgericht sociaalecologisch contract zou moeten zorgen voor een voldoende stabiele basis - een economie van de zorg, zorg voor mens en planeet - om de transitie die ons wacht op een goede manier door te komen. En dat wil zeggen dat we werk maken van een economie binnen de planetaire grenzen, die 'regeneratief en distributief' is, zoals Kate Raworth dat zegt in haar model van de donuteconomie. Een eenzijdige economische groei is verantwoordelijk voor de klimaatcrisis. Die zorgt ervoor dat meer mensen voor 'nieuwe' sociale risico's als hittestress bescherming nodig zullen hebben. Maar als we de middelen voor die bescherming willen halen uit hetzelfde model dat die risico's veroorzaakt, proberen we een huis te bouwen op een moeras dat we zelf organiseren.Gelukkig groeit binnen de academische en syndicale wereld de aandacht voor deze fundamentele kwesties. Hopelijk kunnen de recente klimaatrampen dit debat versnellen. In welke richting zouden we moeten denken? Drie sporen kunnen al een aanwijzing geven. Ten eerste zullen we grondiger moeten nadenken over de aanpak van de ongelijkheid, binnen en tussen generaties. Verdelen wat er is, in plaats van herverdelen van wat nog zou moeten komen. Daarbij moet het genoeg voor iedereen primeren op de luxe voor enkelen. De sociale garantie op een levenswaardig inkomen voor iedereen, onder meer door sterke publieke dienstverlening (en we weten ondertussen nog beter wat 'essentiële' diensten zijn), moet daarin een rol spelen. Ten tweede moeten we ambitieuze ecologische keuzes, zoals de vermindering van de luchtvervuiling, gaan zien (en berekenen) als sociale investeringen. De kost van de niet-transitie, onder meer op het vlak van gezondheid, is veel groter dan die van de transitie. De gezondheidswinst, en dan vooral bij de meest kwetsbaren, zorgt voor minder uitgaven en minder ongelijkheid. In die logica is sociale bescherming zeer 'haalbaar en betaalbaar'. Ten derde is het goed te onderzoeken hoe we risico's die verbonden zijn met de klimaatverandering beter kunnen opnemen in ons model van sociale bescherming. Extreme hitte bv. zal zorgen voor veel extra doden, en die zijn vooral geconcentreerd bij kwetsbare en oudere bevolkingsgroepen. En net als bij de coronacrisis geldt hier dat de kwaliteit van een samenleving erin bestaat dat we de meest kwetsbaren beschermen, en niet dat we het recht van de sterkste organiseren.In het nadenken over een nieuw sociaalecologisch contract zouden we voldoende aandacht moeten hebben voor fundamentele antwoorden op de logica die ons in deze situatie heeft gebracht. Enkele elementen die ook voor het debat over sociale bescherming nuttig kunnen zijn. Ten eerste zullen we moeten leren plannen in onzekere tijden. Onze systemen van planning zullen veel meer dan tot nu toe 'reflexief' of zelfbevragend moeten zijn en dus gemakkelijker kunnen inspelen op schokken en zogenaamd onverwachte situaties, zoals het in elkaar stuiken van ecosystemen. Kiezen voor veerkracht en diversiteit (in plaats van centralisatie in 'oude' oplossingen), onder meer in het energiesysteem, is aangewezen. Ten tweede is het belangrijk dat we als onderliggende mensvisie uitgaan van onze verbondenheid met de rest van de natuur. Het idee dat de mens zich "volledig zou moeten terugtrekken uit de natuur" is in wezen een versnelling van het scheidingsdenken dat ons in deze problemen heeft gebracht. We kunnen ons moeilijk uit onszelf terugtrekken. Net het besef dat we een deel zijn van de natuur maakt het gemakkelijker om te komen tot een vorm van planetaire nederigheid die cruciaal is voor een economie van de zorg. Ten derde zullen we - ook in onze discussies over sociale bescherming in ons land - systematisch internationaal en intergenerationeel moeten denken. Sociale bescherming garanderen aan sommigen terwijl je de structurele onzekerheid van anderen aan de andere kant van de wereld of in de generatie van onze kinderen vergroot, is geen echte rechtvaardigheid.Misschien kan deze discussie het onderwerp worden van een toekomstcommissie in het parlement. Het zou goed en erg nuttig zijn als het parlement de tijd neemt om in een veilige context een open dialoog op gang te brengen over een sociale bescherming die echt toekomstgericht is, en dat samen met sociale partners en andere middenveldorganisaties en wetenschappers.