Het is achtendertig jaar geleden en nog steeds gebeurt het opnieuw.

Ik zie het nieuws over het vermiste meisje eerst op Facebook, met de vraag om het bericht te delen. Ik doe het niet. Voel meteen de eerste symptomen opduiken. Wat een show-off: 'Zie mij meeleven, zie mij sociaal zijn, zie mij een goed mens zijn.' Onterecht, natuurlijk - het delen kan helpen vinden. Maar dat is wat het met mij doet: cynisme, stadium 1. Ik probeer mij af te sluiten.

Dan wordt er een fietsmandje gevonden en ontstaat er angst. Het blonde meisje uit de streek rond Antwerpen wordt 'Julie', en iedereen leeft mee in hoop en vrees. En sommigen dus in licht cynisme bij de ontplooiing van al deze - overigens volkomen terechte - emotie. Al die goede, medelevende mensen.

En dan is er de zekerheid: Julie is overleden. Wordt 'onze Julie'. De Julie van heel Vlaanderen. Het medeleven barst los in een zee van bloemen, rouwregisters, mensen die hun zegje moeten doen, tranen over heel ons kleine landsgedeelte. Terecht, uiteraard. Maar op die zee kom ik bij cynisme, stadium 3.

Dat hij me zou laten leven, dat hij alles met mij mocht doen, als ik maar mocht leven, alsjeblief?

Onder het cynisme zit pijn, uiteraard, de pijn van de eenzaamheid, van het eenzame knokken naar leven, zonder veel medeleven. Niet mijn pijn alleen, besef ik nog net in een hoek van mijn welopgevoede en welgetrainde geest: de pijn van meer mensen dan ik te eten wil geven. Mensen, net aan de dood ontsnapt. Mensen voor wie een fractie van het nu tentoongespreide medeleven leven zou hebben betekend. Mensen die zich moederziel alleen een weg naar leven hebben geknokt.

Telkens gebeurt dit opnieuw. De begrafenis van Ann en Eefje. Een hele kerk vol tranen. En wij keken verstijfd toe.

Wil iemand het horen, hoe ik op mijn knieën op de vuile treinvloer zat terwijl mijn keel werd dichtgeknepen? Dat ik, toen ik door een meevaller mijn belager los kon trekken, smeekte dat hij me zou laten leven, dat hij alles met mij mocht doen, als ik maar mocht leven, alsjeblief? Wil iemand dit lezen? Ik stop al, ik zwijg al. Ik weet: het is te gruwelijk. Ik mag dat de mensen niet aandoen, dit verhaal. Het is te erg.

Ik zag het in de reactie van mijn oudste zus die ik na de feiten inlichtte, maar die het te druk had met haar kleine kinderen om mijn ouders op de hoogte te brengen. Ik was 18 jaar en zat alleen in mijn studentenstad. Ik zag het in de opmerking van mijn moeder toen ze me drie dagen later terugzag, maar die geen idee had wat er gebeurd was en waarom we samen naar de politie moesten (om de dader te identificeren). Ze zei dat ik een sjaal moest omdoen want dat ik zo toch niet buiten kon komen, met mijn gehavende hals. Ik hoorde het in de opmerking van de politieman die mij naar huis voerde, onmiddellijk na de feiten, met de vraag wanneer ik met hem iets wilde gaan drinken. Ik merkte het aan de verschrikte gezichten van mijn vrienden, als ik hen probeerde iets te vertellen over wat er gebeurd was: ik zat op een grens.

Luister naar de levenden, als je het kunt opbrengen. Bied de levenden je medeleven aan.

Ik las het in een artikel van een organisatie die opkwam voor mensenrechten, over de man die mij net niet (en een andere vrouw wel, hoorde ik later) het leven had gekost. Hij werd afgeschilderd als een arme exhibitionist die slachtoffer geworden was van het interneringssysteem. Ik hoorde het in wat de advocaat van die man zei: dat de keuze van het slachtoffer ook niet toevallig was. Ik was te jongensachtig. Ik voelde het toen ik exact een jaar later met Allerzielen naar het kerkhof ging met mijn ouders, en het gevoel had dat ik mijn eigen graf ging bezoeken.

Wij voelen het in de eenzaamheid waarmee wij ons een weg naar een leven proberen te knokken.

Wij voelen het in de eenzaamheid waarmee wij - zelfs na decennia - het nieuws van het blonde meisje uit Antwerpen proberen te verwerken, door geen kranten te lezen. Niet omdat we bang zijn van de gruwelijkheid van de feiten, die kennen we. Maar omdat we doodsbang zijn voor het medeleven. Doodsbang voor onze reactie op al deze verspilling. Het zijn niet de doden die dit medeleven nodig hebben.

Luister naar de levenden, als je het kunt opbrengen. Bied de levenden je medeleven aan. Ga bij de levenden zitten en luister, zonder de focus te trekken naar jóúw verdriet om wat hén overkwam. Stel geen vragen, maar wees aanwezig en luister. Help dragen. Laat hen niet stikken in de eenzaamheid van niet kunnen vertellen over de beelden die ze bij zich blijven dragen, een leven lang. Help de levenden dragen.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.