Als kind ben ik seksueel misbruikt. En hoewel men kan beweren dat ik ervan hersteld ben - het gaat nu beduidend beter - leef ik met een litteken dat, indien aangeraakt, kan openbreken in rauwe pijn. Dit was, naast de traumatische gebeurtenissen, de ondraaglijke last: de vrees dat ik schuld heb aan wat mij is 'overkomen'.
...

Als kind ben ik seksueel misbruikt. En hoewel men kan beweren dat ik ervan hersteld ben - het gaat nu beduidend beter - leef ik met een litteken dat, indien aangeraakt, kan openbreken in rauwe pijn. Dit was, naast de traumatische gebeurtenissen, de ondraaglijke last: de vrees dat ik schuld heb aan wat mij is 'overkomen'. Die onterechte overtuiging kwam ik wel vaker tegen bij het lezen over seksueel misbruik en traumaseksualiteit. Kinderen zijn afhankelijk van volwassenen. Als ze moeten toegeven dat er met die grote mensen iets scheelt, hebben ze niemand meer - en wijzen ze zichzelf aan als bron van alle ellende. Daarnaast is het ook een beproefde manipulatietechniek: daders maken hun slachtoffers medeplichtig - aan pakweg een geheim - waardoor hun zelfhaat en moedeloosheid hen extra bestuurbaar maakt. In het VPRO-programma Zomergasten noemde juriste en auteur Roxane van Iperen dat fenomeen treffend 'gegijzeld worden door schuld': 'Als je een slachtoffer medeschuldig maakt, heb je het te pakken. (...) Waarom komt een slachtoffer niet naar buiten? Omdat het zich afvraagt: "Wat heb ik gedaan? Wat gaan ze vragen? Heb je nee gezegd? Waarom ben je er zo lang in meegegaan? Waarom ging je met hem mee?"' Mede daarom heb ik me lang tegen de slachtofferrol verzet. Zo kwam ik uit angst voor zelfmedelijden ook niet toe aan zelfmededogen. Intussen begrijp ik dat een duidelijke omlijning van slachtoffer- en daderschap cruciaal is voor mijn herstel. Ja, er werd een grens overschreden. Er is een dader en een slachtoffer. Herhaling moet voorkomen worden, gerechtigheid moet geschieden, hulp is nodig. Ja, ik mag mijn grenzen aangeven, de opgekropte gevoelens verwerken, voor mezelf zorgen. Recent verscheen in Humo een open brief van dichteres Delphine Lecompte. Daarin valt ze Sven van der Meulen, journalist van Het Laatste Nieuws, aan omdat hij een pedofiel heeft ontmaskerd. Lecompte pleit voor meer begrip voor pedofielen. Zij zouden de dupe zijn van een aangeboren geaardheid: 'De meesten vechten een leven lang tegen hun seksuele gevoelens ten opzichte van kinderen. De hel op aarde, want kinderen zijn overal en de pedo?el mag ze niet aanraken. De meeste pedo?elen raken geen kinderen aan.' Dat Lecompte haar selectieve empathie omkranst met een scheldkanonnade, en de beweringen dat incest cultureel erfgoed is en iedereen - ook slachtoffers van kindermisbruik - 'een innerlijke pedofiel' heeft, doet haar boodschap geen goed. Bovendien voeden de literaire franjes en bewuste provocatie het vermoeden dat de brief ter meerdere glorie van de schrijfster moet dienen. Er volgde een golf van walging en protest, van politieke kringen tot de sociale media. Auteur Saskia de Coster schreef in de krant De Morgen: 'Pedofilie, zo blijkt uit veelvuldig klinisch onderzoek, is geen geaardheid met fantasieën die in ieder van ons wemelen. Een pedofiel heeft een particuliere en problematische persoonlijkheidsstructuur, vaak vanuit een traumatisch verleden en met links naar narcistische, asociale en psychopathische persoonlijkheden.' Als slachtoffer voelde ik mijn schema wankelen. Waren mijn agressors de dupe van een aangeboren geaardheid? Werden ze ontschuldigd? Wat betekent dat voor mijn slachtofferschap? Of maakte een persoonlijkheidsstoornis hen gewetenloos, waardoor ik hen makkelijker kan catalogiseren? Mag je überhaupt veralgemenen? Ik weet dat ik geen innerlijke pedofiel heb. En toch kwetst de bewering me, en ongetwijfeld velen met mij. Maar weldra is de orkaan Delphine gaan liggen, en moeten we onszelf tussen het puin enkele moeilijke vragen durven te stellen waarover sinds de zaak-Dutroux niet meer hardop wordt gepraat. Wat wéten we eigenlijk over pedofilie en kindermisbruik? Ik ga te rade bij het Universitair Forensisch Centrum (UFC), dat samen met veertien andere ambulante centra in ons land mensen met seksueel afwijkend gedrag behandelt. Gedragstherapeut, forensisch en klinisch psycholoog Wim Huys geeft therapie aan seksuele delinquenten. Hij benadrukt het onderscheidt tussen pedofilie en pedoseksualiteit. 'Pedofielen hebben een seksuele voorkeur voor kinderen. Volgens beperkt onderzoek geeft 75 procent van hen daar nooit aan toe. De 25 procent die wel tot misbruik overgaat, noemt men pedoseksueel misbruiker.' Huys merkt dat een deel van de pedofielen inderdaad in stilte lijdt en geen kinderen wil beschadigen. Anderen vrezen dan weer de juridische gevolgen, de verstoting. Volgens Minne De Boeck, criminologe bij het UFC en bezielster van Stop it Now!, de hulplijn voor mensen die bezorgd zijn om hun seksuele voorkeuren of gedrag met betrekking tot minderjarigen, bestaan er ook pedofielen die hun stoornis volledig onder controle hebben en een veilig, vervullend en gelukkig leven leiden. Het gaat dus duidelijk niet om een homogene groep. Ik word me bewust van mijn vooroordelen. De DSM, het handboek voor psychiatrische stoornissen, definieert pedofilie als een parafilie (seksuele afwijking) en een psychiatrische stoornis. Seksuoloog John Money onderscheidt verschillende chronophiliën: seksuele afwijkingen waarbij men specifiek tot een leeftijdscategorie wordt aangetrokken. Pedofilie is een voorkeur voor minderjarigen tussen de 0 en 11 jaar, zonder secundaire geslachtskenmerken, en komt voor bij 1 procent van de mannen, wat in ons land uitkomt op circa 45.000 mannen. Hebefilie is een voorkeur voor kinderen in de beginnende pubertijd tussen de 11 en 12, die secundaire geslachtskenmerken ontwikkelen. Efebofilie is dan weer een aantrekkingskracht tot pubers tussen de 13 en 16 jaar. Zij zijn minderjarig, de wet verbiedt zestienplussers - die in ons land seksueel volwassen worden beschouwd maar juridisch niet kunnen instemmen met seks met een gezagspersoon - seksuele handelingen met hen te verrichten. Volgens de DSM vallen hebefilie en efebofilie níét onder de noemer psychiatrische stoornis. Zo'n 90 à 100 procent van de mannen heeft zich al aangetrokken gevoeld tot een minderjarige die er seksueel volwassen uitzag. Maar een minderheid heeft een expliciete voorkeur. 'Om van een voorkeur te spreken, ' nuanceert Huys, 'moet de aantrekking minstens zes maanden aanhouden. Het hoeft niet om een exclusieve voorkeur te gaan: je kunt je zowel tot volwassenen als tot minderjarigen aangetrokken voelen.' Is pedofilie een geaardheid, zoals Lecompte beweert? Daarover bestaat geen consensus, de spanning tussen wat aangeboren is en wat deel is van je opvoeding en omgeving speelt ook in deze kwestie. 'Ook hier is het nature- nurture-debat heel complex', zegt Huys. 'De wetenschap doet geen uitspraak, we zullen het wellicht nooit weten. Bij een homo- en heteroseksuele geaardheid is er sprake van twee volwassen mensen die allebei toestemming kunnen geven. Een kind kan dat nooit. Dat is een essentieel verschil.' Toch zouden steeds meer onderzoekers en behandelaars pedofilie een geaardheid noemen, omdat veel pedofielen het zelf zo ervaren. Meestal merken ze het tijdens hun pubertijd, het lijkt aangeboren. Zij worden ouder, maar de leeftijdsgroep waartoe ze zich aangetrokken voelen, verschuift niet. Ze beleven onzekerheden, twijfels. De aantrekkingskracht is niet zuiver seksueel, maar gaat ook over gevoelens van aansluiting en verliefdheid, net zoals bij een homo- of heteroseksuele geaardheid. Er zijn ook pedofielen die het pas op latere leeftijd merken. 'Het fundamentele verschil', accentueert Minne De Boeck, 'is dat het praktiseren van pedofilie strafbaar is. Men zou het kunnen erkennen als een geaardheid die nooit mag worden omgezet in gedrag met kinderen.' Tegenwoordig is geaardheid nauw verweven met identiteit. In een artikel van het magazine Vice wijt David Finkelhor, Amerikaans socioloog en directeur van het Crimes against Children Research Center, de collectieve weerzin om pedofilie een geaardheid te noemen dan ook aan het heersende idee dat we geaardheid moeten respecteren en eren, en niet mogen behandelen als een pathologie. Alsof de term 'geaardheid' kindermisbruik kan decriminaliseren. Sommige pedofielen willen effectief meesurfen op de jarenlange strijd tegen homodiscriminatie. Zoals de Nederlandse Partij voor Naastenliefde, Vrijheid en Diversiteit - ook wel de 'pedopartij' genaamd - die in 2010 werd ontmanteld maar sinds 2020 opnieuw pleit voor de legalisering van kinderporno en seks tussen volwassenen en twaalfplussers. Een partijprogramma dat mij doet kokhalzen en waar, aldus het Algemeen Dagblad, een groot deel van de pedofielen niet achter staat. Ik leg Wim Huys mijn behoefte aan een helder slachtoffer-daderonderscheid voor. Hij beklemtoont: 'Geen enkele term, factor of oorzaak kan kindermisbruik ontschuldigen: wat iemand met zijn seksuele voorkeur doet, blijft een keuze. De schade die hij berokkent, is volledig zijn verantwoordelijkheid. Kindermisbruik zal altijd strafbaar zijn.' Als kind was er veel dat ik niet kon benoemen of verklaren, maar één ding herinner ik me duidelijk: ik ervoer mijn agressors verschillend. Met elk van hen had ik een andere relatie. Door mijn research realiseer ik me dat een van hen me heeft gegroomd. We waren wekelijks alleen, hij gaf complimenten, won mijn vertrouwen, verschoof gestaag de grenzen en noemde het een spel. Dat ik een band met hem had, heeft me met veel schuld, schaamte en zelfhaat opgezadeld. Extra pijnlijk was het toen een familielid van me zich niet kon voorstellen dat die man - getrouwd met een vrouw - een pedofiel kon zijn. Lang had ik geen argument. Pas nu ontdek ik dat wetenschappelijk onderzoek uitwijst dat de helft van de kindermisbruikers geen pedofiele voorkeur heeft. Een Nederlandse studie, uitgevoerd bij veroordeelde plegers, stelt zelfs dat het over 60 à 80 procent gaat. Net als pedofielen zijn kindermisbruikers een heterogene groep waarop geen eenduidig profiel van toepassing is. Een deel van hen zijn situationele plegers, opportuniteitsplegers. Ze gaan niet actief op zoek naar slachtoffers. Andere oorzaken zijn relationele problemen, een verstoorde emotieregulatie, middelenmisbruik, sociaal isolement, een intellectuele beperking, psychopathie en andere persoonlijkheidsstoornissen, en, in zeer zeldzame gevallen, sadisme: een parafilie waarbij de dader opgewonden raakt van andermans lijden. Er bestaat hersenonderzoek naar pedofilie. Daaruit blijkt dat sommige kindermisbruikers wel hersenafwijkingen hebben, maar er is niet zoiets als een pedofiele breinkern. 'Ook het stereotype van het vieze, vervreemde ventje klopt niet', zegt Huys. 'Meestal kennen slachtoffer en dader elkaar: in zo'n 80 à 90 procent van de gevallen is het een bekende.' En wat met het stereotype van meneer pastoor? 'Priesters kunnen pedofiel zijn, ' weet De Boeck, 'maar het is niet ondenkbaar dat het celibaat seksuele problemen veroorzaakt. Kinderen - zoals misdienaars - zijn benaderbaar, wat kan wijzen op opportuniteitspleging.' Lise De Block is forensisch psycholoog, criminoloog en dadertherapeute bij Centrum Geestelijke Gezondheidszorg Adentro. Bij de behandeling van pedofielen die geen pedoseksueel gedrag hebben gesteld, baseert zij zich op twee pijlers. Enerzijds is er een psychotherapeutisch traject waarbij achtergrond, levensloop, zelfkennis en risicobeheersing worden onderzocht. Anderzijds wordt ingezet op het Good Lives Model. Men bekijkt welke behoeften de cliënt heeft op vlak van werk en interesses, helpt hem een sociaal netwerk uit te bouwen. Zo'n basis verkleint de kans op grensoverschrijdend gedrag aanzienlijk. De seksuele voorkeur van een pedofiel geeft een verhoogd risico tot pedoseksueel gedrag, maar ook andere triggers kunnen hem over de schreef trekken: sociaal isolement, hevige angst, frustratie, schaamte. In die optiek is het verdomhoekje dat Delphine Lecompte hekelde, inderdaad bijzonder gevaarlijk. 'Bij uitstoting kunnen pedofielen op zoek gaan naar lotgenoten, bijvoorbeeld op het internet. Hoe groter het taboe, hoe groter de anonimiteit, hoe groter de kans dat ze in contact komen met mensen die kinderporno uitwisselen en tips geven over grooming', licht Minne De Boeck toe. 'Zo wordt het risico op kindermisbruik alleen maar vergroot. Daarom is het onze maatschappelijke opdracht om op een niet-veroordelende manier met hen te praten als ze daar behoefte aan hebben. Ook professionals moeten grondig geïnformeerd worden en leren de dialoog aan te gaan.' Niet-veroordelend luisteren is nu eenmaal niet hetzelfde als gedrag goedkeuren. De hetze die Lecompte met haar onzorgvuldige betoog tegen de demonisering van de pedofiel heeft ontketend, leidt volgens De Boeck alleen maar tot meer stigmatisering, en kan zeer negatieve gevolgen hebben. De behandeling van veroordeelde kindermisbruikers ziet er anders uit. Er bestaan geen levenslange straffen, iedere pleger komt ooit vrij. Zonder therapie hervalt 19 procent, na een behandeling is dat nog altijd de helft daarvan. De verplichte behandelduur bedraagt drie à vijf jaar, nadien blijven plegers vaak vrijwillig in therapie. Sommigen moeten levenslang begeleid worden. Lise De Block: 'Bij zedendelicten wordt vaak geëist dat plegers niet rondhangen op plaatsen waar zich frequent minderjarigen bevinden. In sommige staten van de VS bestaat zelfs het verbod om zich in die buurten te vestigen, wat heeft geleid tot getto's. Dat creëert potentieel gevaarlijke situaties. Sommige daders hebben spijt, andere zijn gewetenloos. Die laatste categorie kan een desastreus effect hebben op de eerste.' In Vlaanderen wordt zowel met groepstherapie als met individuele therapie gewerkt. Beide hebben voor- en nadelen, weet Wim Huys. 'In groepstherapie kunnen deelnemers elkaar berispen. Iemand met een cognitieve distorsie die gelooft dat zijn dochter het zelf uitlokte, wordt door mededaders terechtgewezen. Een krachtig wapen, dat veel indruk maakt. Het nadeel is dat je minder individueel kunt werken. Therapie blijft maatwerk.' Aan het begin van de therapie verkent Huys de factoren die tot misbruik hebben geleid en taxeert hij het risico tot herval. Een hoog risico vraagt om een intensieve behandeling. Wordt die ingezet bij laag risico, dan werkt dat contraproductief. 'Geen enkele behandelaar van pedofielen of kindermisbruikers keurt grensoverschrijdend gedrag goed', benadrukt De Block. 'We proberen te verklaren, te voorkomen en soms moeten we zowel slachtoffer- als daderschap in dezelfde persoon een plaats geven.' Als het gaat om verantwoordelijkheid en juridische gevolgen, vindt De Block het zwart-witte slachtoffer-daderschema cruciaal. Maar een aantal daders was zelf ook het slachtoffer van kindermisbruik. Sommigen voelen zich aangetrokken tot de leeftijd waarop ze misbruikt werden. Hun slachtofferschap negeren, benadeelt de therapie. De Block merkt dat het in sommige situaties noodzakelijk is om eerst het slachtofferschap bespreekbaar te maken, en dan pas de verantwoordelijkheid voor grensoverschrij- dend gedrag aan te kaarten. Klopt het dat pedofiele fantasieën onschadelijk zijn, zoals Lecompte beweerde? Onder pedoseksualiteit wordt niet alleen kindermisbruik en het bekijken van kinderporno gerekend, maar ook fantaseren over kinderen en daarbij masturberen. In 2011 verwees het tijdschrift De Groene Amsterdammer in een artikel over pedofilie naar onderzoek dat illustreert hoe frequent gebruik van virtuele kinderporno het aantal zedendelicten doet afnemen. Wim Huys, die dit ethisch zeer problematisch vindt, gelooft er niet in: 'Virtuele kinderpornografie kan door de daders gebruikt worden om aan een kind te tonen dat het een normale praktijk is. Bovendien kan het de drempel naar echt materiaal verlagen en aanzetten tot misbruik.' In datzelfde artikel noemt hoogleraar forensische psychiatrie Hjalmar van Marle masturbatie een 'belangrijke bekrachtiger'. Huys verklaart: 'Wanneer een prikkel gepaard gaat met een orgasme, wat een zeer positief gevoel geeft, versterkt het de connectie tussen prikkel en positiviteit. Het is conditionering, vergelijkbaar met de hond van Pavlov. Seksuele opwinding gecombineerd met beelden van misbruikte kinderen én een positief gevoel, is in geen geval wenselijk.' Moet men de fantasieën en lustgevoelens dan maar lamleggen? Niet zelden schreeuwt de publieke opinie om chemische castratie. In hoeverre is dat een oplossing? Om te beginnen onderscheidt men drie vormen, van licht naar zwaar. Er is een verhoogde dosis antidepressiva die als bijwerking libidoverlaging heeft. Opdringerige fantasieën worden gedempt met weinig bijwerkingen. Dan is er de Androcur: een pil voor prostaatkanker die het testosteronniveau naar prepubertair niveau brengt en meetbaar is in het bloed. Het dempt de lust sterk, maar kent ook bijwerkingen zoals gewichtstoename, borstontwikkeling, botontkalking en tandproblemen. De derde mogelijkheid is een driemaandelijkse inspuiting met Salvacyl , wat het libido bijna volledig uitschakelt. Dat is ingrijpend, zeker als de persoon in kwestie een volwassen partnerrelatie heeft. De beslissing om chemische castratie toe te dienen wordt dan ook in multidisciplinair teamverband genomen, onder leiding van een psychiater. Een rechter kan het onmogelijk eisen. 'Chemische castratie creëert de rust om therapeutisch aan de slag te gaan, en kan niet losstaan van therapie', onderstreept De Block. 'Men heeft geen penis nodig om te verkrachten. Er zijn gevallen geweest van chemische en fysieke castratie zonder therapie. De frustratie was enorm, de gevolgen waren rampzalig.' Op het onlineforum van de kindertelefoon Awel springen me twee berichten in het oog. Een meisje wordt benaderd door een vriend van haar ouders: hij kust haar, belt 's nachts, stuurt naaktfoto's. Ze vreest dat als ze hem aangeeft, ze zijn leven verwoest. Aan de levens van andere slachtoffers denkt ze niet. Het tweede verhaal: een jongen voelt zich aangetrokken tot meisjes tussen de 12 en 14. Hij walgt van zichzelf en wil een operatie om van die gevoelens af te komen. Ik vraag Minne De Boeck hoe het zit met sensibilisering van de jeugd. 'Er zijn te weinig campagnes in het onderwijs, de jeugdbewegingen, de sportcultuur. Men zou pedofilie en kindermisbruik moeten opnemen in de lessen seksuele opvoeding. Leer kinderen de stadia van grooming. Zet in op internetveiligheid. Bied getuigenissen aan. Je moet de verantwoordelijkheid niet bij slachtoffers leggen, maar je biedt hen meer bescherming door ze te informeren.' Ook potentieel daderschap kan zo voorkomen worden. Adolescenten die met pedofiele gevoelens worstelen, kunnen leren dat er een uitweg is, in plaats van hulp te zoeken in de donkere krochten van het internet. In 2017 werd de hulplijn Stop it Now! opgericht, een succes. Helaas is de lijn slechts drie weekdagen geopend wegens onderbemanning door onvoldoende subsidies. Niet zelden belt een potentieel kindermisbruiker die vreest dat hij zich niet kan beheersen. In coronatijden zijn dat er meer. Maar er zijn grote tekorten in het behandelaanbod, zowel ambulant als residentieel. Zowel voor pedofielen die zichzelf een risico vinden als voor veroordeelde kindermisbruikers is er een wachtlijst van zes maanden tot een jaar om behandeld te worden. Ook daar: te weinig geld. Wellicht wordt het merendeel van het kindermisbruik nooit gemeld. Ikzelf deed pas in januari 2021 aangifte, meer dan dertig jaar na de feiten. Sinds de wet van 14 november 2019 kunnen seksuele misdrijven gepleegd ten aanzien van minderjarigen niet langer verjaren. In 2020 werden 9311 minderjarigen gemeld bij de vertrouwenscentra kindermishandeling, een stijging van 4,4 procent tegenover 2019. 'We zien een toename van 6- tot 12-jarigen, 13,7 procent is jonger dan 3 jaar', aldus Erika Frans, expert en preventiewerker Seksueel Grensoverschrijdend Gedrag bij Sensoa. 'Er bestaat een sterk vermoeden dat het in 2021 zal stijgen. Al is een daling van de cijfers ook mogelijk: de helft van de doorverwijzingen verloopt via onderwijs en Centra voor Leerlingenbegeleiding. Zij hadden door de pandemie minder contact met de kinderen, wellicht zijn minder gevallen opgemerkt. Onder experts heerst ongerustheid over het effect van corona op seksueel kindermisbruik.' Hoewel het loodzware materie is, heeft mijn onderzoek naar pedofilie en misbruik me gesterkt. Mijn rechten als slachtoffer zijn bevestigd. Door meer inzicht te krijgen in daders is het onbegrijpelijke iets beheersbaarder geworden. Ook werd ik me bewust van het belang van juiste terminologie. Natuurlijk dragen plegers de verantwoordelijkheid voor hun daden, maar nu ik de katalysators ken, mag ik niet wegkijken. Generaliseren, vooroordelen voeden: het is geen optie meer. Ik weiger ertoe bij te dragen dat ergens iemand over de schreef gaat.