Geen dag gaat voorbij zonder onthullingen over de zware bodemverontreiniging op en rond de 3M-fabriek in Zwijndrecht, en intussen dijt het politieke schandaal steeds verder uit. Toch bieden de cijfers die milieutoxicologe Greet Schoeters (UAntwerpen) voorlegt een hoopgevend verhaal. Ze haalt die uit het Vlaams Humaan Biomonitoringprogramma, een multidisciplinair, twintig jaar durend onderzoek naar de effecten van chemische vervuilers in het menselijk lichaam, dat door de Vlaamse overheid werd gefinancierd. 'Tijdens de eerste cyclus hebben we vooral klassieke polluenten zoals dioxines, pcb's, paks, zware metalen en pesticiden gemeten. Vanaf de tweede campagne, in 2007, kwamen er metingen bij van merkers voor een groot aantal nieuwere chemische stoffen, waaronder PFOS (perfluoroctaansulfonaten). Daardoor kunnen we nu de dalende trend vaststellen: in 2012 waren de PFOS-gehaltes gehalveerd tegenover 2007. Het gaat dus voor alle duidelijkheid om een gemiddelde, berekend op een testgroep van een driehonderdtal proefpersonen, representatief verspreid over heel Vlaanderen. Geen puntmeting dus, de cijfers zeggen niks over de omwonenden van de 3M-fabriek. Niettemin blijkt uit de resultaten dat milieumaatregelen effect hebben. De productie van PFOS werd twintig jaar geleden stopgezet. Daar plukken we nu de vruchten van.'
...

Geen dag gaat voorbij zonder onthullingen over de zware bodemverontreiniging op en rond de 3M-fabriek in Zwijndrecht, en intussen dijt het politieke schandaal steeds verder uit. Toch bieden de cijfers die milieutoxicologe Greet Schoeters (UAntwerpen) voorlegt een hoopgevend verhaal. Ze haalt die uit het Vlaams Humaan Biomonitoringprogramma, een multidisciplinair, twintig jaar durend onderzoek naar de effecten van chemische vervuilers in het menselijk lichaam, dat door de Vlaamse overheid werd gefinancierd. 'Tijdens de eerste cyclus hebben we vooral klassieke polluenten zoals dioxines, pcb's, paks, zware metalen en pesticiden gemeten. Vanaf de tweede campagne, in 2007, kwamen er metingen bij van merkers voor een groot aantal nieuwere chemische stoffen, waaronder PFOS (perfluoroctaansulfonaten). Daardoor kunnen we nu de dalende trend vaststellen: in 2012 waren de PFOS-gehaltes gehalveerd tegenover 2007. Het gaat dus voor alle duidelijkheid om een gemiddelde, berekend op een testgroep van een driehonderdtal proefpersonen, representatief verspreid over heel Vlaanderen. Geen puntmeting dus, de cijfers zeggen niks over de omwonenden van de 3M-fabriek. Niettemin blijkt uit de resultaten dat milieumaatregelen effect hebben. De productie van PFOS werd twintig jaar geleden stopgezet. Daar plukken we nu de vruchten van.' Was u zelf op de hoogte van de PFOS-verontreiniging bij 3M? Greet Schoeters: Uiteraard. Iedereen wist dat 3M PFOS produceerde, maar de verspreiding in de wijdere omgeving was me niet bekend - OVAM doet de bodemmetingen. Ik kende PFOS en het aanverwante schadelijke PFOA al langer uit de vakliteratuur. De eerste meldingen kwamen uit Minnesota en West Virginia in de VS, waar de stoffen in rivieren en grondwater werden aangetroffen. Minnesota is de thuisbasis van 3M, de uitvinder van de poly- en perfluoralkystoffen. De PFAS-familie omvat intussen al zo'n 6000 verbindingen, waarvan PFOS de bekendste en beruchtste is. Hoe kan het dat een goedje dat kankerverwekkend is en hormoonverstorend werkt, zo wijdverspreid is in het milieu? Schoeters: PFAS zijn veelzijdig, ideaal voor de industrie om nieuwe moleculen te ontwerpen. PFOS is water- en vetafstotend, zat in coatings, verven, vernissen, lijmen, smeermiddelen en brandblusschuim, maar ook in boterhammenpapier en andere levensmiddelenverpakkingen. Toxicologisch is het grootste probleem de afbreekbaarheid: als PFOS in het milieu of het menselijk lichaam komt, blijft het er zitten. Vandaar de naam forever chemicals, een begrip dat overigens even goed van toepassing is op dioxines, zware metalen en pcb's. Allemaal zijn dat persistente polluenten, in tegenstelling tot de groep van de weekmakers, zoals ftalaten en bisfenolen, die wel schadelijk zijn maar het lichaam snel verlaten. Dat doet overigens weinig af aan de gezondheidsrisico's. Uitscheiden of niet, als je er dagelijks aan blootgesteld wordt, worden die stoffen bijna-persistent. De PFOS-normen werden sinds 2008 stapsgewijs zo'n 200 maal strenger. Waarom is het zo moeilijk om een toegestane dagelijkse dosis te bepalen? Schoeters: Het is bij uitstek een zaak van voortschrijdend inzicht. Als toxicoloog kijk ik naar de gezondheidskundige toetsingswaarde, ook wel level of concern genoemd. Als je daar boven gaat, word je niet noodzakelijk ziek, maar bestaat er biostatistisch wel een verhoogd risico. Aan de hand van die toetsingswaarde kunnen we terugrekenen en afleiden hoeveel er van een bepaalde stof in de lucht, het drinkwater en onze voeding mag zitten. Het is heel complex, en we leren voortdurend bij. Van PFOS raakte pas onlangs bekend dat het de vaccinrespons bij kinderen kan beïnvloeden. Dat heeft meteen tot een verdere verstrenging geleid. Waarom moeten die risico's pas aan het licht komen nadat gevaarlijke stoffen zich al in het milieu en de mens hebben opgestapeld? Schoeters: Dat is een heikele zaak. REACH (het Europese systeem voor registratie, evaluatie en toelating van chemische stoffen, nvdr) geldt sinds 2007, maar alleen voor producten die in grote volumes worden aangemaakt. Daar valt iets voor te zeggen, we moeten ergens beginnen. Toch volstaat dat in mijn ogen niet. Chemische producenten zouden safety by design als uitgangspunt moeten nemen: ze mogen geen nieuwe stoffen lanceren zonder eerst de toxicologische risico's in kaart te brengen en ons erover te informeren. Dat gebeurt trouwens voortdurend. We treffen in onze recente studies dan wel minder PFOS en PFOA aan, maar intussen meten we nieuwere stoffen van dezelfde chemische klasse in het menselijk lichaam. Safety by design zoals in de farmaceutische industrie: met klinische studies die de veiligheid van nieuwe geneesmiddelen garanderen? Schoeters: Klinische studies hebben geen zin, want je kunt die middelen niet bewust aan mensen toedienen. Maar ik denk aan in vitro-onderzoek met celkweken en in-silico- onderzoek via computerberekeningen. Dat vergt extra opleiding en investeringen, maar de chemische industrie moet echt de sprong naar preventief denken maken. Alleen zo valt te vermijden dat toxicologen voortdurend nieuwe stoffen meten, terwijl ze geen idee hebben van de eigenschappen. Recent nog werden in een studie van de arctische lucht een hele rist onbekende verbindingen gevonden. Het zit echt overal. Alexander D'Hooghe, de intendant die het Oosterweeldossier wist vlot te trekken, voorspelde in De Ochtend op Radio 1 dat er nog lijken uit de kast zullen vallen. Onvermijdelijk, zei hij, als je in een historisch vervuild industriegebied zoals de Antwerpse haven begint te graven. Heeft hij gelijk? Schoeters: Ik vrees van wel. Het zit niet alleen in de Antwerpse haven. Bij onze eerste studie hebben we acht doelgebieden gepeild. Sommige resultaten waren voorspelbaar: in haven- en industriegebieden of rond verbrandingsovens vind je meer zware metalen, dioxines en pcb's. Maar wat ons verbaasde, waren de verhoogde waarden van moeilijk afbreekbare pesticides, dioxines en pcb's bij studiedeelnemers in landelijke streken. In Vlaanderen zijn er geen maagdelijke streken meer, wat logisch is als je de eigenschappen op een rijtje zet: dichtbevolkt, sterk geïndustrialiseerd, veel intensieve landbouw en verkeersknooppunt van Europa. Uit onze studies blijkt welke prijs we daarvoor betalen. Voor cadmium zit 40 procent van de Vlaamse jongeren boven de toetsingswaarde. Voor arsenicum is dat 25 procent, voor lood 12 procent, terwijl bij 22 procent te veel pyrethroïde pesticiden in urine werd gemeten. Daarom moeten we de vinger aan de pols houden. Het Vlaams Humaan Biomonitoringprogramma is eind vorig jaar afgelopen. Komt er een vervolg? Schoeters: Dat hopen we. Momenteel participeren we in HBM4EU, Human Biomonitoring for Europe. Dat programma loopt sinds 2017 in dertig landen, met 9000 proefpersonen: kinderen, pubers en volwassenen. De eerste opdracht is de methodologie harmoniseren, zodat metingen uit Tsjechië vergelijkbaar zijn met resultaten uit Spanje. De Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) is een van de coördinatoren. Het Vlaams Humaan Biomonitoringprogramma was pionierswerk met een sterk participatieve inslag. Behalve toxicologen waren er ook sociale wetenschappers, lokale overheden, ngo's en burgers bij betrokken.