Toen ik vrienden van me vertelde dat ik de oorlogsmisdaden van mijn grootvaders Gaston Delbeke en Jan Van Ceulebroeck onderzocht, kreeg ik de vraag of die misdaden misschien 'genetisch bepaald' waren.

Enkele weken later ontving ik een berichtje van een kennis van me. Het collaboratieverleden in haar familie was jarenlang blijven hangen en ze herinnerde zich levendig de IJzerbedevaarten, waar ze verplicht werd om jaarlijks met het hele gezin naartoe te trekken. Iemand anders vertrouwde me nog toe 'dat er bij zijn grootouders ook altijd een affiche met de Vlaamse Leeuw boven de schoorsteenmantel hing'. Ik vond het opmerkelijk dat men naar een medische reden of naar een politieke motivatie zocht om de misdaden die Delbeke en Van Ceulebroeck tijdens de Tweede Wereldoorlog begingen te verklaren.

Het onderzoek naar mijn familieverleden leerde me dat de zwartgeblakerde oorlogsmisdaden van mijn grootvaders niet in het minst erfelijk bepaald of politiek geïnspireerd waren. Delbeke en Van Ceulebroeck voelden zich niet door het Vlaams-nationalistische gedachtengoed aangetrokken. Ze waren geen lid van de Vlaamse extreemrechtse partij VNV of van welke Vlaams-nationalistische groepering ook.

Elke mogelijke sympathie voor het Vlaams-nationalisme was trouwens in de familie van Gaston Delbeke uit den boze. Hij trad in september 1940 weliswaar zonder aarzelen in dienst als chauffeur bij de Sicherheitspolizei-Sicherheitsdienst (Sipo-SD) te Gent. De inlichtingendienst van de SS was in de volksmond beter bekend als de 'Gestapo'.

Delbeke trad er uit louter opportunisme toe. Hij had een nieuwe sociale status, kon op grote schaal en onbelemmerd corruptie plegen en zag er ook geen graten in om 'desnoods de harde hand te verlenen' bij arrestaties en ondervragingen van verzetsstrijders. Delbeke schopte het eind 1942 tot tolk bij de Sipo-SD. In april 1944 volgde zijn overplaatsing naar de Geheime Feldpolizei (GFP) waar hij zich tijdens de zomer van 1944 tot een van de meest gevreesde ondervragers ontpopte.

Gaston Delbeke werd na de bevrijding tot de doodstraf veroordeeld en in 1948 gefusilleerd. Mijn grootmoeder hertrouwde in 1970 met de elf jaar jongere Jan Van Ceulebroeck, die acht jaar daarvoor voorwaardelijk vrij was gelaten. Hij was in 1943 lid geworden van het gewapende Schutzkommando van de Organisation Todt (OT), en had zo een achterdeur gevonden om aan de verplichte arbeidsdienst in Duitsland te ontsnappen. Organisation Todt was de bouwmaatschappij van de nazi's die onder andere verantwoordelijk was voor de bouw van de Atlantikwall.

Mijn stiefgrootvader werd eind 1944 naar het concentratiekamp Stutthof in het voormalige Oost-Pruisen gestuurd en vestigde al snel zijn naam als een van de meeste beruchte bewakers in het kamp. Toen het kamp in januari 1945 in allerijl werd ontruimd voor het oprukkende Russische leger, nam Van Ceulebroeck als bewaker deel aan de dodenmars van meer dan 5000 vrouwelijke Joodse gevangenen naar de Baltische kust. Tijdens de dodenmars hielp hij actief mee aan het vermoorden van tientallen Joodse gevangenen. Elf Joodse gevangenen zouden de slachting overleven.

Een politiek of ideologisch motief ontbrak bij Delbeke en Van Ceulebroeck. De vraag blijft echter hangen waarom beiden dan zo extreem radicaliseerden naarmate de oorlog vorderde en de strijd - althans voor de bezetter - steeds uitzichtlozer werd. Beiden radicaliseerden vooral in de allerlaatste fase van de oorlog.

Delbeke en Van Ceulebroeck vormden trouwens geen uitzondering in deze neerwaartse spiraal van geweld. Andere Belgen die lid waren van de Algemeene SS, DeVlag of Rex, en die op dat moment in gewapende dienst voor de Duitse bezetter werkten, daalden op een identieke manier af in de donkerste krochten van de geschiedenis.

Een mogelijke verklaring waarom Delbeke en Van Ceulebroeck steeds vergaander geweld gebruikten, ligt in wat een Duitse officier na de bevrijding de 'veranderde omstandigheden' noemde. Daarmee duidde hij verbloemd het keerpunt in de oorlog aan.

Met de capitulatie van het Duitse leger in Stalingrad in februari 1943 en de landing op Sicilië door de geallieerden in juli 1943 werd het duidelijk dat de kansen voor de Duitsers keerden. De acties van de verschillende verzetsbewegingen namen steeds sneller en in hevigheid toe.

Na de mislukte aanslag op Adolf Hitler op 20 juli 1944 vaardigde Hitler het Terror- und Sabotage-Erlass uit, waarmee hij resoluut de sabotage- en gewelddaden van het verzet wilde breken. Elke verdachte mocht van dan af zonder vorm van proces neergeschoten worden.

De door Hitler bevolen contraterreur zorgde voor een legitiem kader waarin zowel Duitse politiediensten (en dus ook veel van hun Belgische medewerkers) in de laatste maanden in de bezette gebieden, waaronder België, steeds verregaander zouden optreden. Het eerdere militaire bestuur werd door een Zivilverwaltung vervangen. Het betekende ook dat wie aan de folteringen, executies en moordpartijen van de Duitse bezetter meehielp ongestraft bleef en zo goed als carte blanche kreeg. Of toch ten minste tot aan de bevrijding.

In de zomer van 1944 werden er door Delbeke in de streek van Oudenaarde, Ronse en Aalst tientallen verzetsstrijders mishandeld, gefolterd en gedeporteerd. Hetzelfde gold ook voor Jan Van Ceulebroeck. Zijn misdaden, het mishandelen en neerschieten van gevangenen, sloten naadloos aan bij de talloze moordacties die al eerder door de Duitse Einsatzgruppen na de inval op Rusland in juni 1941 in de bezette oostelijke gebieden waren gepleegd. Met het Russische leger op de hielen hielp Jan Van Ceulebroeck zonder aarzeling in de laatste oorlogsmaanden mee aan de verdere vernietiging van het Joodse volk.

Na zijn arrestatie in mei 1945 minimaliseerde Gaston Delbeke zijn misdaden. Hij voerde aan dat hij 'een slachtoffer van de omstandigheden' was geweest en verklaarde dat hij 'slechts orders' van de Duitse overheid had uitgevoerd. Ook Jan Van Ceulebroeck betoonde na zijn aanhouding nooit spijt of wroeging. Er werden geen 'foute idealen' ter verdediging aangevoerd.

Zowel Delbeke als Van Ceulebroeck hadden, op vraag van hun werkgever, het gevraagde werk geleverd met 'af en toe een oorvijg' en daarmee was de kous af. Historicus Sönke Neitzel en psycholoog Harald Welzer beschreven die omgekeerde logica als : 'If I interpret the killing of human beings as work, I do not categorize it as a crime and, thereby, normalize what I am doing'.

Misschien is het meest angstaanjagende in mijn onderzoek wel de conclusie dat Gaston Delbeke en Jan Van Ceulebroeck twee banale, alledaagse Vlamingen waren die hun radicalisering als een logische stap zagen in wat zij als 'normaal werk' beschouwden. Die stap werd niet door een politieke of ideologische keuze gedragen, maar alleen door louter opportunisme ingegeven.

De Schaduwjaren werd uitgegeven door Borgerhoff&Lamberigts en is vanaf 4 mei te koop. Francis Weyns (°1965) studeerde in 1992 af als historicus aan de Universiteit te Gent.